woensdag 10 februari 2016

Met de laptop op schoot kijk ik naar Bochum – FC Bayern. Zoals ik gisteren naar Dortmund – Stuttgart (of andersom) keek. De ultieme avondbesteding tijdens drie dagen aanrommelen, de beloning na een week piket en daarna weekenddienst. Wat daaraan slopend is, is dat je voortdurend waakzaam bent. De kans dat er iets gebeurt is klein, maar je houdt rekening met die kans, dus slaap je niet echt lekker en je monitort Twitter, de mail en alles waar alarmbellen kunnen gaan rinkelen.

De ontlading op maandagmorgen zeven uur, als de piket afloopt, is er naar. Opluchting is een groot woord, maar er glijdt iets van je schouders en de neiging om in de twee dagen compensatie plus de normale vrije woensdag niks te doen is verleidelijk.

Al blijft ‘niks doen’ betrekkelijk. Vooral met de griepgolf die rondwaart en er op zondagavond een jongetje in de gang nog net ‘pappa’ uit zijn keel krijgt alvorens er golven half verteerde bami en appeltaart achteraan komen. Na nog een keer overgeven op het ouderlijk bed en daarna nog een keer (die ik vanaf zijn bed niet meekrijg) weet je dat de stemming er voor de komende dagen in zit.

Ik schrijf wat, pleeg een enkel telefoontje, zeg afspraken af en sta voor de rest van de maandag in de zorgstand. Wat betekent: een beetje keuvelen, een beetje streng zijn (‘mag ik gamen?’ ‘Nee’), thee met beschuitjes serveren en halve aspirientjes en ’s middags samen een film kijken. Dat is voor mij best aangenaam, want ik heb niks en ik hoef niks en de schade lijkt te overzien als hij op dinsdag opknapt en bouillon en beschuit binnen houdt, totdat ik om half een door de oudste wordt geappt of ik hem op kan halen. Ook hij voelt zich niet lekker.

Spierwit zit hij naast me in de auto, zegt niet tegen het licht van de wolken te kunnen en als we thuis komen doet hij zijn kleren uit, kruipt op bed en valt meteen in slaap.

Omdat de jongste zich beter voelt en ook weer wat mag gamen maak ik die middag kippensoep. Het aloude recept als de mens zich minnetjes voelt. Dat wist zelfs Marlene Dietrich, leerde ik van Henk Scholte.

Als hij – niet Henk, mijn jongste zoon -  en ik gegeten heb en ik de kommetjes in de vaatwasser doe gaat de bel. Mijn vrouw. Die heeft een sleutel, maar die belt altijd aan, ik weet niet waarom. Ze ziet er uit alsof ze onder een trein door gekomen is en strompelt het huis binnen: ,,Volgens mij krijg ik ook griep. Ik heb bijna geen stem meer. Je moet naar de winkel en kippensoep maken.’’

Kijk.

Hoewel de jongste gisteren zei vandaag naar school te willen, zat het er vanochtend toch niet in. Dus waren we zomaar thuis met zijn vieren. Ondanks alle misère vond ik dat knus. Mijn vrouw en ik aan de keukentafel achter de laptops, de jongste voorzichtig aan het gamen en de oudste voor pampus op de groene bank. Omdat, toen mijn vrouw toch weer naar het werk was, beide heren bleven klagen over dorst en honger, hoofdpijn en vooral maagpijn greep ik vanmiddag terug op nog een oud medicijn; Coca-Cola.

Ze gingen vroeg naar bed, zonder morren en ik zie nu hoe Arjen Robben een tegenstander een oog uitsteekt en hoe Bochum eigenlijk de betere kansen heeft. Maar waarschijnlijk niet gaat winnen. Zie je wel, Lewandowski maakt net 0-1. Ik pak nu een biertje en een boek. Net als gisteren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen