maandag 6 juni 2016

De zwarte heet Rover, de grijs-zwart gestreepte noemen we Dzjengus en voor de witte (eigenlijk cremé) half Siamees hebben we nog geen naam. Ik stelde blacky voor, maar mijn humor komt nooit zo aan. Als ik de mop van de twee haaien vertel (‘Zwemmen twee haaien in de zee, zegt die ene haai tegen de andere haai: hai’) kijken mijn zoons en vrouw naar mij alsof ik een schone luier moet.

De drie nieuwe katjes zijn niettemin een feest. Ze arriveerden vrijdag, terwijl ik aan het voetballen was. We wilden eigenlijk twee, maar van het nest van vier bleef één over. Vonden we sneu. Hebben we de derde ook genomen. Ik bedoel, ik sta er over een paar weken toch weer alleen voor qua verzorging en of ik nu twee vreten moet geven of drie, maakt ook niet uit.

Ze verblijven voorlopig in de woonkamer. Tot ze gewend zijn. Aan ons, aan ons huis. Dat is een nadeel, met deze tropische temperaturen, omdat de deuren dicht moeten blijven, maar ik vind het leuk; weer levende have om ons heen. Dieren horen bij een huis.

Het is opnieuw oppassen geblazen omdat je nergens een wijnglas meer kunt laten staan, of een bord eten en de jongste riep net ‘Het stinkt hier naar kak’, naar waarheid overigens, want er hangt hier bij tijd en wijle een enorme putlucht, maar we zijn er blij mee. Met de katjes.

De oudste ook.

Die wilde na het verscheiden van Raï never nooit een kat weer, want dat was zijn vriend, maar hij loopt weg met de drie. Dat wisten wij natuurlijk wel, zo gaat dat. Als ouder weet je wat goed voor je kind is.



Apart is dat van de een op andere dag alles weer anders is. Je zit op een groene bank en ineens rent er iets in je ooghoeken voorbij. Of je ziet ineens een pootje over de rand, dat ritmisch in het luchtledige mept. Ze zijn in de fase dat elke bewegende vinger een prooi is.

Favoriete slaapplek is vooralsnog bovenop de stapel tijdschriften. Dat verbaast. Je denkt: dat mandje met dat dekentje, dat is goed voor jullie, maar nee.

Ze spelen met een veter. Geen moment bij stil gestaan dat zoiets leuk was. Al bergen we die ’s nachts op. Je moet er niet aan denken dat er een de veter om zijn halsje krijgt en wij zijn daar niet bij.

Dat wat ze eten valt me mee. Ik had melk gekocht, harde brokjes en zachte brokjes, maar het is nog geen hapsloekweg. Ook het rieten bijzettafeltje waar ze gedrieën onder kruipen is een verrassende plek. Zal wel bescherming bieden, tegen al die langslopende grote benen.

Het schichtige is er na drie dagen al een beetje af. Zoals de oude Raï bij mij zat als ik achter de laptop zat, zo kijkt de witte aandachtig hoe mijn vingers over de toetsen bewegen.

Lijkt zo lang geleden, een kat naast me bij het schrijven.

Gek, ze dommelt langzaam in. Zoals Raï tegen mijn arm aan sliep als ik werkte. Al kan het ook van de warmte komen die de laptop uitstraalt.

Of de warmte die ik uitstraal.

Er ligt zelfs een pootje op mijn arm. Ik heb er een vriendin bij. Alleen nog een naam voor haar: Maus, Maan, Moon, Jolie, Blacky, Witje, we komen er niet uit. Sissie, zegt mijn vrouw. Zij vindt de witte trouwens ‘lelijk’. Vanwege de blauwe ogen en de witte vacht. Je bent zelf lelijk, zeg ik tegen mijn vrouw.

Snowy, Romulus, Remus, Miller, Garfield, Felix, Sirikit, Whitey, Whisky…

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen