woensdag 15 juni 2016

Een gevloek uit de ene jongenskamer, iets met downies en pauper en daarna een gesprek, tussen mijn zoons. Ik vang op dat de oudste zegt, zwaar geïrriteerd: ,,En dan moet je ook nog staan lachen.’’

Dus loop de korte gang door en vraag wat er aan de hand is. Hij wijst op zijn kussen. Daar ligt een stinkbom. Een deel ervan op het matrasovertrek.

,,Dat is niet handig’’, zeg ik tegen de jongste, ,,stinkbom oké, maar niet op het bed. Op een stoel, op de grond, in zijn schooltas. Daar was-ie voor bedoeld.’’

Hij knikt, al kan ik er geen schuldig gezicht van maken.

De oudste blijft vloeken, al bespeur ik geen aanstalen om de boel op te ruimen.

,,Zal ik even schoonmaken?’’, vraag ik.

Zoons zijn verbaasd dat het een vraag is.

Ik pak het overtrek, kussensloop, gooi het in de wasmand, pak schone uit de kast in onze slaapkamer en verschoon het bed. De jongste mag met doekjes de bomresten op de vensterbank opruimen. Er ligt niet veel en binnen een paar minuten is de klus geklaard.

Terwijl ik het raam open zet, merk ik op: ,,Ik ruik niks.’’

,,Een slechte stinkbom’’, constateert de oudste, ,,hoe komt hij er eigenlijk aan?’’

,,Gekocht van een klasgenootje. Een euro of zo. Hij heeft er dus zelfs geld voor over om jou te plagen.’’

,,Oh, ik ga hem zo wreed terug pakken.’’

Dat is dan waarschijnlijk voor een later moment, want hij blijft zitten waar hij zit. Ik pak de doekjes, loop terug naar de woonkamer, waar de jongste in de keuken zijn handen wast. Op fluistertoon zeg ik: ,,Dat was niet handig, op het bed. Nu is H. erg boos.’’

Hij grijnst.

,,Of vind je het leuk dat hij boos is?’’

,,Het was het elke cent waard.’’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen