zondag 6 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (10) - Down and out in Belgrado


Het was zo’n dag dat het zelfs onder de brug regende, de zwerfhonden elkaar aan de ballen likten en de Sava geelbruin kleurde. Slechts hier en daar een mens, een enkele parapluverkoper in de Knez Mihailova en nergens een blijk dat de zon ooit weer zou gaan schijnen.

De lobby in Hotel Moskva deed je denken aan vervlogen tijden, aan eeuwen waarin geschiedenis werd geschreven en keer op keer de nieuwe grens met het bloed van het oude volk werd getekend.

Je zag goedkeurend de obers in zwart en wit, met vlinderstrik, zoals ze op die plek sinds mensenheugenis over het marmer lopen. Om je heen, weggezakt in fauteuils en banken, zoals je kent van vergeelde foto’s van oude koffiehuizen, zochten gasten, schuilend voor de regen, troost en vonden dat in koffie, gebak, bier en wijn en in vriend, liefde, of familie.

Tijdens het verblijf in het oude hotel, voor de tijd die het duurt om geïnterviewd te worden door een journalist die zijn huiswerk heeft gedaan, voel je je even onderdeel van die lange geschiedenis. Hoe langer je in de deze stad bent, deze blanke vlek in donker Balkanland, Belgrado betekent letterlijk witte stad, hoe meer de geschiedenis en de mensen onder je huid kruipen en je ze beetje bij beetje begint te begrijpen.

Het was zo’n dag waarop je vroeg wakker werd, na een nacht van slecht slapen omdat het zaterdagavond was met lawaai in straat en in hotel en je, in afwachting van de dingen die komen gingen, lag te luisteren naar de regen en begon te lezen in The Post Office, om er achter te komen dat de hoofdpersoon, het alter ego van schrijver Charles Bukowski, er niet veel beter aan toe was.

Weer een kater na weer een nacht drinken, weer afgeblaft worden door zijn baas The Stone, weer een zware route, weer tot op de draad doorweekt na weer een stortbui en weer geen lunch. De ellende werd bijna tastbaar en je hoopte maar dat down and out in Los Angeles vandaag voor jou niet down and out in Belgrado zou worden.

Daar moest je aan denken toen je, na het interview, een wandeling door de stad maakte. Over gladde wegen, langs een markt met meer verkopers dan klanten en je broekspijpen nat werden van het opspattende water van langsrijdende bussen. Je stond even stil boven de oude rivier en keek langs de oude stad naar het oude land.

Je zag ook jezelf. Een man op een brug, weggedoken in een oude legerjas. Op het eerste oog met vastberaden tred, op weg naar ergens, geleid door een innerlijk vuur, maar in wezen op de vlucht, weg van zichzelf, verlangend naar zin en rust.

Het was zo’n dag waarop je dacht: waarom ben ik hier? Waarom stap ik in een vliegtuig, weg van huis, vrouw, kinderen, op zoek naar het verhaal van een andere man? Die er niet is en waarvan het afwachten is of hij komt.

Maar het antwoord weet je wel: het is dat wat alle mannen drijft. Als jongens werden ze aan de hand genomen door hun vaders, die hun wegwijs maakten. Zij vertelden verhalen over belangrijke momenten, over mensen die geschiedenis schreven.

Mannen blijven jongens. Ook als die hand loslaat willen ze verhalen horen en dus gaan ze zelf op zoek. Naar nieuwe verhalen, nieuwe helden. Om zich aan te laven, omdat het leven zich in de verhalen van helden in al zijn glorie ontplooit. En ook: om zich aan te spiegelen en aan op te trekken. In de nabijheid van een held raak je een kort moment aan de mythe en dat geeft, hoe kort dat moment ook, stof om te dromen en dromen is wat een mens verder brengt.

Daaraan dacht je toen je door het nieuwe Belgrado liep, je bier en voedsel liet brengen en terugkeerde over de brug, naar de oude stad, via de betegelde gangen onder de straten, waar zwervers en muzikanten, de verworpenen, de antihelden, je vragend aankeken en je niet durfde terug te kijken omdat je begreep wat ze wilden en je geen excuus had om nee te zeggen en het was zo’n dag dat je doornat in je hotel aankwam, je spullen uittrok, een borrel inschonk, een boek pakte en een zakje ‘sport mix’ en zag dat het nog steeds regende.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen