donderdag 18 februari 2016

Dankzij de borrel in het gemeentehuis van Bedum, omdat de burgemeester precies zes jaar in dienst was daar (en er nog een jaar aan plakt), miste ik het begin van het autoprogramma waar mijn oudste zoon met mij naar had willen kijken. Ik zag nog net samen met hem een driftende matzwarte Rolls Royce voor hij naar bed moest.

Omdat ik geen zin had een film of ander programma te zoeken bleef ik naar National Geographic kijken en zag bij Car S.O.S. ineens een Kever rondrijden. Meerdere Kevers en meteen zat ik in mijn jonge jaren toen dat type bij bosjes rondreed.

Het was de eerste auto van de oudere buurjongen, de politie gebruikte ze, het was de meest favoriete wagen om mee te rallycrossen en Ruska bouwde buggy’s op Kever-onderstellen.

Wat mij nog het meest fascineerde was dat de motorkap (die achter zat) met rubberen vastzetdingen (kan even niet op een ander woord komen) een beetje open werd gezet. Om meer koeling te krijgen, als ik het me goed herinner. Zoals ook bij de NSU en de Simca 1000 en de Fiat 600 gebeurde. Daarmee werd elke gezinsauto bijna een racemonster. Al heb ik mijn vader nooit zover kunnen krijgen dat hij dat ook deed.

Het meest spectaculaire ooit aan de wagens van mijn ouders was een zwart dak bij de Opel Kadett en vier mistlampen onder de bumper van de Fiat 127. Maar die modificaties zaten er al op toen mijn vader die auto’s aanschafte.

Mijn eerste auto kocht ik in 1985 en dat was een rode Fiat 128. Ook die zag er goed uit, met twee antennes naast de kofferbak. Al heb ik nooit kunnen ontdekken waarom er twee moesten zijn. Behalve uit esthetische overwegingen. Daar kun je nu lacherig over doen, toen zag het er heel stoer uit.

De Fiat bleek de eerste in een reeks van auto’s die ik van mijn twintigste levensjaar tot nu heb gehad. In de goede volgorde kwamen en gingen: een oranje BMW 316, een rode VW Jetta, een groene Suzuki SJ410, een blauwgrijze Citroën BX Station, een rode Toyota Landcruiser BJ45 (met softtop), een blauwe Range Rover en een zwarte Jeep Cherokee.

Daarna was het even gedaan met de fourwheeldrives en kwam er een donkerrode Citroën Xantia. Al zat ik niet lang zonder een 4X4. Omdat mijn vrouw op zeker moment leaseauto’s reed die we ook voor privédoeleinden gebruikten, kon ik mijn echte droomauto kopen: een grijs met witte Land-Rover 109 Serie III metaltop. Een sinds mijn zesde levensjaar gekoesterde wens kwam uit en er is geen auto geweest waar ik meer ellende mee beleefd heb.

Het idee was dat ding op te knappen, maar A: moet je daar tijd voor hebben en B: moet je zelf kunnen sleutelen. Met als gevolg dat het ding me klauwen met geld heeft gekost.

De Land-Rover heb ik wel het langste van alle auto’s gehad, zij het als derde auto erbij. Voor de fun zeg maar. Naast de leaseauto vervolgde de reeks praktische gezinswagens na de Xantia met een turquoise Mitsubishi Space Runner (‘Was wel even schrikken’, zei mijn zwager toen hij die wagen voor het eerst zag), een grijze Ford Mondeo Stationwagen, een donkerblauwe Volvo V40 en de twee die we nu hebben: een donkerblauwe Volvo S80 en de laatste aankoop is een donkerblauwe Audi A4.

Wat autobezit betreft mag ik mij gelukkig prijzen, want met de Jeep, Toyota, Range Rover en Land-Rover reed ik in enkele van mijn droomauto’s.

De les van de Land-Rover is dat je dat eigenlijk niet moet willen, maar types die ik ook nog eens een tijdje op mijn naam wil hebben zijn: Jeep Wrangler, Chevrolet El Camino, VW-busje (zo’n oud type), Land-Rover Defender (ja, toch), Chevrolet Camaro, Triumph Spitfire, Mercedes SL280, een oud type Ford F150 pick-up, Saab 900 cabrio (zo een waarin Miles rijdt in de film Sideways) en zelfs een Rolls Royce en zo zal ik er nog een paar vergeten zijn.

Dat heb ik van mijn opa, die was ook autogek. Het zit gewoon in mijn bloed.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen