vrijdag 7 april 2017

SMK - O, ironie

De Drentse boerenrockband Mooi Wark lag onder vuur vanwege de titel van de jubileumtoer die vandaag van start gaat: ‘Niet veur mietjes’. Wie de band een beetje kent snapt de grap.
De term ‘mietjes’ leidde echter tot ergernis bij homoseksuelen, aldus een Drents statenlid. Hij vroeg de band iets aan de titel te doen. Dat deed de band niet. In de krant legde de manager uit dat Mooi Wark geen kwaad in de zin had met ‘mietje’. Ze gebruikten het in de betekenis van ‘slappeling’.

Gaarkeuken


Schrijver Christiaan Weijts schreef november vorig jaar in de NRC een stuk over dat ‘ironie steeds minder wordt herkend’. Een citaat daaruit: ‘In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’
Hij nam als voorbeeld een ingezonden brief in het Dagblad van het Noorden. Dat ging over de ontgroeningen van studentenverenigingen in het algemeen en die van het Groningse Vindicat in het bijzonder.
De opsteller meende dat de zware mishandelingen en vernederingen een functie hadden. Het hielp de karakters te vormen van de toekomstige CEO’s, ministers en staatssecretarissen. Goed punt, want met wat we onze bestuurders en topmannen ook voor de rechter slepen, ze geven geen kik. De brief besloot met ‘Af en toe een dode of gewonde is jammer, maar maakt ook duidelijk dat het menens is.’

Woedende reacties


Het leidde tot woedende reacties. Weijts concludeerde dat weinigen op het idee kwamen dat die zin wellicht ironisch bedoeld was. Nu ken ik toevallig de briefschrijver en ik twijfel aan het ironisch gehalte, maar Weijts had een punt.
Ironie is, zoals Wikipedia leert, een stijlfiguur waarbij wat gezegd of getoond wordt afwijkt van wat bedoeld wordt. En, dat is mijn toevoeging, met een vette knipoog.

Knipoog


Edoch: de knipoog is uit de wereld. Werd in vroeger dagen de soep nooit zo heet gegeten als hij werd opgediend, vandaag de dag krijg je de hete soep meteen terug in je gezicht gesmeten en de aardappelen, spruitjes en gehaktballen er direct achteraan.
Zoals minister Dijsselbloem ondervond. Want zelfs wij Groningers weten dat inwoners van Zuid-Europese landen hun geld niet net als wij uitgeven aan drank en vrouwen.

Paashaas


Zoals de Hema ondervond bij de nieuwe paasreclame. Het bedrijf introduceerde de ‘wereldberoemde’ familie Paashaas, met stuiterbal Richie, nette zusje Inez, elegante en lieve moeder Juliëtte en vader Charles, de baas in huis.
Op social media was het meteen weer bal. Wie zegt dat de paashaas hetero is, luidde de vraag. Dat Juliëtte werd neergezet als ‘haas waar alle mannetjes gek op zijn’ was zelfs ronduit seksistisch.
Toegegeven, de Hema kan als het CDA onder de winkelketens worden gezien en bij een bedrijf met een rookworst als symbool is de gedachte aan seks nooit ver weg. Maar vorig jaar werden de lesbo’s en homo’s door de Hema bediend en dit jaar opnieuw kindjes met Down, dus waarom meteen weer met gestrekt been erin?
Ik ga met Weijts mee als hij zegt dat we alleen nog durven lachen bij iemand met het stempel ‘cabaretier’ op zijn voorhoofd.

Drank en vrouwen


Ironie maakt het leven draaglijk. Het is in ieder geval wat ons Groningers, naast drank en vrouwen, op de been houdt. Zonder een knipoog op zijn tijd is het lastig overleven in het huidige land van koolzaad en aardgas, vroeger suikerbiet en strokarton. Als wij op de televisie komen worden wij ondertiteld en als je alles wat over onze hoofden wordt uitgestort letterlijk zou nemen, kun je beter meteen uit het raam springen.

Johan Cruijff


En, over ironie gesproken:
Johan Cruijff, die gisteren precies een jaar geleden overleed, is de beste voetballer die ons land ooit kende, de beste trainer en hij was een bijzonder mens. Cruijff legde overal in het land speelveldjes voor kinderen neer. Het minste wat we terug kunnen doen, een stadion zijn naam geven, doen we niet. Omdat met de naam van een stadion ook veel geld is te verdienen.

Ik had graag willen afronden met de conclusie dat Amsterdammers daarom mietjes zijn, maar dat kan niet. Want FC Groningen voetbalt in het Noordlease-stadion.

Deze column is uitgesproken op zaterdag 25 maart, tijdens een aflevering van Spijkers met Koppen van BNN-Vara.

zaterdag 28 januari 2017

SMK - Freek doet Groningen

In de maalstroom aan waarheden en onwaarheden over bezoekersaantallen, bonnetjes, een brief en het andere vingeropsteken is het de meeste Nederlanders vermoedelijk ontgaan dat Groningen een nieuwe ambassadeur heeft: Freek de Jonge.

Inderdaad, ook wij waren verrast.

Hij zegt dat hij gevraagd is, maar wat Freek niet weet is dat wij, Groningers, vijftig soorten ‘ja’ kennen. En in de helft van de gevallen bedoelen we ‘nee’.

Dus als iemand vraagt: ‘wil je dat ik help?’ en het antwoord is: ‘mag wel’, dan zeggen we eigenlijk: ,Van ons hoeft het niet.’

Schade door gaswinning


Wat Freek voor ons doet is de aardbevingsproblematiek onder de aandacht brengen. Want onze huizen, scholen en boerderijen hebben nog steeds schade door gaswinning. En het moet gezegd: wat ons in vijf jaar, sinds de grote klap bij Huizinge, niet lukte, lukte hem wel. Hij zit bij De Wereld Draait Door.

Als de Ieren zeggen dat ze de negers van Europa zijn, is Groningen het Ierland van Nederland. Wij zouden wat graag gediscrimineerd, gerascisticeerd of zelfs gemolesteerd worden, maar het is nog erger: wij worden ge-negeerd.

Op de avond van de grote beving in Hellum, 3.0 op de schaal van Richter, zei Jeroen Pauw: ,…de huizen staan nog overeind, over naar: Schiphol.’

Oftewel: succes ermee. Terwijl het vrij simpel is wat we willen. Schade moet hersteld worden en NAM of Rijk betaalt. Maar over bijna elke scheur wordt gesoebat. Het is de fundering, de wind, achterstallig onderhoud en Jan Mulder kreeg van een inspecteur de vraag of hij misschien last had van mollen.

NAM


We zijn inmiddels zover – en dit is geen grap - dat achter elke NAM-inspecteur iemand aanloopt die controleert of hij mensen met schade niet onheus bejegent.

Als journalist moet ik onafhankelijk blijven, maar ik vrees dat ik ‘bevingsradicaliseer’. In een open brief op mijn blog heb ik de verantwoordelijke minister, Henk Kamp, min of meer al bedreigd. Toen ik dat in Hengelo meldde, zei iemand: ,,Wie weet ‘m wa te won’n.’’ 

Wat zoveel betekent als: ‘We weten hem wel te wonen.’

Het adres kreeg ik. Want Kamp is ook in Hengelo en omstreken niet populair. Ik weet niet of ik echt tot actie overga, mijn vrouw heeft dat liever niet, maar ik heb de minister in ieder geval beloofd dat als ik de eerste aardbevingsdode ben, ik zijn verdere leven bij hem kom spoken.

Nieuwe impuls


Toegegeven, we kunnen hulp gebruiken, maar de vraag is waarom Freek pas nu in actie komt. Mijn suggestie dat zijn carrière een nieuwe impuls nodig had werd niet gedeeld door een collega: ,,Welnee, hij trekt nog steeds volle zalen en is hartstikke scherp. Zoals jij denkt: dat is precies wat er mis is aan Groningers. Het is niet goed of het deugt niet.’’

Op mijn tegenwerping dat het bizar is dat wij al vijf jaar moord en brand schreeuwen en niemand luistert en Freek ineens bij DWDD zit, klonk het: ,,Zo werkt het. Bekende Nederlanders hebben de wereld verdeeld. Hugo Borst komt op voor zijn moeder, Pauline Broekema voor Pekela en Claudia de Breij doet Het Dorp. Maar als hij wat voor elkaar krijgt is het toch goed? Hij doet tenminste iets.’’

Republiek Hoogeland


Wat Freek tot dusver voor elkaar kreeg was een minitournee. Een week lang sprak hij met betrokkenen en bestuurders en ’s avonds trad hij op. In Groningen. Voor eigen parochie dus. Jan Mulder predikte bij een van die optredens wel al de revolutie en wierp zich meteen op als de eerste president van de republiek Hoogeland.

En Freek gaat door. Hij neemt 7 februari een clip op tijdens een demonstratie in de Groningse binnenstad. Het wordt volgens hem van ‘een manifestatie van Washington-achtige proporties’. Of dat goed is weet ik niet.

De NAM benadrukte alvast dat de gaskraan niet binnen tien jaar dichtgaat, zoals Freek voorstelde en eerlijk gezegd had ik niet anders verwacht.

Wordt Toch Niks



Edoch: anders dan mijn standaardhouding WTN, oftewel Wordt Toch Niks, krijgt Freek het voordeel van de twijfel. En mocht er toch naar hem worden geluisterd, dan heb ik nog wel wat. Wij hebben te veel windmolens, te weinig werk en te veel zelfmoorden, Stadskanaal is in ‘Ik Vertrek’ nooit de droombestemming en FC Groningen komt maar niet uit het rechterrijtje.

Op 28 januari 2017 voorgelezen in het Vara-radioprogramma Spijkers met Koppen in Café Florin in Utrecht

dinsdag 27 december 2016

Voor Lemmy

Hij had humor en zijn fans ook. In een documentaire zegt één van hen iets als: ‘Na een nucleaire oorlog blijven er twee levensvormen over. Kakkerlakken en Lemmy.’

Ian Fraser (Lemmy) Kilmister had een griezelige wrat op zijn wang, zijn snor ging over in bakkebaarden die ergens op zijn lichaam eindigden waar geen daglicht kwam, hij zong als een vastlopende scheepsmotor, maar zijn uitvaart was live te zien op YouTube.

Want de voorman van de Britse heavymetalband Motörhead bleek minder onsterfelijk dan gedacht. Op tweede kerstdag 2015 werd een agressieve vorm van kanker ontdekt en twee dagen later, morgen een jaar geleden, stierf hij, 70 jaar oud. Slash, Dave Grohl, Queen’s Brian May en Metallica liepen achter zijn kist.

Lemmy is het beste voorbeeld dat je als vader het gezin beter niet kunt verlaten als je baby drie maanden oud is. De basgitarist en zanger kende God noch gebod. Hij stopte bij een van zijn eerste bands, Hawkwind, vanwege een verschil van inzicht over drugsgebruik. Zijn maten waren aan de lsd en hij aan de amfetamine.

Ik zag hem een keer, in De Oosterpoort, ik meen in 1997. Dat duurde helaas nog geen uur omdat halve garen hem met bier bleven bekogelen.

Hoewel een band voor connaisseurs was Motörhead tevens opstap in de wereld van de hevige metaal. Kinderen zingen in no time mee met ‘Ace of Spades’. Daarom, als hommage, stel ik voor dat we woensdag 28 december 2016, op zijn eerste sterfdag, tijdens het hardlopen, strijken of aan de koffie in het bejaardentehuis, even één keer de vuist vooruit steken, met de wijsvinger en pink uitgestoken en keihard ‘Lemmyyyyy!!!’ brullen. 

Column Ogenblik in het Dagblad van het Noorden, 27 december 2017

woensdag 23 november 2016

Nog één keer Seta

MUSSELKANAAL De roemruchte voetbalvereniging Seta uit Musselkanaal viert op 10 juni 2017 het zestigjarig jubileum. Op de planning voor die dag staat een kort feestprogramma met aansluitend een reünie. Bestuur en feestcommissie willen het heuglijke feit met zoveel mogelijk mensen vieren en doen een oproep aan leden en oud-leden om zich te melden.

Dat kan via acvs@kpnmail.nl, website www.vv-seta.net en de Facebookpagina 60 jarig bestaan v.v. Seta (link), waarop regelmatig nieuwe informatie verschijnt.

Aanmelden kan ook via: Jan Abee 06-22231169 (feestcommissie) of Jan Hartman 06-15519871 (clubvoorzitter).

Ik heb zelf heel lang bij Seta gevoetbald. Het is de club met de meest geografische aanduiding in de naam: Sportclub Eerste exloërmond Tot Afdraai. Al spraken de tegenstanders van: Schopt En Trapt Alles. Zelf vond ik een door een vriendje beacht Sportieve En Technische Atleten wel mooier.
Mijn belevenissen bij de club inspireerden tot veel verhalen in de bundel 'De dronken rechtsbuiten' en min of meer ook tot mijn enige voetbalroman tot dusver, FC Hopeloos. En wellicht als extra motivatie om vooral naar de reünie te komen hieronder een verhaaltje uit de oude doos.


Borsten van papier

Of het de trainer zelf was weet ik niet meer, maar op een zaterdag kwam iemand de kleedkamer binnen met een verrassing. Twee borsten van papier, met knoerten van tepels. De boodschap was: wat de uitslag straks ook is, hier hebben jullie alvast twee punten.
Voetbalhumor, ja. Wat ik vooral bijzonder vond was dat die iemand dus een avondje bezig is geweest die dingen te maken. Wat ongetwijfeld voor opgetrokken wenkbrauwen bij moeder de vrouw aan de keukentafel heeft gezorgd.
‘Wát ben jij aan het doen?’
‘Ach, ik maak even twee titten. Je weet wel, stukje psychologie. Die idioten begrijpen maar niet wat ik bedoel. Als het over seks gaat snappen ze het wel.’
Of het een zege heeft opgeleverd ben ik vergeten. Dat soort creativiteit was doorgaans niet aan ons besteed. Wij konden meer met teksten als: ‘Kom op jongens! Der bovenop vandoage! Veur mekoar knokken! Beuk hom deur de panty! Allah Akbar!’
Waarschijnlijker is dat we die dag kansloos het schip in zijn gegaan en ik de hele wedstrijd aan borsten heb lopen denken.
Het was niettemin een originele gedachte en als trainer moet je wel eens wat. Gevraagd naar zijn tactiek riep Ernst Happel vroeger: ‘Táctiek? Geloel. Ik heb kain tactiek. Ik heb Coentje, Wiellem en Rinoes. Zij roegelen das wohl.’
Omdat negentig procent van alle elftallen geen Coentje, Wiellem en Rinoes hebben, maar de linies vullen met Derken, Gezinussen en Onno’s, kan een tactisch praatje of een briljante ingeving wel eens helpen.
In de meer dan 35 jaar dat ik heb gevoetbald is alles langs geweest. Van zinvolle omzettingen tot minder zinvolle, zelfs desastreuze omzettingen. Van een normale analyse tot getier en bijna elke trainer liep minimaal een keer de kleedkamer uit in de rust, in de hoop dat we ons de ernst van de situatie realiseerden. Ook dat pakte meestal verkeerd uit, want dan gingen we door elkaar zitten schreeuwen.
Van al die jaren is me vooral bijgebleven dat de trainer van dienst tijdens het kopje thee constateerde dat de ‘eindpass’ niet goed was. We speelden best aardig, tot aan de eindpass. Die eindpass wás gewoon niet goed, jongens! Ineens had iedereen het over de eindpass. Inderdaad, die $#%&^^%***-eindpass! Dat we daar niet eerder aan hadden gedacht! We moesten als de sodemieter aan die eindpass werken! Wekenlang gingen de gesprekken over de eindpass. Tot in de kantine. Wat bleek: ook bij het tweede, derde en vierde was die eindpass niet goed! Niemand bij de club had het nog over iets anders. Dat bijna alle passen niet goed gingen werd voor het gemak vergeten. Het ging om die eindpass! Op zeker moment serveerden ze zelfs een patatje eindpass, waarbij de mayo en ketchup als een streep over de frieten lagen.

Het leukste idee was echter – bij een andere trainer – het plan dat onze voorstopper de bal bij de aftrap meteen met een enorme hijs naar voren knalde en wij moesten dan als gekken ook die kant op rennen. Met deze shock and awe-tactiek zou de tegenstander het in zijn broek doen van angst en konden we direct scoren. We hebben het een heel seizoen gedaan. Het leverde louter doeltrappen voor de tegenstander op, maar ik vond het elke keer een geweldige happening.

P.S. Zoals trouwe lezers gemerkt zullen hebben post ik even geen blogs meer. Ik schrijf tegenwoordig columns voor het Dagblad van het Noorden en twee stukjes op een dag wordt te veel van het goed.

maandag 10 oktober 2016

Winkler Prins 150 jaar: De Eeuwige Leerling

Een verhaal dat ik heb verteld op maandag 10 oktober 2016, bij de opening van de viering van 150 jaar Winkler Prins scholengemeenschap in Veendam, in cultureel centrum van Beresteyn.




De directeur van de Winkler Prins nam me mee naar een vitrinekast, op de eerste verdieping, locatie J.G. Pinksterstraat. Daarin stond een skelet. We moesten nog onderhandelen over het honorarium voor deze voordracht en ik dacht: die wil iets duidelijk maken.,,Grappig’’, zei ik, ietwat onzeker, ,,wie is dat?’’

Ik gokte op de spreker van een vorige jubileumviering. Maar ze vertelde dat het geraamte vermoedelijk van Job met de aap was. Of in, goed Gronings: Jopke mit de Oape. Een zonderling wiens echte naam Jacob Veldt luidde en die in 1908 op 84-jarige leeftijd overleed en zijn overblijfselen aan de toenmalige HBS zou hebben nagelaten. Hij trok langs velden en wegen met zijn aapje om de mensen te vermaken.

De botten konden ook van een negentiende-eeuwse zwerver zijn, vervolgde de directeur.
Dat was niet helemaal zeker. Er zou nog onderzoek naar worden gedaan.
Dat het om een Veenkoloniaal ging stond wel vast, vanwege de forse bouw en het feit dat het een persoon betrof die nooit een slag werk had gedaan.
Omdat het niet zeker was dat het Jobke was kon het dus ook iedereen anders zijn, bedacht ik me. Ieder andere bekende Veendammer.

Zeemansgraf


Adriaan Geerts Wildervanck. Margaretha Hardenberg. Hendrick de Cock, oervader van de afgescheide gereformeerden. Of, in goed Gronings: Cocksioanen. Willem Vroom, ‘dai van V&D’. Evert van Linge, architect en voetbalinternational, of wellicht Anthony Winkler Prins himself. Maar om uiteenlopende redenen vielen ze af.

Net als Jacob Winkler Prins. Dichter en zoon van Anthony. Ik had het mooi gevonden als hij het was, maar hij heeft een zeemansgraf in de Keltische zee.

Altijd als ik de term ‘Veendam’ of ‘Veenkoloniën’ hoor, komt vroeg of laat Harm van der Veen in beeld. Ik dacht: dan zal dit Harm ook wel weer zijn. Maar ook dat kon niet. Ten eerste was hij niet dood en ten tweede heeft hij al lang de status van onsterfelijkheid.

Ineens realiseerde ik me dat het anders zat. Waarom de directeur mij het skelet liet zien. Het was meer dan een verzameling botten. Een symbool. Dit geraamte stond voor het wezen van alle leerlingen van alle generaties op de Winkler Prins.

Oftewel: De Eeuwige Leerling.

Kan niks, wil niks, heeft niks


Want dit is wat een kind is dat in de Veenkoloniën van de lagere school komt. Kan niks, wil niks, heeft niks. Er is alleen een oervorm, een skelet en alle vakjes van het menszijn, de latere volwassene, moeten nog worden ingevuld: kennis, ervaring, wijsheid, persoonlijkheid.

En dat gebeurt tussen het 12e en 18e levensjaar, de belangrijkste jaren in een mensenleven. We beleven in die relatief korte tijd alles voor de eerste keer: De eerste sigaret, het eerste biertje, de eerste keer kotsen, de eerste zoen, de eerste keer een natte plek in de broek, het eerste baantje, het eerste ontslag, de eerste keer echt nadenken over wat met het leven aan te vangen en de eerste keer het besef: dit wordt niks.

Een fascinerende tijd, alleen al omdat het lichaam alle kanten op gaat, er op de meest vreemde plekken haar begint te groeien en helemaal bijzonder is dat het, toeval of niet, samenvalt met de middelbare schooltijd.

Wat betekent dat de puber twentyfourseven in een spagaat ligt, Enerzijds is er de ontdekking van de wereld en jezelf, anderzijds zit je een substantieel deel van de dag in de klas en verdoe je kostbare tijd met huiswerk om te voorkomen dat je al die klassen dubbel moet doen.

Verloren tijd, want school is niet leuk. Dat weet ik als ex-leerling, maar een vriend van mij, ook Groninger en leraar op een andere school, vindt dat ook. Ik weet niet meer of het bij een werkgroep individuele ontplooiing, commissie talentbevordering, of taskforce individualisering vakkenpakketkeuze was, maar toen een van de ouders van nu opmerkte dat de school ‘een beleving’ moest zijn reageerde hij met:

,,Eén ding: school is ruk. Kunnen we heel kort over zijn. Wat we ook doen: dat vinden kinderen en dat blijven ze vinden.’’

Klare taal


Klare taal, zoals we in de Veenkoloniën spreken. Die visie werd bevestigd door de stukjes in het jubileumboek ‘de kleinste Winkler Prins’, verschenen bij het 125-jarig bestaan. Verhalen, impressies en reconstructies gaan vooral over wat buiten de lessen gebeurde.

Natuurlijk: kinderen leren, krijgen proefwerken, overhoringen, scoren hoge cijfers, lage cijfers, ze spieken, zitten te dromen, worden er uitgestuurd, of erger, van school getrapt en halen diploma’s of niet, maar in principe is dat niet waar de middelbare schooltijd om draait.

De leerling is er in ieder geval niet mee bezig. Ik kom uit Stadskanaal en daar is het: als je vijf minuten moet leren, leer je geen zes minuten. Je stelt geen enkele vraag, je luistert, noteert en leert wat nodig is. Een negen of acht is onzin, 5,5 is ook een voldoende.

Een houding die niet alleen voorkomt uit de bekende fatalistische Veenkoloniale inborst, maar ook uit het feit dat in de beleving van alle scholieren alle vakken kutvakken zijn. Geschiedenis is kut, Frans is kut, economie is kut en Duits is het allergrootste kutvak. En al zou je je er in willen verdiepen, je staat alleen. Ouders in Oost-Groningen hebben met een beetje geluk de lagere school afgemaakt en de leraar is een kounavvel. De laatste aan wie je een vraag stelt.

Ik vroeg eens aan die van natuurkunde: meneer, ik snap het niet. Toen zei hij: dat moet je niet snappen, dat moet je begriepen. Waarop ik de volgende keer meldde dat ik het niet begreep. Toen zei hij: dat moet je niet begriepen, dat moet je snappen.

De conciërge


Daar komt bij: de leraar is helemaal niet de baas op school. Zelfs de directeur of rector niet. Dat is de conciërge. Bij hem moet je zijn. Er uit gestuurd. Naar de conciërge. Lesrooster vergeten. Conciërge. Kopiëren. Conciërge. Ziekmelding: conciërge. Hij is alles in één. Klusjesman, bode, opzichter, doodgraverstem door de intercom en uitgifteloket van pleisters en saucijzenbroodjes. Als mens een kruising tussen Moeder Theresa en Markies de Sade. Ik zat zelf niet op de WP, maar mijn vrouw wel en die zei: Akkerman. Moet je noemen.

En inderdaad, uit het jubileumboek komt een Veenkoloniale Godfather naar voren. Marlon Brando tussen Midden Verlaat en Duurkenakker. Een leerling beschreef eens de dag dat hij net op tijd op school was.
,,Nee’’, zei Akkerman, ,,te laat.’’
,,Maar de bel is nog niet gegaan.’’
Net op dat moment ging de bel.
,,Zie je wel,’’ zei Akkerman, ,,Te laat.’’

Dat leerlingen zo min mogelijk energie in het leren steken is overigens te begrijpen. In een lichaam dat bol staat van de hormonale spannings staan alle zintuigen vooral op scherp buiten de lesuren. In de kleine pauze, overblijf en als de school uit gaat.
Dan moet het gebeuren. Want alle aandacht gaat uit naar een ding: dat jij niet de loser van de klas bent, de sigaar, de pisang, het kneusje.
Zit mijn haar goed, was dat een grap of ben ik net gedist, is mijn lach niet stom en, het allerbelangrijkst, hoe voorkom ik dat ik moet douchen na gym? Want wat je onder geen beding wilt is dat anderen dat lichaam van jou zien, waar ineens overal haar zit.

Ongesteld


Meisjes melden zes keer per maand dat ze ongesteld zijn. De gymleraar is de enige in deze maatschappij die de cyclussen van jonge meisjes mag bijhouden, zonder het risico van een enkeltje richting Van Mesdag. Hij moet wel, omdat er anders geen mens meer in de ringen hangt.

Gym is voor elke jongeling een ramp. Zoals alles een ramp is. Want wat overheerst in de middelbare schooltijd is onzekerheid. Tussen je 12e en 18e twijfel je aan alles. En omdat je aan alles twijfelt en vooral aan jezelf, wil je niet opvallen. Uitgezonderd die enkele hippie, stuffieroker, punk of gothic, wil 99,9 procent van de mensheid op elkaar lijken.

Dat is nu zo, dat was zo.

Op de hockeyclub van mijn oudste zoon hebben werkelijk alle meisjes van de C1 een paardenstaart. De jongens kammen hun haar als Albert Rusnak van FC Groningen. In mijn middelbare schooltijd was het niet anders. Ik wilde mijn haar eerst als Simon LeBon van Duran Duran zijn en later Robert Smith van The Cure. In beide gevallen bleek ik kansloos. Mocht niet van mijn ouders.
Mijn vader: ,,Wist der toch nait as n haalfmaale bie lopen?’’
,,Dat wil ik wel.’’
Waarna hij de handen ten hemel hief en verzuchtte: ,,Mien laive God. Woar hebben wie dat toch aan te danken?’’

Ook een strakke leren broek, toen ik fan was van The Doors, mocht niet. Dat was ja zo apart. De eerste die er in liep was Suzi Quatro. De vader van een vriendje vond het maar niks: ,,Kist ja alles zain.’’

Ter Meulen Post


Ik zei dat het juist de bedoeling was, maar ook mijn moeder kocht corduroybroeken. Op de groei. Bij Ter Meulen Post of Neckermann. Daar liep je net even te lang in, zodat je een hele jeugd, of met omgeslagen pijpen liep, of met hoog water in de polder. Een trui kon twee winters mee. Daar kwamen dan elleboogstukken op. In de stad stond zoiets voor intellectueel, in de Veenkoloniën smeerden ze porren op je rug.

Een van de meest interessante stukje uit het vorige jubileumboek gaat over illusies. De middelbare school is een instituut vol illusies, stond er. Want we denken toch niet serieus dat jeugd tussen 12 en 18 in één enkel regime te vatten is.

Klare taal.

Als voorbeeld van zo’n illusie werd genoemd: de bestrijding van het te laat komen. Want hoe moeilijk is dat nu eigenlijk: op tijd komen? Lessen beginnen om half negen. Elke dag, elke week, zes jaar lang. Je kunt je erop instellen. Vroeg naar bed, op tijd wakker, ontbijten, tanden poetsen, aankleden, tas inpakken en weg. En toch, al zo lang school bestaat, komen hele volksstammen te laat. En het zijn altijd dezelfden.

Te laat komen is symptomatisch voor de verscheurde wereld van de middelbare school, de illusie van een symbiose tussen wat je moet en wat je niet wilt.

Het is typerend dat een liedje van Doe Maar over de schooltijd ‘Nachtmerrie’ heet. Het refrein begint met: ‘Dit is vast een misverstand, Ik ben weer in de klas beland.’
En Henny Vrienten en Ernst Jansz zijn niet de enigen die nog steeds badend in het zweet wakker worden na een droom die terugvoert naar de schoolbanken.

En toch.

Ik ben 51 nu. Lang geleden uit de Veenkoloniën vertrokken. Ik woonde in Winschoten, Groningen en nu in Slochteren, reisde rond de wereld, maar zoveel te ouder ik word, zo veel vaker denk ik aan mijn middelbare schooltijd.
Omdat ik het me op de een of andere manier herinner als een leuke tijd. Omdat het de tijd was van de eerste keren. Omdat alle eerste keren nu eenmaal de meeste indruk maken en misschien nog meer omdat die tijd nooit meer terug komt.

Skelet


Zoals we begonnen als skelet, zo eindigen wij als skelet. Zoveel te dichter we daar weer in de buurt komen, des te meer verlangen we naar onze puberjaren. We zitten op Schoolbank.nl en op Facebook, LinkedIn, Instagram, speurend naar oud-klasgenoten.
Je wilt weten wat er van je oude liefde is geworden, van die beste vriend, van al de mensen die belangrijk waren in de belangrijkste jaren van je leven.

Een reünie is, zoals nu bij de viering van 150 jaar WP, onvermijdelijk. Al is het een feest van uitersten en niet zonder risico. Immers, het komt voor, zoals in ons dorp op oogstfeesten, dat oud-klasgenoten elkaar weer diep in de ogen kijken en het in oktober gebroken gezinnen regent. Anderzijds: het is niet voor niets dat je mensen uit het oog bent verloren.

Maar je gaat.

Alleen al om één reden. Je bent weer even jong, weer even leerling, tussen je herinneringen, de kinderen van toen, je ziet dezelfde leraren, maar je weet honderd procent zeker dat je de volgende ochtend niet wakker wordt met de gedachte: ‘Kut, ik heb Duits en ik heb niks gedaan.’

woensdag 6 juli 2016

Ik ben klaar. De lamp is uit. Heb geen zin meer. Over anderhalve week begint mijn, onze, vakantie en daar ben ik mee bezig. Niet meer met werken, stukjes schrijven of wat dan ook. De voorbije drie dagen heb ik vrij gehad, compensatie van de weekenddienst en dat voelde als een opmaat naar de vakantie. ’s Ochtends begon ik nog wel te schrijven, er verschijnt half november immers een nieuw boek en dat moet nog wel geschreven worden, maar tegen twee, drie uur, zakte ik in en was er het verlangen naar een borrel, de Tour, Wimbledon, een muziekje tijdens het eten koken en ’s avonds een film en in bed nog even lezen.

Of het gevoel van op, over en uit terecht is, weet ik niet. Ik zal zelden zeggen dat ik het druk heb gehad. Dat hebben we eigenlijk nooit in deze contreien. We hebben altijd dingen te doen, dat wel.

Maar het is eerst klaar. Dit was mijn laatste blogje voor de vakantie.

Ik ga zelf weer literatuur tanken. Er lag al een stapel boeken op mijn nachtkastje – met onder meer Effi Briest van Theodor Fontane, Hugo Claus de jonge jaren, de complete Edgar Allen Poe en The Life and Times of Hunter S. Thompson, terwijl ik nog bezig was in De Nederlandse wielerliteratuur in 60 enige verhalen en Infinite Jest van David Foster Wallace (waar ik maar niet door kom) en daar zijn bijgekomen: Vlucht zonder einde van Joseph Roth, La Superba van Ilje Pfeiffer, De pop van Boreslav Prus, Het geluid en de drift van William Faulkner en Winesburg, Ohio van Sherwood Anderson. Dat is het enige wat ik nog wil. Lezen, lezen en lezen en bij een boek moet ik opschieten, want In de kou van Travis Mulhauser vind ik typisch een boek voor collega Louis van K. en voor ik uitlog wil ik dat nog aan hem geven. Yo.

donderdag 30 juni 2016

Angst voor de dood is wat mij eens in de zoveel tijd aanvliegt. Het is niet zo zeer ziekte, sterven, of lijden dat ik vrees, als wel het gegeven dat ik er op zeker moment niet meer zal zijn en nooit meer zal terugkomen en daar geen weet van heb. Het scherm gaat op zwart en alles wat je ooit deed, beleefde, voelde, wist en herinnerde, is weg.

Dat kan in principe op elk moment gebeuren. Even niet opletten achter het stuur, een orgaan dat er mee stopt, een propje bloed en het is voorbij.

Daar kan ik niet omgaan, met het vergankelijke, dat niets blijft en alles voorbij gaat. Maar dan ook echt alles. Een hang naar vroeger heb ik altijd gehad, maar het is sterker geworden sinds ik kinderen heb. Ik zie ze elke dag en elke dag zie ik in hen mijn eigen jonge jaren. Ik denk aan de jaren op de lagere school, het vouwen van een bootje, ademloos luisteren als de juf voorlas uit Beekman en Beekman, het kleuren van de plaatjes die de Kruisweg van Christus uitbeeldden. De herinneringen zijn soms bijna voelbaar.

Ik denk aan mijn vriendjes van vroeger. Een enkele kom ik soms tegen. Er zijn er bij die ik nooit meer zie en toch hebben we een band. Soms kijk ik zwijgend naar oude foto’s op Schoolbank.

Dat was toen en dat was toen.

Ik denk aan het ouderlijk huis, de vreugde om een cadeautje, kamperen in Duitsland, een middagje sjoelen. Je was ziek, lag op de bank in de kamer, je las de Donald Duck en had zin in sinaasappels.
Hetzelfde voor mijn tienerjaren, de adolescentie, diensttijd, de eerste baan, de nachtdiensten in de drukkerij, de weekenden in discotheek Frascati. Wat ik wel en wat ik niet had moeten zeggen. Ik kan er aan denken, maar ik kan er nooit naar terugkeren, het is geweest.
 
De gedachte aan dat wat geweest is biedt troost. Soms ga ik slapen en denk aan dat wat ik allemaal gedaan heb. Daar beleef ik vreugde aan. Ja, zo was ik toen. Maar als ik weg ben, zijn die herinneringen ook weg en feitelijk is het leven van toen nooit geweest. Omdat het mijn herinneringen zijn en niet die van iemand anders. Mijn zoons zullen aan me denken, maar hun gedachten zijn niet die van mij. Met mij verdwijnt mijn geschiedenis, mijn verhaal.

De frustratie is dat het een gegeven is. Je kunt van alles willen, verzinnen of dromen, ooit, op een dag, gaat het licht uit. Dat wil ik niet. Ik wil altijd blijven leven.