donderdag 24 december 2015

Noordwaarts

Dag 1


Met een bus(je) mag je een hoop. Zoals over de Vismarkt rijden. De Schipholtaxi steekt zelfs Tussen beide markten over. Wat iedereen hoopt, een haakse bocht en dan vol gas de Herestraat over richting Ringweg, mag echter weer niet. Een pistool tegen zijn slaap had de chauffeur kunnen inspireren om het wel te doen, maar zoals meestal heb je geen vuurwapen op zak als het nodig is. Ook zonder had-ie het gewoon moeten proberen, want om half vier op maandagochtend is het stadscentrum uitgestorven.

Het bekende nadeel van wonen in Groningen: je zit zover van de bewoonde wereld dat je allejezus vroeg je nest uit moet als je om acht uur op Schiphol wordt verwacht. Dus word ik zondagavond om half acht gebeld met de mededeling dat de chauffeur mij om tien voor half vier oppikt. De marge is een half uur. Wat betekent dat het dus ook tien voor drie kan zijn. Dus moet de wekker op half drie en de zenuwenlijer die ik ben is vanaf zo’n moment met één gedachte bezig: als ik me maar niet verslaap. Dus doe ik geen oog dicht.

Terwijl zoiets helemaal niet hoeft. We arriveren om half zes bij de luchthaven, zijn binnen tien minuten ingecheckt en kunnen daarna twee uur gaan zitten wachten op boarding time.

Al is dichtbij Schiphol wonen geen garantie dat het dan goed gaat. De piloot wekt de indruk dat ie bij de landing in Kopenhagen aan het gamen is, zo zwaait de voorkant van het vliegtuig van links naar rechts en de stewardess sommeert ons bij het uitstappen goed te letten op het lampje ‘gordel vast’. Waarna een gehakkel volgde in de trant van ‘oeps, ik heb de verkeerde procedure voor me, wat dom van mij, neem me niet kwalijk mensen, nu ja, toch bedankt dat u met de KLM hebt gevlogen enzovoort enzovoort.’

Waarschijnlijk is het dezelfde stewardess die halverwege de vlucht bij een meneer gaat staan met de vraag: ‘U bent die en die?’

Ja, dat is hij.

Nou ja, ze hadden begrepen dat hij vaak met hun vloog en daarom wilden ze een beetje weten wat hij zo van hunnie vond, de KLM dan. Dat ging vrij dwingend. Ik dacht: je zult vliegangst hebben en dan vraagt zo’n miep of je de veiligheidsinstructies voldoende vond, of je echt goed had begrepen wat te doen bij een crash. Bij het inchecken was er niemand te bekennen, dat doet de reiziger tegenwoordig helemaal alleen en ineens moest er dan feedback komen?

Gelukkig wachtte op Deense bodem het werk.

Het Groninger Museum wil met Nordic Art een ode brengen aan de volken en culturen van Scandinavië middels een overzicht van negentiende- en twintigste-eeuwse Noord-Europese schilderkunst. De presentatie omvat landschappen, portretten en taferelen van ‘the real life. Gastconservator David J., Hoogleraar Russische en Scandinavische Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Leeds, benadrukte dat het deze keer niet om grote namen ging. Wel om de periode en de stijlen: realisme, naturalisme, symbolisme, modernisme. Het aanbod komt uit vijf landen (Denemarken, Noorwegen, Finland, Zweden en nog een ander Scandinavisch land) en omdat een museum dat een expositie organiseert graag publiek wil en publiek vooral is te verkrijgen met publiciteit is er een persreis georganiseerd en ben ik in als redacteur kunst en cultuur van de Groninger Gezinsbode in gezelschap van collega’s van RTV Noord, De Telegraaf, Trouw, Universiteitskrant en Villa d’Arte en dus doen we in een week Kopenhagen, Stockholm, Helsinki.

 
 
Ondanks dat we niet op namen moesten letten kwam die van Vilhelm Hammershøi veel voorbij. Een vrij onbekende naam dachten wij, maar dat dachten wij verkeerd. Michael Palin blijkt een enorme fan en maakte zelfs een documentaire over de man. Daar zaten ze bij de BBC niet echt op te wachten en toen heeft het voormalige Monty Python-lid zijn in twintig jaar tijd opgebouwde goodwill in een keer opgebruikt om de vertoning er door te drukken.

De eerste dag begon met een wandeling door Kopenhagen. Jackson wilde de belangrijkste plekken laten zien, zoals natuurlijk The Little Mermaid. Je kon immers niet in Kopenhagen zijn en het beroemde beeldje missen.

Bij het zien van al die gebouwen dacht ik: typisch Deense architectuur, geen idee waarom, maar typisch Deens. Totdat collega M. van het Dagblad van het Noorden opmerkte: ik vind het net Groningen. Daarna togen we onder meer langs het Thorvaldsen-museum, geheel gewijd aan Thorvaldsen (de schilderingen op de buitenmuren gaan over de inrichting van het Thorvaldsen-museum) en The Opera House (een geschenk van containerboer Maersk) en het was zo veel dat we niet alles konden zien en we toch The Little Mermaid hebben gemist.

De (werk)dag werd besloten met een bezoek aan het buiten Ordrupgaard, voormalig eigendom van Wilhelm en Henny Hansen. De man werd schathemeltjerijk met verzekeringen voor de gewone mens en investeerde zijn fortuin in een schitterende kunstcollectie , dat in het zomerhuis was te bezichtigen. Bij de Deense bankcrisis van omstreeks 1922 of 1923 raakte hij alles kwijt, edoch: de man krabbelde weer op, vergaarde een nieuw fortuin en kocht veel weer terug. Niet alles, wel veel.

Het zomerhuis wordt anno nu beheerd door de Deense staat, met aan de muren negentiende en twintigste-eeuwse kunst van impressionisten en post-impressionisten als Degas, Renoir, Monet, Cézanne, Gauguin en Matisse. Die zijn niet in het Groninger Museum te zien, maar Ordrupgaard levert drie werken. Het bezoek was er volgens Jackson om voeling met de tijd te krijgen. Hammershøi hing er ook; landschappen en interieurs met een bijna magisch-realistische sfeer. Ook opvallend: vrouwen schilderde hij met de rug naar de kijker toe. Een verbeelding van ‘the poetry of silence’.

Het beheren van een zomerhuis vol kunst is blijkbaar geen aangenomen werk, want als we aankomen is er niemand en duurt het even voor er iemand aan komt wandelen om de deur voor ons te openen.

Jackson bekende in de tuin van het landgoed dat hij geen vat kreeg op de uitspraak vande Denen. Hij vergeleek het met een vis waar je alle botten uithaalt. Zelfs de komst van Hannah Heilmann, zijn Deense assistent, bracht weinig duidelijkheid. Ordrupgaard wordt uitgesproken als Rdordropgord. Het beste, aldus de Brit, was om hier en daar klinkers en medeklinkers weg te laten, de overgebleven letters in een andere volgorde zetten en praten alsof er een schroevendraaier door je tong zat.

Dag 2


Gastconservator J. vertelde bij het ontbijt dat hij niet verbaasd was over de situatie gisteren bij Ordrupgaard, waar geen van de beheerders op het afgesproken tijdstip voor ons klaar stond. Na een telefoontje kwam er een jongedame aan met ‘oh, was dat vandaag?’ Zo ging het vaak met Denen, wist hij. Oh, hadden we een afspraak? Sorry, wat laat. Die laidback-mentaliteit konden ze zich veroorloven omdat uiteindelijk alles toch weer goed kwam.

Dat zullen collega J. van Trouw, collega M. van het Dagblad van het Noorden en collega M. van De Telegraaf ook gedacht hebben. Zij kwamen niet om kwart over negen, maar pas om half tien (!) in de lobby om uit te checken. Ook dat bleef zonder gevolgen, want we waren op tijd in het Statens Museum for Kunst, dat 25 of 26 werken levert. De conservator keek wel streng naar de camera van collega R. van RTV Noord en stak een rappellement af over copyright en wat hij allemaal niet mocht filmen. Alleen de muren en de brandblussers bleven over.

Collega M. van het Dagblad corrigeerde schrijver dezes overigens over het stukje van gisteren, want ‘ook jij vond Kopenhagen net Groningen’. Bij deze dus. In het staatsmuseum werden we iets wijzer over de Nordic Art-expositie. Moderne kunst, want kunst over het dagelijks leven, kunst die verhalen vertelde, maar ook kunst die getuigde van doorbraken in Scandinavië, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Zoals de ‘liberation’ van vrouwen, vrije seks, ‘kick-out’ van religie’ en nog zo wat.

De werken van mensen als Juel, Eckersberg, Strindberg, Krøyer en Skovgaard toonden een en al daily life, al bleek het ook weer niet alleen een en al daily life. Het was vergeven van de symboliek. Jackson verduidelijkte dat met een schilderij van een vrouw die ziek op bed lag en een boek las. Een vrouw die een boek las op bed, dacht ik, maar dat bleek een statement. Aangetoond werd dat vrouwen zich best wilden ontwikkelen, maar dat ze dat alleen konden als ze ziek waren. Als ze dat niet waren moesten ze het huishouden doen, de kinderen verzorgen en de gele onderbroeken van manlief met reuzel wassen, zoiets.



Daarmee sneed de gastconservator het punt aan van labels. Je kon iets realistisch noemen, maar als je koos voor het vastleggen van een arbeider in povere omstandigheden of mensen die uit hun huis werden gezet, dan was dat bijna automatisch al een politiek werk. We knikten allemaal ja toen de gastconservator dat zei, maar schudden nee bij het icoon van de expo: At the French Windows. The Artists Wife van L.A. (Lauritz) Ring. Ring is naast Munch en Strindberg een van de bekendste namen. In de discussie gaven we Jackson geen gelijk. De kwestie: was de vrouw van Ring zwanger of niet. Ja, vonden wij. Nee, zei Jackson. Wel, zeiden we nog een keer. Zie die buik. Nee, zei hij, jurken uit die tijd maakten je dik. Dat zou bovendien controversieel zijn. Niemand schilderde zijn vrouw op die manier. We kwamen er niet uit.

Er was ook kunst van vrouwen zelf. Ze mochten niet studeren aan de Royal Academy, maar kregen les van de gevestigde namen. Daaruit ontstonden blijkbaar allerlei relaties, want het was Jackson opgevallen dat er meer vrouwelijke kunstenaars en artiestenkoppels in Scandinavië waren dan elders. Wat de kunstenaars ook deden was rekening houden met de markt. Er werden ‘feelgood’-werken gemaakt, inspelend op het nationalisme dat in die dagen de sfeer bepaalde. Van landschappen, zonnige dagen aan het strand, tot het gezellige gezinsleven. Op mijn vraag dat de geportretteerden geen geld hadden om die doeken te kopen riposteerde Jackson dat de gegoede burgerij ook ‘warme gevoelens’ had voor de lagere klassen.

Daarna mochten we een uurtje of twee wat voor ons zelf doen. Rondkijken bij Matisse, bij Franse kunst of lunchen. Het werd lunchen en met een sandwich kip en een flesje water was ik na koud anderhalve dag alweer door mijn kronen heen, want Denemarken is een duur land. Waarna er zonder Deens geld weinig anders overbleef dan in de tuin wandelen, maar het regende dus ging ik in de moderne uitbouw tussen delen van het Statue of Liberty zitten gamen.

Omdat ook bij de Hirschsprung Collection niemand open deed merkte ik op dat dit ‘de reis van de gesloten deuren’ was. Een poëtisch statement dat meteen in de prullenbak kon omdat iemand aan de zijkant op zijn Deens riep dat we ‘hiero’ moesten zijn. Het klonk als hjurro. Wij daaro heen, dwars door het natte gras, behalve collega M. van De Telegraaf die haar schoenen wilde sparen. Zij liep een stuk om. Mannen kijken daar van op. Die banjeren rustig in hun Armani door kniehoog slijk als het moet.

Heinrich en Pauline Hirschsprung waren collectioneurs die de kunstenaars soms financieel bijstonden. Artistieke stimulatie kwam van iemand als Eckersberg, docent aan de Royal Academy. Hij duwde andere kunstenaars de moderniteit in. Onder meer met de opmerking dat je niet moest kijken of een schilderij goed was, maar of het eerlijk was. Blijf bij jezelf. Probeer niet mee te gaan met stromingen of mode, maar doe wat je denkt dat je moet doen. Zoiets had Manet ook gezegd.

 
 
Als rechtgeaarde Groninger, opgegroeid met slaag en regen, heb ik een fascinatie voor ellende, desolate landschappen en ‘grote tragedies’ en ik werd geïntrigeerd door ‘The murder of a child’ van Erik Henningsen. Over een vrouw die haar maatschappelijk ongewenst kind vermoordde. Het doek zou niet in het Groninger Museum te zien zijn. Volgens Jackson was het te depri en er zou genoeg gloomy stuff uit Zweden te zien zijn.

Daarna volgde een borrel bij de ambassade, moesten we naar het hotel om alle gekregen kunstboeken in de bagage te doen, gingen we eten en togen naar het station voor de nachttrein naar Stockholm. Op die trein bleek geen Wi-Fi, zodat mijn verslag van Dag 2 pas op Dag 3 op de Gezinsbode-site verscheen.

Dag 3


De nachttrein was een drama. Een eerste klas coupé met eigen douche en wc klonk spectaculair, de praktijk bleek minder romantisch, want beide bevonden zich op dezelfde vierkante meter. Er hing ook nog een föhn. Bijna niemand deed een oog dicht, behalve collega J.. Ook collega P. niet, maar hij, met zijn 1,97 meter de langste man in het gezelschap, slaagde er wel in zich te douchen. Hij vond het zelf minder bijzonder, gezegend als hij in zijn eigen woning in hartje stad was met ‘het kleinste badkamertje van Groningen’. We noemen hem nu Houdini.

Met bloeddoorlopen ogen en knallende hoofdpijn lopen we naar Hotel Scandic, tegenover het hoofdstation. Van de verwachte Zweedse Gründlichkeit bij de spoorwegen is weinig te merken. Niemand controleert tickets, niemand komt ons wekken en niemand doet een poging ontbijt te brengen. Dus doen we dat, met de treinvouchers, in dat hotel. Daar blijkt een wc te zijn met een codeslot! Nooit eerder gezien. Daar word ik zenuwachtig van. Stel dat je een aanval kreeg van buikgriep. Stond je met dichtgeknepen billen te zoeken naar het papiertje met de vier cijfers. Het is trouwens 4363, voor wie toevallig in de buurt is en zich niet helemaal lekker voelt. In het eigen hotel, eveneens van Scandic, kwamen we bij door even te gaan werken, te Facebooken of verkiezingsnieuwtjes te googelen, in Nederland was het immers Election Day.

De eerste activiteit om elf uur: Nationalmuseum, Stockholm. Dat levert zo’n twintig werken. Nordic Art omvat in totaal 160 stukken en volgens researcher Hannah is dat een zeer krappe selectie. Jackson had liever 220 gehad. Het Nederlandse gezelschap werd rondgeleid door conservator Per. Per schrok van het aantal van elf mensen dat plots voor zijn neus stond, maar deed niet moeilijk over de camera van collega R.. Hij kon filmen wat hij wou en het had niet veel gescheeld of Per had mee helpen tillen.

 
 
De entree van het museum is opgesierd met immense muurschilderingen en daarna hoefde ik eigenlijk niks meer te zien. Vooral indruk maakte het befaamde Midvinterblot (‘Midwinteroffer’) van Carl Larsson. Het werk uit 1915 is gebaseerd op verhalen uit Noordse saga’s, zoals de Ynglingatal, waarin de Zweedse koning Dómaldr werd geofferd na een aantal jaren van slechte oogsten. Een kunstwerk ook met een verhaal (Midvinterblot).

Aan de muren in Stockholm tevens een Rembrandt, volgens Per de enige mural die de heer Van Rijn ooit heeft geschilderd. De titel: ‘The Conspiracy of the Barbarians under Claudius Civilus’. Als vanzelf werden we daar naar toegetrokken, maar daar kwamen we niet voor. Wel voor ‘Midsummerdans’ van Anders Zorn en ‘Getting ready for a Game’ van Bruno Liljefors. Iconen in de Scandinavische kunst. Jackson merkte op dat het normaliter vrij moeilijk is iconen los te weken. Iedereen begint te huilen bij het idee alleen al. Voor Nordic Art doet niemand moeilijk. Per had een sluitende verklaring: ‘Wij hebben eigenlijk geen iconen en wij zien de mensen graag huilen.’
 
 

Zorn en Liljefors zijn twee van de drie ABC-kunstenaars, zeg de top drie van Scandinavië. De derde plek is voor Larsson, wiens voornaam met een C begint. En ook vandaag benadrukte Jackson het nut van een klassieke scholing. Wij hadden hem al ingewijd in de mores in Groningen, waar de klassieke academie is opgericht omdat op Academie Minerva vooral het concept-denken wordt onderricht en aankomende kunstenaars geen ambacht meer leren. De gastconservator vond: je moest eerst de ‘grammar’ kennen en daarna kon je er mee doen wat je wou. Hij wees op een vijfluik van Liljefors met een Rien Poortvliet-achtige thematiek. Een vogeltje, een kat en een kat die een vogeltje dood wil maken. Met geen mogelijkheid een spectaculair onderwerp te noemen, maar enorm populair, dankzij de sheer quality.

Sheer quality zou een te enthousiaste kwalificatie te zijn voor het voedsel in het restaurant, maar het gehaktbrood met aardappelpuree en zure besjes was wel typisch Zweeds en op zijn Gronings gezegd ‘goed binnen te houden’. De twee vrij uurtjes daarna waren een vreemde gewaarwording na de hektiek van gisteren toen we met tassen met dikke boeken (sommige collega’s hadden zelf ook nog dikke boeken gekocht) van hot naar her liepen. Toen Jackson vroeg wat ik ging doen, antwoordde ik: ‘I am going to walk around in mijn dooie akkertje’. Het voortdurend omschakelen van Nederlands naar Engels en van Engels naar Nederlands is soms verwarrend. Het komt regelmatig voor dat we als Nederlanders in het Engels tegen elkaar staan te wauwelen.

Ik liep wat door het museum. Dat gaf een beetje vakantiegevoel, want dan deed je dat soort dingen. Daarna zat ik een uurtje op een bankje naar het water te kijken, want daar is in het dagelijks leven helemaal geen tijd voor.  Ik had er best langer willen zitten, maar we moesten naar de Nederlandse ambassade, alwaar Filip (Flip) de Heer net twee weken geïnstalleerd was. Wij waren zijn eerste groep en het ontvangst was allerhartelijkst. Collega P. spotte een Willem Hussem bij de entree en dat bleek het lievelingswerk van de ambassadeur. We mochten overal rondkijken, ook in zijn privévertrekken en het gesprek kwam op onze eigen kunstminnende koningin. Wij hoorden dat haar paleis volhing met eigentijdse kunst en wat hij verder vertelde was staatsgeheim. Omdat ik daaraan niet gehouden ben kon ik meedelen dat Beatrix van bitterballen houdt. Dat had ze een keer gegeten in het restaurant van de Fraeylemaborg in Slochteren. De waard, die ik goed ken, was van plan om zijn beste beentje voor te zetten bij de Koninklijke lunch, maar dat hoefde niet: Bea wilde bitterballen. Het boekje van de ambassade liet ik aan me voorbijgaan: ‘Mén, we are already stikking in de boeken’.

Hannah bekende dat ze ons een grappige groep vond: eenderde Indiana Jones, eenderde Dogma en eenderde Jacques Tati. Zo ging dat dus: wij denken dat we ons perfect normaal gedragen en zij denkt: het circus is in de stad.

Dat kwam onder meer door onze uitspraak van Wi-Fi, het toverwoord van deze persreis. In om het even welk gebouw, instelling, station, kroeg; de eerste vraag is steevast: ‘Heb jij Wi-Fi?’ Zij dacht aan een running gag, aangezien alleen senioren in Denemarken Wi-Fi uitspreken als Wie-Fie. Je moet zeggen: Wai-Fai. Zoals Hi-Fi. Bij het uitzwaaien gaf de ambassadeur nog een leestip aan ondergetekende: Paul de Wispelaere en de anderen moesten er op toezien dat ik dat ook echt ging lezen. ’s Avonds bleek dat een biertje hier inderdaad duur is, omgerekend zo’n acht euro en daarna concentreerden we ons op de verkiezingen, want dankzij Wai-Fai is de verkiezingsuitslag ook hier trending topic.

Dag 4


Zoals wij Bea hebben, zo hadden de Zweden Prins Eugéne. Lid van de koninklijke familie en kunstminnend. Over de kwaliteiten van onze vorstin als beeldhouwer heb ik geen mening, maar Eugéne kon echt goed schilderen. Daarnaast verzamelde hij en steunde kunstenaars. Om al die activiteiten op een plek te brengen wilde hij een buiten en als je geld hebt laat je dat bouwen. Het landgoed Waldemarsudde, gelegen op een van de eilandjes die Stockholm rijk is, begon in 1900 en was vijf jaar later klaar. Het is tegenwoordig een museum en er komen jaarlijks 200.000 bezoekers. Evenveel als het Groninger Museum gemiddeld boekt. Waldemarsudde leek mij een mooie plek om te werken, maar volgens collega P. zou ik hier niet gelukkig worden: ‘Nee man. Je zou je hier te pletter vervelen.’

Misschien, maar ik woon met plezier in Slochteren, ook niet bepaald het centrum van de wereld. Eugéne hing zijn residentie vol kunst en nodigde de intelligentsia uit voor diners en intellectual meetings. De schoonheid van ex- en interieur, omgeven door een tuin met de afmetingen van het Wiener Wald, was dermate dat de prins zichzelf af en toe bij de kladden moest grijpen om decent werk te maken. Anders bleef het bij sitting and staring as an idiot.

Tijdens de wandeling van hotel naar tramstation dacht ik: met de sfeer in de groep zit het wel goed. Het woord ‘reünie’ viel al. Aan de oevers bij Waldemarsudde dacht ik echter: dit zit helemaal niet goed. Collega R. van Villa d’Arte en collega J. van Trouw hadden het over de vogels bij het water. Merkwaardig, dacht ik, de een weet alles over klassieke muziek en opera in het bijzonder, de ander promoveert binnenkort op een mij onbekende Franse fotograaf en leest ’s ochtends in de lobby de Herald Tribune, maar of die beesten, op nog geen vijf meter afstand, zwanen of ganzen zijn, daar kunnen ze het niet over eens worden.

 
 
De directie van Waldemarsudde is genereus in de uitlenerij voor Nordic Art. Uit de collectie van meer dan zevenduizend stukken worden bijvoorbeeld twee werken van Carl Larsson uitgeleend, alsmede Gaslisa van Ernst Josephson. Collega P. van RTV Noord had meegekregen dat de kunstenaar had gezegd: ‘Of ik word de Rembrandt van Zweden of ik sterf.’ Zoiets moet je nooit roepen en het is hem ook niet goed gegaan. Van Eugéne zelf komt een topstuk naar Groningen: Det gamla slottet. Oftewel: het oude huis. Een schilderij dat de eenzaamheid verbeeldt. Het is een van zijn twee bekendste schilderijen en ook op Waldemarsudde doen ze niet moeilijk over het uitlenen van iconen.

Daarna was er koffie, met iets erbij, zoetigheid en gebak. Ik ben meer van de hartigheid, maar omdat je nooit weet wanneer je weer te eten krijgt nam ik twee dingen. Daarna hadden we weer een uurtje vrij voor een wandeling in de tuin, langs een van de 44 denkers die Rodin heeft gemaakt en langs de bloementuinen waar de bloemen werden gekweekt voor de bloemenkamer en dat waren weer de bloemen die Eugéne in zijn tijd mooi vond. Ik weet niet wat voor bloemen. Je kunt niet overal verstand van hebben en ik weet niks van bloemen.

Tijdens de wandeling naar de rozentuin voor de lunch passeerden we een juffrouw van de gemeentewerken met een handmaaier. Die stopte toen we langsliepen. Logisch, dacht ik, het gras wordt met gloeiend geweld in het rond gezwiept en het zou best kunnen dat er net iemand zijn hond heeft uitgelaten. Het park was groot en de bewegwijzering in het Zweeds, dus bleef voor de lunch slechts tien minuten over. Om twee uur werden we immers in het Strindburgmuseum verwacht en Denen mogen dan zelf graag te laten komen, als anderen het doen, is dat een belediging. De schade bleef beperkt tot tien minuten, toen stonden we bezweet in het Strindberg Museum.

De voormalige woning van een van Zwedens beroemdste zonen is helemaal gewijd aan August Strindberg. Er was een overzichtsexpositie, want het is precies honderd jaar geleden dat hij overleed. Strindberg is iemand die nauwelijks introductie behoeft: toneelschrijver, schilder, fotograaf, schrijver, vrouwenhater, gek, socialist, revolutionist, essayist en internationalist. En o ja, hij heeft geprobeerd goud te maken en was drie keer getrouwd: twee keer met een actrice en een keer met een journaliste. Een gedurfde score voor een ‘vrouwenhater’. Strindberg heeft over tal van kwesties ‘scherpe dingen’ gezegd, maar vanuit het museum werd dat niet ontkend of goedgepraat. Gids Erik: ‘We zijn geen Strindberg-fanclub.’

Ondanks dat zijn opvattingen tot op de dag van vandaag verdeeldheid veroorzaken, waren er vijftienduizend mensen die hem toezwaaiden op zijn vijftigste verjaardag en bij zijn begrafenis, hij overleed op 63-jarige leeftijd, stonden er vijftigduizend man langs de weg, in 1912 eenvijfde van de totale bevolking van Stockholm.

Op een persreis als dit ontmoet je als Groninger, wonend aan het einde van de wereld en verstoken van alle trends, eindelijk mensen die wel weten hoe het moet. Zoals met twee duimen typen op je iPhone in plaats van een. Zoals ik het deed, meenden enkele collega’s, leek dat een beetje vreemd. Ik deed mijn best, maar keek wat raar op toen er ‘Beetjoven’ stond en ‘…ze was tien toen hij dood gong’. Het driekamerappartement van Strindberg was overigens modern voor die tijd. Er zat van alles in: cv, lift en wc. Alleen een ding miste. Wi-Fi dacht ik, maar het bleek een keuken.

 
 
Waarna een snelle blik volgde op een beeld van Strindberg vijftig meter verderop in een park. Beautiful, zei ik. Onvervalste homo-erotiek, zei collega R. Ik heb ze mooier gezien, zei collega P.. Waarna alweer de bus wachtte naar de veerboot, voor de oversteek van Stockholm naar Helsinki. Een geheel nieuwe ervaring. Die dingen had ik tot vandaag alleen gezien in series als Love Boat en ARD-documentaires over het Nord-Ostsee-Kanal. Twaalf verdiepingen, een winkelpromenade, een casino, meerdere bars uiteraard, liften, alles zat er op en eraan. Ik liep er rond als Sjakie in de Chocoladefabriek. Ook al hebben we veel moois gezien en is het nog afwachten wat morgen het nationaal museum Ateneum en het huis van Akseli Gallen-Kallela brengt (de tijd om een blog te schrijven ontbreekt dan), de twee uurtjes op het zonnedek, onderwijl de boot bij ondergaande zon door het eilandrijke kustgebied voer, vormden het hoogtepunt van de reis.

Epiloog

 
We schrijven het jaar 2022. Het cultuurlandschap in Nederland is voorgoed veranderd. De mores worden bepaald door een select groepje mensen; figuren die de een na de andere internationale prijs in de wacht slepen met hun werk en die dicteren wat wel of niet kan. Zelfs in het Calvinistische Holland worden ze Godenmensen genoemd.

Zoals scenarioschrijfster Maaike S., voorheen kunstredacteur van De Telegraaf. Ze verzette de bakens in Nederland Toneelland met de vijfakter ‘Wachten op Wi-Fi’, een fenomenaal geschreven abstract-minimalistische play over een groep mensen die ergens op een trap van een museum zit te wachten. Het is niet duidelijk waarop ze wachten, maar de dialogen gelden inmiddels als een standaard in de internationale toneelwereld. Er is Staffhorst vaak gevraagd of de groep misschien wacht op God. Haar antwoord is dan steevast: ‘Nee, dan had ik het wel Wachten op God genoemd.

Marijke B., die tot 2012 voor het Dagblad van het Noorden werkte, is al jaren een celebrity in Nederland. De geëngageerde Godmother of Modern Journalism schreef talloze boeken over lifestyle, met vegetarisme als speerpunt. De basis voor haar immense oeuvre is het idee dat een mens zich niet steeds hoeft uit te spreken voor het een OF het ander. Iemand kan in een restaurant ook zeggen ‘I prefer vegetarian’. Daarmee haalde ze het vegetarisme uit het verdomhoekje en opende ze en passant ook voor andere subculturen (‘I prefer being gay’) de deuren en slechtte ze de grenzen tussen alle gezindten en stijlen. Ons land is sindsdien niet meer hetzelfde

Joke de W., begonnen bij dagblad Trouw, schreef een zestiendelig standaardwerk over obscure Franse fotografie. De kloeke publicatie degradeerde de Bijbel in een klap tot een inderhaast in elkaar geflanst stripboekje. Overbodig te zeggen dat ze in het land van kaas en wijn overladen is met prijzen en nu in Parijs doceert. De Wolf maakte tevens naam door in haar eentje in een kleine schouw non-stop drie keer de wereld over te zeilen, met een minimum aan equipment. Onderweg pikte ze een huilende Henk van der Velde (‘boehoe, ik heb zo’n heimweehee!’), tot dan de goeroe van de vaderlandse zeilwereld, op in de Noordelijke IJszee en zorgde dat hij weer veilig thuis kwam. Van der Velde werkt sindsdien op de visafslag in Zoutkamp.

Pieter de H. kreeg als eerste Nederlander, als eerste buitenlander überhaupt, de prestigieuze Pulitzer Prize. Na jaren van onderzoek in Cuba, Rusland en Amerika, slaagde hij er vijftig jaar na dato in de moord op John F. Kennedy eindelijk op te lossen. Een prestatie die zijn weerga niet kent in de journalistiek. Zelfs Woodward en Bernstein vonden dat hun stukjes over Nixon het niet haalden bij het werk van De Hart.

Een van de beroemdste aanslagen uit de wereldgeschiedenis bleek uiteindelijk toch op een misverstand te berusten. Lee Harvey Oswald was aan het jagen in Dallas, spotte een fazant op het gras en juist op het moment dat hij vuurde, reed plotseling de wagen met Kennedy voorbij.

Roy Z. won drie Oscars voor zijn trilogie De Reis, De Nacht, De Verdwijning. Een beklemmende reeks, die wereldwijd in de bioscopen 1 miljard dollar opbracht. Een verhaal over een filmmaker die tijdens een bootreis verdwijnt. Op de ochtend van aankomst ligt in zijn cabine alleen een pakje shag, een portemonnee en onder het opklapbed een paar flesjes vodka. De man wordt nooit teruggevonden. Op de vraag naar het autobiografische element in de drieluik verzucht Zwier doorgaans: ‘Hoe kan een film over een verdwijning nu autobiografisch zijn?’

Rene S., autoriteit op eenzame hoogte op het gebied van klassieke muziek en opera,  voltooide na tien jaar de Unvollendete van Beethoven. Daar ging een uitputtende speurtocht door alle archieven van Duitsland en Oostenrijk aan vooraf. Het werk, dat inmiddels in elk land is uitgevoerd, heet sindsdien ook geen Unvollendete meer, maar ‘Witte zwanen, zwarte ganzen’. Naar later bleek bepaalde hij ook de mode in de straten van Denemarken, Zweden en Finland, waar op zeker moment in 2012 mannen hun hoedje omgekeerd gingen dragen.

Anne Carlijn K. wordt de Oriana Fallaci van Nederland genoemd. Een keiharde journaliste. Ze doorbrak de hegemonie van persvoorlichters door de spindoctor van Mark Rutte (die halverwege het kabinet Rutte 6 was) af te kappen met: ‘IK stel hier de vragen’. Sindsdien is de verhouding van een journalist op vijf voorlichters verleden tijd. Het vaderlandse journaille kan dankzij Kok weer normaal haar werk doen. De in Groningen opgeleide vrouw had al indruk gemaakt door cum laude haar studie Nederlandse Letterkunde af te ronden met een proefschrift over het woord ‘Hertje’.

Josee S. presteerde het onmogelijke door met een pr-campagne die zijn weerga niet kende, de economie van Egypte als Vierde Weg te verkopen. Het land geldt sindsdien als het rolmodel voor andere economieën en drukt de Verenigde Staten, China, Rusland en India al jaren van de eerste plek als meest toonaangevende land op onze aardbol. Noord-Korea dingt al jaren naar haar gunsten, met bedragen van meer dan zeven nullen, maar Egypte blijft haar land.

Wat deze mensen kenmerkt is dat als gevraagd wordt naar een beslissend moment in hun leven, zij alle verwijzen naar een persreis naar Kopenhagen, Stockholm en Helsinki, die ergens in 2012 plaatsvond. Daar deden zij de kennis en ervaring op die hun aan de top op hun vakgebied bracht.

De trip kende overigens nog een deelnemer, Herman S., verslaggever van een bokkeblaadje. Bij terugkomst kreeg hij meteen op zijn donder van zijn chef die hem toeblafte dat de lezers niet zaten te wachten op een journalist die lyrisch is over een bootreisje: ‘Kom eens een keer met een goed verhaal man.’ Hij raakte zijn baan kwijt en in een poging de gebeurtenissen tijdens de reis te duiden ook zijn verstand. De man raakte aan de drank en drugs en schijnt ergens in het Noorderplantsoen te wonen. Op zonnige dagen kan men hem daar op een bankje zien zitten. Het enige verstaanbare geluid dat hij nog voortbrengt is ‘Ik heb Wi-Fi, ik heb Wi-Fi…’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen