dinsdag 19 januari 2016

Is het verstandig om je schrijvende voorbeelden te ontmoeten? De meeste waaraan ik mij spiegel zijn dood; zonder uitzondering zelfmoord. Ernest Hemingway, Hunter Thompson, David Foster Wallace, Nanne Tepper. Andere grootheden wier werk ik met enige regelmaat herlees, zoals Joseph Roth, Tip Marugg en Charles Bukowksi, hebben zich min of meer dood gezopen.

Ik sta steeds meer in de stand dat boeken gewoon gelezen moeten worden. Wat de schrijver daarnaast doet, in zijn privéleven, of wat hij hier of daarvan vindt, is minder interessant. Het werk, daar gaat het om. Al zijn de oeuvre’s van voornoemde auteurs dermate met hun wezen verbonden dat een grens daartussen moeilijk is aan te geven. Maar had ik ze willen spreken?

Alleen bij Tepper is dat twee keer gebeurd. Die ontmoetingen had ik niet willen missen, al heb ik uit zijn boeken meer over hem gehaald dan in die korte gesprekken en stond hij bij de laatste keer al met een been in het graf.

Knausgård leeft nog, al twijfelde ik enorm of ik hem wilde zien. Ik wist dat hij naar Groningen kwam, kaarten reserveren deed ik niet. Als de chef kunst mij niet had gevraagd of ik er heen zou willen, voor de krant, was ik ook niet gegaan. Maar hij vroeg me wel. Dus ging ik.

Dat was zondag.

In een uitverkochte Der Aa-kerk in stad.

Omdat de man een zesdelige cyclus over zijn leven had voltooid, 3800 pagina’s, had ik geen idee wat ik nog van hem zou willen weten. Het belangrijkste, zijn geschriften en meer nog zijn verhouding tot de literatuur en de mentaliteit – zoals ook Tepper die had – dat eigenlijk alles in het leven ondergeschikt zou moeten zijn aan het schrijven, waren een feest der herkenning. Behalve wat kleine dingetjes, die me niet verbaasden, leverde het interview weinig verrassende zaken op. Daarbij bleek hij in de anderhalf uur, exclusief pauze, ongeveer de gewoonste mens ooit.

En toch.

Toen ik een half uur voor aanvang de kerk binnenkwam sleurde de organisatrice me direct mee: ,,Ik leid je meteen naar je plek.’’

Die bleek op de eerste rij: ,,Daar zit jij’’, zei ze gedecideerd, ,,daar Kester en naast jou Knausgård.’’

Dat leek me onwaarschijnlijk omdat hij immers moest optreden, maar inderdaad: bij binnenkomst ging hij naast mij zitten. Hij knikte me toe en ik zei ‘Hello’ en terwijl de organisatrice de avond inleidde zaten we even naast elkaar en raakten onze bovenarmen elkaar. Dichterbij een schrijvend voorbeeld ben ik nooit gekomen.

Dat deed me wel iets.

Al bleef het daar natuurlijk bij, want verder dan luisteren kom je op zo’n manifestatie niet. Zo’n man wordt geleefd tijdens zo’n avond en je moet nooit de illusie hebben dat je bij zoiets een vriendschap voor het leven begint.

Er is nog een reden waarom je nooit naar lezingen van succesvolle auteurs moet gaan. Terwijl Knausgård in de rust signeerde en rijen fans stonden te wachten op een krabbel in een van de zes delen van Mijn Strijd, kwam een mij bekende vrouw naast me staan. Ze glimlachte: ,,Zover ben jij nog niet hé?’’

Dat beaamde ik.

,,Of schrijf jij ook’’, vroeg de niet onknappe jongedame die rechts van mij stond.

Ook dat beaamde ik.

,,Hoe heet jij dan?’’

,,Herman Sandman. Waarschijnlijk nog nooit van gehoord.’’

,,Nee. Hoe spel je dat? Ga ik thuis wel even googelen.’’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen