vrijdag 4 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (8) - Bosko en Vladimir

Ik liep, even voor twaalf, vlak achter twee van de vijf grootste voetballers ooit van Rode Ster Belgrado: Bosko Djurovski en Vladimir Petrovic. Zora en ik hadden een dik uur lang met beiden gesproken in een restaurant dat eerst Zodiac heet, maar nu anders en we waren op weg naar een feest in het stadion van Rode Ster Belgrado, dat eerst Marakana heette, naar het beroemde stadion in Rio, maar nu anders.

Zo gaan de dingen in Servië, had Zora al gewaarschuwd. Je kunt niks plannen en achteraf was dat goed ook. Nu konden we de dingen laten gebeuren die gingen gebeuren.

We hadden om half elf met Bosko Djurovski afgesproken om over Milko te praten en wat hij verder nog voor ons kon betekenen en het bleek een hartelijke man, een grootheid daar, dat kon je aan alles zien en hij belde met Jan en alleman om te vragen of zij ook met mij wilden praten. Terloops meldde hij dat Petrovic er ook zo aan kwam.

Eerlijk gezegd kende ik hem niet zo goed, maar de in 1955 geboren voetballer was aanvoerder en rechtsmidden in de tijd dat Milko bij Rode Ster debuteerde. Petrovic maakte sinds 1972 deel uit van de hoofdmacht.

Ik wilde het interview langzaam opbouwen, maar de oude crack, zo bleek al heel snel, stond eigenlijk te popelen om los te gaan over Milko en meer precies over het feit dat hij in 1986 nooit de overstap van Rode Ster naar Partizan had moeten maken. Daarin is Petrovic overigens niet de enige. Het schijnt dat zelfs nu nog, dertig jaar na dato, hij nog steeds wordt uitgescholden daarom.

Volgens Petrovic had de statuur van Milko nog veel groter kunnen zijn, als hij nooit die switch had gemaakt. Ook Milko was voorbestemd om een van de vijf grootste voetballers van Rode Ster te worden.

De toenmalige aanvoerder noemde Cruijff als voorbeeld. Die had immers ook altijd bij Ajax had gespeeld en was daarom een grootheid gebleven. Ik kwam er niet aan toe om te zeggen dat onze beste voetballer ooit ook de overstap naar een aartsrivaal, Feyenoord, maakte en dat daar ook veel over te doen was. Ik kwam aan veel vragen en opmerkingen niet toe. Zoals gewoonlijk is een gesprek met Serviërs een wirwar van verhalen, opmerkingen, terzijdes, anekdotes, analyses en grappen. Zora had amper tijd om te vertalen.

Djurovski en Petrovic zeiden dat we mee moesten gaan naar het feest van Rode Ster Belgrado, dat om twaalf uur begon. Een jaarlijks festijn waarbij alle vroegere (en zelfs overleden) en hedendaagse sporters in het zonnetje worden gezet. Dat zijn overigens niet alleen voetballers, want Rode Ster is een omnivereniging, met onder meer afdelingen basketball, handbal en waterpolo.

Bij het uitstappen zette ik even de enorme Mercedes van Bosko op de foto. Voor mijn zoons.


Daarna waren we getuige van het zingen van de hymne van Rode Ster, veertig jaar geleden speciaal voor de club gecomponeerd en dat kunnen weinig Europese topclubs nazeggen, maar Bosko waakte er voor om aan iedereen te melden dat ik een boek over Milko aan het schrijven was. Ik was vermoedelijk ter plekke doodgeslagen. In ieder geval zou ik een gebroken neus hebben gehad.

Bosko regelde wel dat Zora en ik een speldje van Rode Ster kregen. Nu zijn we ook officieel fan.

Het zou een feest worden met veel speeches, maar daar had Bosko geen zin aan. Hij knikte van ‘kom mee’en nam ons mee naar het museum in het immense stadion. Dat ziet er in westerse ogen wat vervallen uit, maar het voetbal druipt er zoals dat heet van de muren.

Onderweg wierpen we nog even een blik op het veld en schudde Bosko de hand van een jongeling die ik niet herkende, maar die Marko Grujic bleek te zijn. Een negentienjarige jongeling die volgend jaar bij Liverpool speelt. Ik ging meteen met hem op de foto. Kan ik thuis ook eens wat laten zien.
 
In de Hall of Fame in het museum, dat dicht bleek, hingen portretten van spelers die 500 of meer, 400 of meer, 300 of meer en 200 of meer voor Rode Ster hadden gespeeld.

Bosko en ik gingen vlakbij zijn portret op de foto, in het groepje van 400 of meer of 500 meer, daar wil ik vanaf wezen. Hij wees ons ook op het feit dat er geen portret van Milko hing.

Apart, zouden we in Groningen zeggen.

Tijdens die foto bedacht ik me dat ik ook met Petrovic op de foto had gemoeten. Nu ja, misschien is er nog een gelegenheid.

Daarna vond Bosko het tijd voor de lunch en nam ons mee naar zo’n adresje waar je als toerist nooit komt. A: omdat je niet weet waar het ligt en B: omdat er geen hipsters zitten. Maar het bleek een van de beste restaurants in de stad, waar ze zo’n beetje alles zelf maken; van brood tot slivovitsj. Er staat zelfs een oude waterput binnen. Ze zijn bezig die bron opnieuw aan te boren. Zoiets.

Een salade van sla met tomaten, boterzacht lamsvlees, zacht gekookte aardappelen, tussendoor een soort van deegkoekje van maïsmeel en daar moest dan van gekarnde room gemaakte boter op (tenminste, als ik dat goed omschrijf) en baklava na en een appel die van binnen gevuld was met walnoten en daarop roomachtig ijs. Onderwijl dronken we de nodige slivovitsj, terwijl Bosko na verloop overging op witte wijn en zat ik tegen even over tweeën mudjevol. Het vervolginterview met Bosko hebben we maar uitgesteld.

Wellicht spreken we hem zondag uitgebreid. Ook zijn er nu principeafspraken voor maandag met zangeres Ana Bekuta (met wie Milko een paar nummers op nam, want ja beste mensen, hij zit ook in de showbizz), met Bejkovic, zijn trainer destijds bij Partizan, die dus ook op de bank zat bij de wedstrijden tegen Groningen en Dusan Savic, de spits van Rode Ster in de jaren dat Milko er als linksbuiten speelde. Djurovski was ook voorbestemd hem op te volgen, maar zijn overgang naar Partizan voorkwam dat.

De oudste broer Djurovski bevond zich in het restaurant overigens in het hol van de leeuw, want de vrouw des huizes en haar man bleken Partizan-fan en bijna alle andere gasten. Wat de maaltijd weer eens bevestigde is dat we in Nederland eigenlijk maar een krampachtig land zijn. In een land als Servië is de lunch een feest, met lekker eten en de nodige spiritualiën. Ik durf nauwelijks iets te drinken om twaalf uur omdat daar maar praatjes van komen, maar op zeker moment kwam er een man naast mij zitten, een vriend van de eigenaar, die al zes whisky’s op had.

Bosko deed tijdens de lunch een ontroerende ontboezeming. Hij zei en dat moest ik maar in het boek zetten: het lied I did it my way van Frank Sinatra, was volledig van toepassing op zijn broer Milko. Die leefde niet in het verleden, niet in de toekomst, die leefde vandaag. Hij vond hem de beste broer, de beste vader en hij herhaalde wat hij eerder in Zodiac dat nu geen Zodiac meer heet bekende: in de tijd dat ze samen voetballen was hij af en toe heel boos op hem, omdat hij dan weer de bal had verloren en met de handen in de zij stond te kijken, maar nu, als trainer, zou hij graag een voetballer als Milko in zijn team willen hebben.

Al is Bosko op dit moment, ‘in between clubs’. Hij zou naar Servette Geneve, daar waar hij ooit ook speelde, maar omdat die in de derde divisie speelt mogen daar geen professionals werken. Daarvoor had hij met Stojkovic in Japan gewerkt. Misschien gaat hij terug naar het land van de Rijzende Zon.

O ja, en waarom kon Milko geen trainer van FC Groningen worden. Hij had alle papieren. Ik moest het antwoord schuldig blijven en beloven dat ik het zou vragen. Bij deze: Hans Nijland, waarom kan Milko geen trainer van FC Groningen worden?

Terwijl we zaten eten ging af en toe een vinger naar een passerende gast: kijk, dat is de beste maagchirurg van Belgrado, die man is ex-minister van energie en op zeker moment schoof er een journalist in ruste aan. Hij heeft nog wel een dagelijkse column in Bric, zij het geen heel lange en die gaat morgen over het feit dat een Nederlandse journalist een boek gaat schrijven over Milko Djurovski.

Ik heb nu al een probleem: ik weet niet hoe ik iedereen hier moet bedanken voor alle hulp. Ik krijg alles, betaal tot dusver alleen de taxi en overal gaan deuren open waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden.

Zora had me een fles Rakija meegegeven voor Miki en mij en even nadat de taxi mij weer naar het appartement bracht, voor 500 dinar (1 euro doet 123 dinar), beleefde ik een bijzonder moment. Ik wilde de man 600 geven, maar hij schudde van nee. Een taxichauffeur die een tip weigert, ook dat is Belgrado.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen