woensdag 23 november 2016

Nog één keer Seta

MUSSELKANAAL De roemruchte voetbalvereniging Seta uit Musselkanaal viert op 10 juni 2017 het zestigjarig jubileum. Op de planning voor die dag staat een kort feestprogramma met aansluitend een reünie. Bestuur en feestcommissie willen het heuglijke feit met zoveel mogelijk mensen vieren en doen een oproep aan leden en oud-leden om zich te melden.

Dat kan via acvs@kpnmail.nl, website www.vv-seta.net en de Facebookpagina 60 jarig bestaan v.v. Seta (link), waarop regelmatig nieuwe informatie verschijnt.

Aanmelden kan ook via: Jan Abee 06-22231169 (feestcommissie) of Jan Hartman 06-15519871 (clubvoorzitter).

Ik heb zelf heel lang bij Seta gevoetbald. Het is de club met de meest geografische aanduiding in de naam: Sportclub Eerste exloërmond Tot Afdraai. Al spraken de tegenstanders van: Schopt En Trapt Alles. Zelf vond ik een door een vriendje beacht Sportieve En Technische Atleten wel mooier.
Mijn belevenissen bij de club inspireerden tot veel verhalen in de bundel 'De dronken rechtsbuiten' en min of meer ook tot mijn enige voetbalroman tot dusver, FC Hopeloos. En wellicht als extra motivatie om vooral naar de reünie te komen hieronder een verhaaltje uit de oude doos.


Borsten van papier

Of het de trainer zelf was weet ik niet meer, maar op een zaterdag kwam iemand de kleedkamer binnen met een verrassing. Twee borsten van papier, met knoerten van tepels. De boodschap was: wat de uitslag straks ook is, hier hebben jullie alvast twee punten.
Voetbalhumor, ja. Wat ik vooral bijzonder vond was dat die iemand dus een avondje bezig is geweest die dingen te maken. Wat ongetwijfeld voor opgetrokken wenkbrauwen bij moeder de vrouw aan de keukentafel heeft gezorgd.
‘Wát ben jij aan het doen?’
‘Ach, ik maak even twee titten. Je weet wel, stukje psychologie. Die idioten begrijpen maar niet wat ik bedoel. Als het over seks gaat snappen ze het wel.’
Of het een zege heeft opgeleverd ben ik vergeten. Dat soort creativiteit was doorgaans niet aan ons besteed. Wij konden meer met teksten als: ‘Kom op jongens! Der bovenop vandoage! Veur mekoar knokken! Beuk hom deur de panty! Allah Akbar!’
Waarschijnlijker is dat we die dag kansloos het schip in zijn gegaan en ik de hele wedstrijd aan borsten heb lopen denken.
Het was niettemin een originele gedachte en als trainer moet je wel eens wat. Gevraagd naar zijn tactiek riep Ernst Happel vroeger: ‘Táctiek? Geloel. Ik heb kain tactiek. Ik heb Coentje, Wiellem en Rinoes. Zij roegelen das wohl.’
Omdat negentig procent van alle elftallen geen Coentje, Wiellem en Rinoes hebben, maar de linies vullen met Derken, Gezinussen en Onno’s, kan een tactisch praatje of een briljante ingeving wel eens helpen.
In de meer dan 35 jaar dat ik heb gevoetbald is alles langs geweest. Van zinvolle omzettingen tot minder zinvolle, zelfs desastreuze omzettingen. Van een normale analyse tot getier en bijna elke trainer liep minimaal een keer de kleedkamer uit in de rust, in de hoop dat we ons de ernst van de situatie realiseerden. Ook dat pakte meestal verkeerd uit, want dan gingen we door elkaar zitten schreeuwen.
Van al die jaren is me vooral bijgebleven dat de trainer van dienst tijdens het kopje thee constateerde dat de ‘eindpass’ niet goed was. We speelden best aardig, tot aan de eindpass. Die eindpass wás gewoon niet goed, jongens! Ineens had iedereen het over de eindpass. Inderdaad, die $#%&^^%***-eindpass! Dat we daar niet eerder aan hadden gedacht! We moesten als de sodemieter aan die eindpass werken! Wekenlang gingen de gesprekken over de eindpass. Tot in de kantine. Wat bleek: ook bij het tweede, derde en vierde was die eindpass niet goed! Niemand bij de club had het nog over iets anders. Dat bijna alle passen niet goed gingen werd voor het gemak vergeten. Het ging om die eindpass! Op zeker moment serveerden ze zelfs een patatje eindpass, waarbij de mayo en ketchup als een streep over de frieten lagen.

Het leukste idee was echter – bij een andere trainer – het plan dat onze voorstopper de bal bij de aftrap meteen met een enorme hijs naar voren knalde en wij moesten dan als gekken ook die kant op rennen. Met deze shock and awe-tactiek zou de tegenstander het in zijn broek doen van angst en konden we direct scoren. We hebben het een heel seizoen gedaan. Het leverde louter doeltrappen voor de tegenstander op, maar ik vond het elke keer een geweldige happening.

P.S. Zoals trouwe lezers gemerkt zullen hebben post ik even geen blogs meer. Ik schrijf tegenwoordig columns voor het Dagblad van het Noorden en twee stukjes op een dag wordt te veel van het goed.

maandag 10 oktober 2016

Winkler Prins 150 jaar: De Eeuwige Leerling

Een verhaal dat ik heb verteld op maandag 10 oktober 2016, bij de opening van de viering van 150 jaar Winkler Prins scholengemeenschap in Veendam, in cultureel centrum van Beresteyn.




De directeur van de Winkler Prins nam me mee naar een vitrinekast, op de eerste verdieping, locatie J.G. Pinksterstraat. Daarin stond een skelet. We moesten nog onderhandelen over het honorarium voor deze voordracht en ik dacht: die wil iets duidelijk maken.,,Grappig’’, zei ik, ietwat onzeker, ,,wie is dat?’’

Ik gokte op de spreker van een vorige jubileumviering. Maar ze vertelde dat het geraamte vermoedelijk van Job met de aap was. Of in, goed Gronings: Jopke mit de Oape. Een zonderling wiens echte naam Jacob Veldt luidde en die in 1908 op 84-jarige leeftijd overleed en zijn overblijfselen aan de toenmalige HBS zou hebben nagelaten. Hij trok langs velden en wegen met zijn aapje om de mensen te vermaken.

De botten konden ook van een negentiende-eeuwse zwerver zijn, vervolgde de directeur.
Dat was niet helemaal zeker. Er zou nog onderzoek naar worden gedaan.
Dat het om een Veenkoloniaal ging stond wel vast, vanwege de forse bouw en het feit dat het een persoon betrof die nooit een slag werk had gedaan.
Omdat het niet zeker was dat het Jobke was kon het dus ook iedereen anders zijn, bedacht ik me. Ieder andere bekende Veendammer.

Zeemansgraf


Adriaan Geerts Wildervanck. Margaretha Hardenberg. Hendrick de Cock, oervader van de afgescheide gereformeerden. Of, in goed Gronings: Cocksioanen. Willem Vroom, ‘dai van V&D’. Evert van Linge, architect en voetbalinternational, of wellicht Anthony Winkler Prins himself. Maar om uiteenlopende redenen vielen ze af.

Net als Jacob Winkler Prins. Dichter en zoon van Anthony. Ik had het mooi gevonden als hij het was, maar hij heeft een zeemansgraf in de Keltische zee.

Altijd als ik de term ‘Veendam’ of ‘Veenkoloniën’ hoor, komt vroeg of laat Harm van der Veen in beeld. Ik dacht: dan zal dit Harm ook wel weer zijn. Maar ook dat kon niet. Ten eerste was hij niet dood en ten tweede heeft hij al lang de status van onsterfelijkheid.

Ineens realiseerde ik me dat het anders zat. Waarom de directeur mij het skelet liet zien. Het was meer dan een verzameling botten. Een symbool. Dit geraamte stond voor het wezen van alle leerlingen van alle generaties op de Winkler Prins.

Oftewel: De Eeuwige Leerling.

Kan niks, wil niks, heeft niks


Want dit is wat een kind is dat in de Veenkoloniën van de lagere school komt. Kan niks, wil niks, heeft niks. Er is alleen een oervorm, een skelet en alle vakjes van het menszijn, de latere volwassene, moeten nog worden ingevuld: kennis, ervaring, wijsheid, persoonlijkheid.

En dat gebeurt tussen het 12e en 18e levensjaar, de belangrijkste jaren in een mensenleven. We beleven in die relatief korte tijd alles voor de eerste keer: De eerste sigaret, het eerste biertje, de eerste keer kotsen, de eerste zoen, de eerste keer een natte plek in de broek, het eerste baantje, het eerste ontslag, de eerste keer echt nadenken over wat met het leven aan te vangen en de eerste keer het besef: dit wordt niks.

Een fascinerende tijd, alleen al omdat het lichaam alle kanten op gaat, er op de meest vreemde plekken haar begint te groeien en helemaal bijzonder is dat het, toeval of niet, samenvalt met de middelbare schooltijd.

Wat betekent dat de puber twentyfourseven in een spagaat ligt, Enerzijds is er de ontdekking van de wereld en jezelf, anderzijds zit je een substantieel deel van de dag in de klas en verdoe je kostbare tijd met huiswerk om te voorkomen dat je al die klassen dubbel moet doen.

Verloren tijd, want school is niet leuk. Dat weet ik als ex-leerling, maar een vriend van mij, ook Groninger en leraar op een andere school, vindt dat ook. Ik weet niet meer of het bij een werkgroep individuele ontplooiing, commissie talentbevordering, of taskforce individualisering vakkenpakketkeuze was, maar toen een van de ouders van nu opmerkte dat de school ‘een beleving’ moest zijn reageerde hij met:

,,Eén ding: school is ruk. Kunnen we heel kort over zijn. Wat we ook doen: dat vinden kinderen en dat blijven ze vinden.’’

Klare taal


Klare taal, zoals we in de Veenkoloniën spreken. Die visie werd bevestigd door de stukjes in het jubileumboek ‘de kleinste Winkler Prins’, verschenen bij het 125-jarig bestaan. Verhalen, impressies en reconstructies gaan vooral over wat buiten de lessen gebeurde.

Natuurlijk: kinderen leren, krijgen proefwerken, overhoringen, scoren hoge cijfers, lage cijfers, ze spieken, zitten te dromen, worden er uitgestuurd, of erger, van school getrapt en halen diploma’s of niet, maar in principe is dat niet waar de middelbare schooltijd om draait.

De leerling is er in ieder geval niet mee bezig. Ik kom uit Stadskanaal en daar is het: als je vijf minuten moet leren, leer je geen zes minuten. Je stelt geen enkele vraag, je luistert, noteert en leert wat nodig is. Een negen of acht is onzin, 5,5 is ook een voldoende.

Een houding die niet alleen voorkomt uit de bekende fatalistische Veenkoloniale inborst, maar ook uit het feit dat in de beleving van alle scholieren alle vakken kutvakken zijn. Geschiedenis is kut, Frans is kut, economie is kut en Duits is het allergrootste kutvak. En al zou je je er in willen verdiepen, je staat alleen. Ouders in Oost-Groningen hebben met een beetje geluk de lagere school afgemaakt en de leraar is een kounavvel. De laatste aan wie je een vraag stelt.

Ik vroeg eens aan die van natuurkunde: meneer, ik snap het niet. Toen zei hij: dat moet je niet snappen, dat moet je begriepen. Waarop ik de volgende keer meldde dat ik het niet begreep. Toen zei hij: dat moet je niet begriepen, dat moet je snappen.

De conciërge


Daar komt bij: de leraar is helemaal niet de baas op school. Zelfs de directeur of rector niet. Dat is de conciërge. Bij hem moet je zijn. Er uit gestuurd. Naar de conciërge. Lesrooster vergeten. Conciërge. Kopiëren. Conciërge. Ziekmelding: conciërge. Hij is alles in één. Klusjesman, bode, opzichter, doodgraverstem door de intercom en uitgifteloket van pleisters en saucijzenbroodjes. Als mens een kruising tussen Moeder Theresa en Markies de Sade. Ik zat zelf niet op de WP, maar mijn vrouw wel en die zei: Akkerman. Moet je noemen.

En inderdaad, uit het jubileumboek komt een Veenkoloniale Godfather naar voren. Marlon Brando tussen Midden Verlaat en Duurkenakker. Een leerling beschreef eens de dag dat hij net op tijd op school was.
,,Nee’’, zei Akkerman, ,,te laat.’’
,,Maar de bel is nog niet gegaan.’’
Net op dat moment ging de bel.
,,Zie je wel,’’ zei Akkerman, ,,Te laat.’’

Dat leerlingen zo min mogelijk energie in het leren steken is overigens te begrijpen. In een lichaam dat bol staat van de hormonale spannings staan alle zintuigen vooral op scherp buiten de lesuren. In de kleine pauze, overblijf en als de school uit gaat.
Dan moet het gebeuren. Want alle aandacht gaat uit naar een ding: dat jij niet de loser van de klas bent, de sigaar, de pisang, het kneusje.
Zit mijn haar goed, was dat een grap of ben ik net gedist, is mijn lach niet stom en, het allerbelangrijkst, hoe voorkom ik dat ik moet douchen na gym? Want wat je onder geen beding wilt is dat anderen dat lichaam van jou zien, waar ineens overal haar zit.

Ongesteld


Meisjes melden zes keer per maand dat ze ongesteld zijn. De gymleraar is de enige in deze maatschappij die de cyclussen van jonge meisjes mag bijhouden, zonder het risico van een enkeltje richting Van Mesdag. Hij moet wel, omdat er anders geen mens meer in de ringen hangt.

Gym is voor elke jongeling een ramp. Zoals alles een ramp is. Want wat overheerst in de middelbare schooltijd is onzekerheid. Tussen je 12e en 18e twijfel je aan alles. En omdat je aan alles twijfelt en vooral aan jezelf, wil je niet opvallen. Uitgezonderd die enkele hippie, stuffieroker, punk of gothic, wil 99,9 procent van de mensheid op elkaar lijken.

Dat is nu zo, dat was zo.

Op de hockeyclub van mijn oudste zoon hebben werkelijk alle meisjes van de C1 een paardenstaart. De jongens kammen hun haar als Albert Rusnak van FC Groningen. In mijn middelbare schooltijd was het niet anders. Ik wilde mijn haar eerst als Simon LeBon van Duran Duran zijn en later Robert Smith van The Cure. In beide gevallen bleek ik kansloos. Mocht niet van mijn ouders.
Mijn vader: ,,Wist der toch nait as n haalfmaale bie lopen?’’
,,Dat wil ik wel.’’
Waarna hij de handen ten hemel hief en verzuchtte: ,,Mien laive God. Woar hebben wie dat toch aan te danken?’’

Ook een strakke leren broek, toen ik fan was van The Doors, mocht niet. Dat was ja zo apart. De eerste die er in liep was Suzi Quatro. De vader van een vriendje vond het maar niks: ,,Kist ja alles zain.’’

Ter Meulen Post


Ik zei dat het juist de bedoeling was, maar ook mijn moeder kocht corduroybroeken. Op de groei. Bij Ter Meulen Post of Neckermann. Daar liep je net even te lang in, zodat je een hele jeugd, of met omgeslagen pijpen liep, of met hoog water in de polder. Een trui kon twee winters mee. Daar kwamen dan elleboogstukken op. In de stad stond zoiets voor intellectueel, in de Veenkoloniën smeerden ze porren op je rug.

Een van de meest interessante stukje uit het vorige jubileumboek gaat over illusies. De middelbare school is een instituut vol illusies, stond er. Want we denken toch niet serieus dat jeugd tussen 12 en 18 in één enkel regime te vatten is.

Klare taal.

Als voorbeeld van zo’n illusie werd genoemd: de bestrijding van het te laat komen. Want hoe moeilijk is dat nu eigenlijk: op tijd komen? Lessen beginnen om half negen. Elke dag, elke week, zes jaar lang. Je kunt je erop instellen. Vroeg naar bed, op tijd wakker, ontbijten, tanden poetsen, aankleden, tas inpakken en weg. En toch, al zo lang school bestaat, komen hele volksstammen te laat. En het zijn altijd dezelfden.

Te laat komen is symptomatisch voor de verscheurde wereld van de middelbare school, de illusie van een symbiose tussen wat je moet en wat je niet wilt.

Het is typerend dat een liedje van Doe Maar over de schooltijd ‘Nachtmerrie’ heet. Het refrein begint met: ‘Dit is vast een misverstand, Ik ben weer in de klas beland.’
En Henny Vrienten en Ernst Jansz zijn niet de enigen die nog steeds badend in het zweet wakker worden na een droom die terugvoert naar de schoolbanken.

En toch.

Ik ben 51 nu. Lang geleden uit de Veenkoloniën vertrokken. Ik woonde in Winschoten, Groningen en nu in Slochteren, reisde rond de wereld, maar zoveel te ouder ik word, zo veel vaker denk ik aan mijn middelbare schooltijd.
Omdat ik het me op de een of andere manier herinner als een leuke tijd. Omdat het de tijd was van de eerste keren. Omdat alle eerste keren nu eenmaal de meeste indruk maken en misschien nog meer omdat die tijd nooit meer terug komt.

Skelet


Zoals we begonnen als skelet, zo eindigen wij als skelet. Zoveel te dichter we daar weer in de buurt komen, des te meer verlangen we naar onze puberjaren. We zitten op Schoolbank.nl en op Facebook, LinkedIn, Instagram, speurend naar oud-klasgenoten.
Je wilt weten wat er van je oude liefde is geworden, van die beste vriend, van al de mensen die belangrijk waren in de belangrijkste jaren van je leven.

Een reünie is, zoals nu bij de viering van 150 jaar WP, onvermijdelijk. Al is het een feest van uitersten en niet zonder risico. Immers, het komt voor, zoals in ons dorp op oogstfeesten, dat oud-klasgenoten elkaar weer diep in de ogen kijken en het in oktober gebroken gezinnen regent. Anderzijds: het is niet voor niets dat je mensen uit het oog bent verloren.

Maar je gaat.

Alleen al om één reden. Je bent weer even jong, weer even leerling, tussen je herinneringen, de kinderen van toen, je ziet dezelfde leraren, maar je weet honderd procent zeker dat je de volgende ochtend niet wakker wordt met de gedachte: ‘Kut, ik heb Duits en ik heb niks gedaan.’

woensdag 6 juli 2016

Ik ben klaar. De lamp is uit. Heb geen zin meer. Over anderhalve week begint mijn, onze, vakantie en daar ben ik mee bezig. Niet meer met werken, stukjes schrijven of wat dan ook. De voorbije drie dagen heb ik vrij gehad, compensatie van de weekenddienst en dat voelde als een opmaat naar de vakantie. ’s Ochtends begon ik nog wel te schrijven, er verschijnt half november immers een nieuw boek en dat moet nog wel geschreven worden, maar tegen twee, drie uur, zakte ik in en was er het verlangen naar een borrel, de Tour, Wimbledon, een muziekje tijdens het eten koken en ’s avonds een film en in bed nog even lezen.

Of het gevoel van op, over en uit terecht is, weet ik niet. Ik zal zelden zeggen dat ik het druk heb gehad. Dat hebben we eigenlijk nooit in deze contreien. We hebben altijd dingen te doen, dat wel.

Maar het is eerst klaar. Dit was mijn laatste blogje voor de vakantie.

Ik ga zelf weer literatuur tanken. Er lag al een stapel boeken op mijn nachtkastje – met onder meer Effi Briest van Theodor Fontane, Hugo Claus de jonge jaren, de complete Edgar Allen Poe en The Life and Times of Hunter S. Thompson, terwijl ik nog bezig was in De Nederlandse wielerliteratuur in 60 enige verhalen en Infinite Jest van David Foster Wallace (waar ik maar niet door kom) en daar zijn bijgekomen: Vlucht zonder einde van Joseph Roth, La Superba van Ilje Pfeiffer, De pop van Boreslav Prus, Het geluid en de drift van William Faulkner en Winesburg, Ohio van Sherwood Anderson. Dat is het enige wat ik nog wil. Lezen, lezen en lezen en bij een boek moet ik opschieten, want In de kou van Travis Mulhauser vind ik typisch een boek voor collega Louis van K. en voor ik uitlog wil ik dat nog aan hem geven. Yo.

donderdag 30 juni 2016

Angst voor de dood is wat mij eens in de zoveel tijd aanvliegt. Het is niet zo zeer ziekte, sterven, of lijden dat ik vrees, als wel het gegeven dat ik er op zeker moment niet meer zal zijn en nooit meer zal terugkomen en daar geen weet van heb. Het scherm gaat op zwart en alles wat je ooit deed, beleefde, voelde, wist en herinnerde, is weg.

Dat kan in principe op elk moment gebeuren. Even niet opletten achter het stuur, een orgaan dat er mee stopt, een propje bloed en het is voorbij.

Daar kan ik niet omgaan, met het vergankelijke, dat niets blijft en alles voorbij gaat. Maar dan ook echt alles. Een hang naar vroeger heb ik altijd gehad, maar het is sterker geworden sinds ik kinderen heb. Ik zie ze elke dag en elke dag zie ik in hen mijn eigen jonge jaren. Ik denk aan de jaren op de lagere school, het vouwen van een bootje, ademloos luisteren als de juf voorlas uit Beekman en Beekman, het kleuren van de plaatjes die de Kruisweg van Christus uitbeeldden. De herinneringen zijn soms bijna voelbaar.

Ik denk aan mijn vriendjes van vroeger. Een enkele kom ik soms tegen. Er zijn er bij die ik nooit meer zie en toch hebben we een band. Soms kijk ik zwijgend naar oude foto’s op Schoolbank.

Dat was toen en dat was toen.

Ik denk aan het ouderlijk huis, de vreugde om een cadeautje, kamperen in Duitsland, een middagje sjoelen. Je was ziek, lag op de bank in de kamer, je las de Donald Duck en had zin in sinaasappels.
Hetzelfde voor mijn tienerjaren, de adolescentie, diensttijd, de eerste baan, de nachtdiensten in de drukkerij, de weekenden in discotheek Frascati. Wat ik wel en wat ik niet had moeten zeggen. Ik kan er aan denken, maar ik kan er nooit naar terugkeren, het is geweest.
 
De gedachte aan dat wat geweest is biedt troost. Soms ga ik slapen en denk aan dat wat ik allemaal gedaan heb. Daar beleef ik vreugde aan. Ja, zo was ik toen. Maar als ik weg ben, zijn die herinneringen ook weg en feitelijk is het leven van toen nooit geweest. Omdat het mijn herinneringen zijn en niet die van iemand anders. Mijn zoons zullen aan me denken, maar hun gedachten zijn niet die van mij. Met mij verdwijnt mijn geschiedenis, mijn verhaal.

De frustratie is dat het een gegeven is. Je kunt van alles willen, verzinnen of dromen, ooit, op een dag, gaat het licht uit. Dat wil ik niet. Ik wil altijd blijven leven.

dinsdag 28 juni 2016

We kijken elkaar aan, de man en ik. Hamweg, Harkstede, even na de afslag van de Hoofdweg. Type timmerman. Stevig figuur, kordate blik. Hij is bezig met een specietrommel, ik zit in een auto. Rij door een dorp, een straat en er is altijd iemand aan het metselen. Ik ken hem niet en hij mij niet, dat weet ik heel zeker, maar we knikken. Zoals ik even later doe tegen iemand op een scootmobiel aan de linkerkant van de weg. Opnieuw een volslagen onbekende. Er gaat bij mij geen belletje rinkelen en op zijn gelaat verschijnt evenmin een stralende blijk van herkenning. Ik knik. Hij knikt terug. Een scootmobiel is eveneens nooit ver weg in een dorp. Daar zijn er doorgaans meer van. Soms denk ik: hier zit een nest.

Ik vervolg mijn weg en zie weer even later aan de rechterkant twee vrouwen lopen. Wandelaars. Niet van die trendy Pieterpotten, gewoon, dorpelingen die een ommetje maken. Hoe ik dat zo zeker weet? Niet, maar dat kun je zien. Ik neem gas terug en kijk of het misschien bekenden zijn. Dat is niet zo, maar ik knik. Ze knikken terug.

Daarna ben ik blij dat ik op de rest van de Hamweg geen mens zie. Je blijft aan het knikken. Op mooie zomerdagen zit ik als een ‘nodding dog’ achter het stuur, als een knikkend hondje op de hoedenplank. Dat voelt raar. En ik stel me voor dat al die wandelaars, metselaars en scootmobielers ook niet de hele tijd zin hebben om te blijven knikken tegen Jan en alleman. Daarvoor ga je niet de deur uit. Dat doe je om de zon achter de horizon te zien zakken, de wind in de haren te voelen en omdat de garage eindelijk een keer klaar moet. Maar zoals ik oplet dat ik geen van hen mis, zo zullen zij er voor waken een automobilist te negeren. Je hebt zo een naam als aigenwieze.

Op het werk heb ik het eveneens. Als ik de redactie oploop, groet ik iedereen. Dat levert groetjes terug op, soms gegrom en soms niks. Zelfde als ik wegga. Dan is het nog erger. De meeste collega’s zitten met hun gedachten in een stuk en horen of zien mij niet. Of ze zijn het niet gewend dat iemand groet. Maar ik ben zo opgevoed. Ik doe dat.

Ik bleef dat eerst ook doen toen ik naar de stad verhuisde. Om er te wonen of te werken. Maar daar ben ik snel mee gestopt. Wat hielp was de film Crocodile Dundee, waarin de hoofdpersoon, vers uit de Australische bush, alle New Yorkers groette: ,,See ye around mate.’’

Waarom plattelanders elkaar groeten? Al sla je me dood. Misschien omdat het hier iets meer om leven en dood draait en we meer op elkaar aangewezen zijn. Als je in de stad omvalt is een ziekenhuis nooit ver weg, op een eenzame weg kan het dagen duren voordat hulp arriveert. Dan is het prettig als een dorpeling bij je blijft om af en toe water in je mond te druppelen. Maar dat doen ze niet bij iedereen, alleen bij mensen die groeten. Daarom knikken we. Een bevestiging. Komen we elkaar in moeilijke tijden tegen, dan weten we: goed volk.

Het komt voor, zoals ter hoogte van het café in Lageland, dat ik in het luchtledige knik. De man was druk bezig met de grijze containers en zag me niet. Maar beter een keer te veel gegroet, dan een keer te weinig. Hij was de laatste op de rest van de weg huiswaarts. Het Slochterdiep was leeg. Pas bij de brug, vlak voor ik het dorp inreed, zag ik weer mensen. De overblijfmoeder en haar dochters zaten te vissen en wat klasgenootjes van de jongste zwierven daar omheen. Ik zwaaide. Ze zwaaiden terug.

maandag 27 juni 2016

Het is ineens stil in huis. Ik zit alleen in de kamer, aan de keukentafel. Buiten is het donker. Het lijkt avond, maar het is zowat middernacht. Bij nader inzien zie ik nog een stukje grijsblauw boven het houthok. Een lucht uit een sprookje. Dat vind ik, omdat er een paar takken in het zicht zijn. Als ik een uitzicht uit een raam zou moeten tekenen, is het dit.

Al zou het moeilijk inkleuren zijn. Ik zie een zweem van geel in het blauwgrijs. Een overblijfsel van mijn jaren als drukker. Toen je door dag in dag uit ‘kleurhouden’ leerde dat een grijs of bruin vlak een moeilijk te sturen massa van kleurige rasterpunten is. Ook met papier en inkt is niets wat het lijkt. Alle kleuren van de regenboog zijn opgebouwd uit cyaan, magenta, yellow en black. De wondere wereld van Goethe. Bijzonder: een dichter als grondlegger van de kleurenleer.

Het was weer een dag van de dingen die voorbij gaan. Horst Schimanski is dood. Dat was eigenlijk gisteren, maar het besef kwam vandaag. Held uit mijn jeugd. Een fictieve man, evengoed een held. Ik had voor hem een In Memoriam voor de krant willen schrijven. Maar mijn voorstel was halfslachtig.

Schimanski was een voorbeeld. In de plaatselijke dumpzaak zocht ik eenzelfde parka als hem en zijn taal, met de nodige Duitse scheldwoorden, werd de mijne. Al wist ik dat ik nooit zo kon zijn. Daarom keek ik ook tegen hem op. Was hij als mij, zou hij mijn held niet zijn. Ik heb niks met mensen die op mij lijken. Niet interessant. Ik moet voorbeelden hebben. Liefst met rafelrandjes. Mensen die anders zijn.

Een ander voorbeeld stopt. Zij het niet met leven. Met spelen voor het nationale team van Spanje. Andres Iniesta. Ik vind nooit de woorden waarmee ik zijn voetbal recht doe. Ik bewonder hem in stilte, zie hoe hij de bal beroert, passt, zich vrijloopt en geen moeilijke dingen doet maar altijd de ruimte vindt. Ik herinner me een vriend die een boekje over Willem Hussem maakte. Wat me daarvan is bijgebleven is de opmerking dat naarmate een kunstenaar ouder wordt, hij steeds minder penseelstreken nodig heeft om te zeggen wat hij bedoelt. Zo voetbalt Iniesta. Schoonheid zit altijd in de eenvoud. Ontdaan van alle poespas. Zoals Hemingway schreef, ook een voorbeeld. Ik ben net weer een boek over hem aan het lezen. Nut en noodzaak van die studie ontgaan me; het is fragmentarisch, ik denk steeds, waar wil je heen, wat is je punt, maar alleen al door over Hemingway te lezen word ik vrolijk.

Ons huis was vol opwinding omdat IJsland van Engeland won. Op het EK voetbal. Een klein land, met 300.000 inwoners, die allemaal meerdere banen moeten hebben om de economie draaiende te houden, verslaat de founding fathers van de populairste sport ter wereld. Ze vieren het met een indrukwekkende dans. Gelijk de Maori’s hebben de IJslanders hun rituelen. Dat wist ik niet. Ook dat vind ik mooi, dat ik dingen niet weet en dat die zich opeens aan mij openbaren.

Als ik door een ander raam naar buiten kijk, zie ik puzzelstukjes lucht. Als oningekleurde stukjes van een Ministek-schilderij. Een stukje naar links schijnt het gele licht van de lantaarnpaal achter ons huis door die boom. Ook buiten is het al een tijdje doodstil.

donderdag 23 juni 2016

Ik kan er tegenwoordig op donderdag op wachten. Een telefoontje om een uur of vier. Van de jongste. Of ik niet vergeet vis te halen. Bij de kar op het marktje bij de haven. Dat ging eerst om een broodje haring, toen om kibbeling en tegenwoordig zijn het lekkerbekjes. Voor mij, mijn zoons en de oppas. Zijn vraag was nu anders. Hij herinnerde zich dat ik vorige week melding maakte van een caravan bij de haven. In de kleuren van de Italiaanse vlag. Er stond pizza op de zijkant. Daar deed ik toen niks mee, omdat ik nog steeds iemand ben die eerst de kat uit de boom kijkt, maar ik dacht al wel: dat wil ik volgende week proberen.

Dat had de jongste dus ook. En het was nu volgende week: ,,Zei jij niet dat je pizza kon krijgen op de markt?’’

,,Ja.’’

,,Dan willen Ineke en ik een pizza. Met salami.’’

,,Geen vis?’’, vroeg ik voor de zekerheid.

,,Geen vis.’’

,,Ok’’, zei ik en besloot zelf een pasta te nemen. Dat had ik ook gelezen.

Omdat ik niet vroeg was – af en toe moet ik ook nog werken weet je wel – stond ik pas om half zes op de markt. Ik stapte uit de auto en zag een Italiaans ogende man de poten van de caravan indraaien. Fuckaduckiedoo, dacht ik. Te laat.

,,Breken jullie op?’’, vroeg ik. Leek me een logische vraag.

,,Ja, of wil je wat bestellen?’’

,,Ja.’’

,,Zeg het maar.’’

,,Twee pizza’s salami en een pasta. Kan dat nog?’’

,,Ja, moet kunnen. Wat voor pasta?’’

De caravan was niet groot, dus ik stelde me voor dat ik niet kon kiezen uit dertig soorten.

,,Wat heb je?’’

,,Bolognese, paesana…’’

,,De laatste doe maar.’’

..Ok. En pizza allebei salami?’’

,,Ja.’’

Waarna ik niet goed wist wat te doen. Dat weet ik nooit. Zo’n man is dan aan het werk en jij kunt niks anders dan wachten. Ik zocht een plekje in de schaduw van het havengebouwtje en keek half schuldig naar de visboer omdat ik daar dit keer niet het avondmaal bestelde. De visboeren keken niet terug.

Ik hanneste wat met de smartphone en knoopte een praatje aan met de pizzaboer. Hoe laat ze normaal sloten (zes uur) en of het klopte dat hij van dat ene Italiaanse restaurant in de stad was. Dat klopte. Het stemde me tot tevredenheid want dat was een uitstekend adres. Daar heb ik een paar keer gegeten en soms denk ik daar nog aan.

,,Maar nu niet meer’’, zei de Italiaanse man, ,,ik zit nu in Froombosch.’’

Ik wist niet of dat een goed nieuws betekende.

De bodems van de pizza waren flinterdun, er lag weinig op, maar van oppas en jongste zoon begreep ik dat ze goed smaakten. Beter dan die uit de supermarkt. Een onverwacht compliment. Meestal is het andersom. Ook de pasta was helemaal goed en ik vind dat een geruststellende gedachte, dat we in Slochteren in de haven op donderdag een marktje hebben met een prima visboer hebben en een prima pizzaboer. Dat voelt als vakantie.