donderdag 1 oktober 2015

Collega R. zegt dat ik mijn haar moet wassen. Dat ik een colbert aan moet, dat ik er rekening mee moet houden dat ik acht kilo dikker lijk, dat ik niet aan mijn borsthaar mag krabben, niet mag drinken onder het praten, dat ik vragen moet negeren en gewoon mijn eigen verhaal vertellen, liefst twee anekdotes en dat ik iemand mee moet nemen omdat er na afloop niemand is die naar je omkijkt.

Ik zit naar haar te kijken zoals een kip naar het onweer.

Mijn vrouw had me eerder verteld dat ik mijn bril moest afdoen.

Collega K. zei me niet te bescheiden zijn (daar zijn we weer). Hij zei: jij schrijft gemakkelijk, maar denkt te moeilijk. Zoiets.

In de roos.

Alle adviezen betroffen de uitnodiging van Pauw, om daar vanavond in de uitzending te vertellen over hoe dat voelt: een aardbeving. Die maakten wij gisteravond om even over acht mee. Over hoe dat voelde, daarover had ik in de krant van vandaag een verhaal geschreven. Om kort te zijn: dat voelde niet fijn.
 
Angstig. Instinctief voel je gevaar, je beseft: hier zijn krachten aan het werk die we niet beheersen. Onmacht, onwetendheid, onbegrip dat we het laten gebeuren.

De goede bedoelingen ten spijt; om vier uur hoorde ik dat ik toch niet naar Amsterdam hoefde. De reden was dat onze burgemeester niet kon. Daarom was het item geschrapt. De redactrice ging er vanuit dat ik dat logisch vond. Nee, maar ik ging natuurlijk niet zeggen: ik kom toch. Helemaal rouwig was ik er niet om. Je bent de hele avond kwijt en bent, als je geluk hebt, om half drie ’s nachts weer thuis. Daarbij zou ik de commissie ABZ in Bedum missen en dat zat me ook niet lekker.

De redactrice vroeg of ze een volgende keer weer mocht bellen. Ze hoopte dat het niet zou hoeven, maar die hoop heb ik niet; zo lang ik leef zullen er in Groningen aardbevingen zijn.

De aardbeving van gisteravond, 3.1 op de schaal van Richter, epicentrum Hellum, hakte er blijkbaar zo in bij mij dat ik er vannacht over droomde. Een nachtmerrie. Ik werd om kwart over vier 's nachts wakker, helemaal in de war. Wat ik wel dacht was: ik moet die droom, die nachtmerrie opschrijven.

Aardbevingsdroom

Siddering, beweging ineens, chaos, de kamer is overhoop, er is iets gebeurd, wat is er gebeurd, een beving, in ons huis, ja in ons huis, kijk ons huis, de muren bewegen, kijk de vloer dan, de vloer is kapot, tegels schuiven over elkaar heen, het voelt zo, het voelt raar, zie de vloer ook bewegen, komt dreigend omhoog, alles vloeit en kronkelt en ik weet wegwezen en ik kijk om me heen en zoek, wat zoek ik, ik kijk om me heen, ren door muren, door kamers, ja, dit moeten, hé dit zijn de kinderkamers, waar zijn mijn zoons, ik zie ze niet, ik wil weten waar mijn vrouw is, buiten moet ik zijn, daar is het veilig, daar loop ik heen, al ga ik door een andere voordeur dan de mijne, ik zie niet goed meer, alles is vaag en ik sta plotseling op een berg, ergens buiten, zou Indonesië kunnen zijn en de tegels van de kamer zijn aardplaten geworden, platen in kleurboekkleuren, die schuiven over elkaar heen, met donderend natuurgeweld, dit is echt, dit is niet best en we moeten vluchten, ik wankel, zoek evenwicht, maar de aarde wankelt en ineens zijn daar mijn kinderen, mijn vrouw, we houden handen vast, ik wil dat we handen vasthouden, in een kring zoals bij zakdoekje leggen en we moeten elkaar niet meer loslaten, wat er ook gebeurt, bij elkaar blijven, ja zegt mijn vrouw we blijven bij elkaar, maar waar gaan we heen, daarheen, waarheen, niemand zegt iets en we lopen een richting uit die ik niet ken en ik zie een vliegtuig op een plek die lijkt op de camping in Luxemburg waar we meestal overnachten op weg naar Frankrijk en ik besef, dat zie ik niet, dat er bekenden mee zijn, mensen uit het dorp, buren, vrienden, wie zal het zeggen, ik voel ze alleen en dat we met zijn allen moeten vluchten, het is de enige optie en ik voel in mijn zakken en jas die ik niet aan heb en nee, we hebben geen paspoort meer, nee, niemand heeft een paspoort, geld, spullen, alles is kwijt, alles wat in ons huis was is verloren, maar daar is begrip voor begrijp ik, hoor ik en veel tijd om er over na te denken is er ook niet, belangrijkste is weg te komen, weg van hier, weg van deze plek, we zullen nooit meer terugkeren, nooit meer omkijken en er staan twee, drie roltrappen richting vliegtuig, dat zowaar stewardessen heeft, een ervan heet ons welkom en probeert ons gerust te stellen, er hangen vlaggetjes om het vliegtuig heen, alsof het feest is, ik voel in mijn kontzak en het vliegtuig staat onder een luifel en ook tegen een aarden wal met gras begroeid, zonder de trap te gebruiken zijn we in het vliegtuig, vol, helemaal vol, er is geen plek, nergens en we willen bij elkaar zitten en als ik om me heen kijk zijn mijn vrouw en kinderen weer weg en hoe ik ook om me heen kijk ik zie ze niet en ik weet dat verder zoeken geen zin heeft, dat ik ze nooit meer zal zien, dat ze weg zijn, maar ik weet ook dat mijn vrouw voor ze zal zorgen en dat stelt een beetje gerust en ik ben alleen, ik zit alleen in een ander vliegtuig, dat geen beplating meer heeft, alleen het ijzeren geraamte en we taxiën over een snelweg, proberen vaart te maken om weg te komen en ik zie, ik zie lantaarnpalen langs de weg en ik denk wat gek, want de vleugels van het vliegtuig zouden die palen moeten raken en daardoor kapotgaan, maar dat is niet zo en als ik voor me kijk zie ik dat we over auto’s heenrijden, over mensen die over de weg liggen, maar terwijl we over die mensen heen rijden, ik kan niet zien of ze al dood zijn, voel ik geen gebonk zoals dat zou moeten en we rijden door, we taxiën door en rijden over nog meer auto’s en mensen en we rijden en rijden en ik voel dat ik bijna in veiligheid ben, maar het vliegtuig stijgt niet op, we rijden alleen maar door, steeds harder.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen