dinsdag 3 november 2015

Het cadeautje ligt al op de achterbank. Een verrassing. Open maken mag nog niet, pas als we er zijn, maar even later is het van ‘ah, doe toch, kan wel’. Mijn ouders zitten voorin, mijn zusje naast me. Ze brengen we weg. Naar het ziekenhuis.

Ik scheur het papier er af en zie een auto. Weer een auto. Ik ben gek op auto’s en ik krijg altijd auto’s. Op verjaardagen, Sinterklaas, onder de kerstboom. Dinky Toy, Matchbox, of Siku. Een gele kraanwagen dit keer. Van metaal. Een echte dus. Met een rode kraan, uitschuifbare pootjes en een haak. De koplampen zijn twee stukjes op diamant lijkend glas.

Met een schreeuw word ik wakker. Ik zit ergens diep in de aarde, onderin een lange donkere put en ben bezig me langzaam omhoog te werken als ik ineens in het licht sta. Buiten, denk ik, maar de muren zijn wit. Uit mijn keel komt bloed. Er zijn handen die mij grijpen, tegenhouden. Hij is te vroeg wakker, hoor ik. Ze waren nog niet klaar. Mijn binnenste gilt, voelt rauw, hard en huilend word ik op een brancard weggevoerd.

Ik open mijn ogen en weet dat ik alleen ben. Door de spijlen zie ik een grote ruimte. Meer bedden. Vreemde gezichten. Dit is niet mijn eigen slaapkamer. Als ik roep komt er iemand aan. Ze is aardig en ik mag ‘je’ zeggen, maar het is niet mijn moeder. Er vallen tranen op de broek van mijn nieuwe pyama. De mevrouw aait me over mijn hoofd en ik ga weer liggen. Bij gebrek aan een knuffel hou ik de kraanwagen tegen me aan.

Een verpleegster houdt een kommetje voor. Vruchtenyoghurt. Eten mag, maar voorlopig alleen vloeibaar. Het is koel en lekker. Een ijsje mag ook nog. Is goed voor je keel, zegt ze. Alsof ze me een plezier doet. Het smaakt, maar blij ben ik niet. Waar zijn pappa en mamma?

Ik schrik weer wakker en schreeuw: ,,Zuster!!!’’ Ze zijn ze laat. Uit mijn mond gulpt een roze brij. Over de dekens, over mijn nieuwe pyama.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen