donderdag 17 september 2015

Het was goed om weer in Stadskanaal te zijn. De Kwinne, het jongerencentrum waar mijn nieuwe boek (De eeuwige Veenkoloniaal) ten doop werd gehouden, is een magische naam uit mijn jonge jaren. Nog nat achter de oren maakten we kennis met de bands die er toen toe deden: Claw Boys Claw, Fatal Flowers, De Boegies en Rooie Rinus en Pé Daalemmer.

We dronken er bier uit de fles en – dat was ik vergeten, maar mijn vriend Jaap herinnerde me er aan – we aten er tosti’s. Tenminste, als ze niet op waren. Of als de dienstdoende barman geen zin had ze te maken. Dat was ook mogelijk. Je moest bier drinken en verder niet moeilijk doen.

Jos, de huidige beheerder, schudde het hoofd, toen ik vanaf het podium vroeg of ze nu ook nog tosti’s maakten.

,,Bitterballen den?’’

,,Ook nait.’’

De presentatie was zoals ik had gehoopt. Het publiek bestond uit een handjevol stadse celebrities, de burgemeester van Slochteren, een handjevol familie, een handjevol vrienden die ik in een jaar en in sommige gevallen in 25 jaar niet had gezien en en een handjevol mensen dat gewoon was komen aanwaaien. Tot en met een nichtje van mijn moeder bij wie mijn vrouw en ik op een goede dag Spezzantino gaan eten.

Ik ben altijd bang dat op het moment van aanvang van zo’n presentatie de uitgever en ik elkaar angstvallig aankijken. Dat bleef ons bespaard. Goed, het was geen Project X, maar er was volk zat. Meindert Talma zong de liedjes waar ik op had gehoopt, Bert Wagendorp zei dingen over mij die ik nog maar eens goed moet nalezen, ik las twee stukjes voor en nu ligt er weer een boek.

Tot mijn genoegen zag ik dat mijn oudste zoon voor aanvang in een van de banken hing, zoals het een jongere in een jongerencentrum betaamt. De Kwinne betekent dan ook (t)huis.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen