woensdag 25 mei 2016

Een bekentenis. Het is mogelijk dat wij elkaar morgen, volgende week, op een dag ooit, treffen. En dan kan het zijn dat u zegt: ik ruik iets. Drank. Schrik niet. Ik ben dan niet lam. Of ontoerekeningsvatbaar. Het kan zijn dat ik net één glaasje wijn heb gehad. Of jenever. Of whisky, port, whatever. Dat vind ik soms lekker, ook al is het geen zaterdagavond, of staan we op een feestje of zijn we aan het barbecuen, maar is da top een ongebruikelijk uur.

Daar doen we in Nederland nogal krampachtig over, geloof ik. Althans, je hebt zo een naam. Een zoepsteern, zoiets. Altien doen. Terwijl dat niet hoeft te zijn.

Ik kom tot deze bekentenis, omdat ik vandaag aan Mangup Milko, mijn boek over de Macedonische voetballer Milko Djurovski, heb gewerkt en ik schreef aan de scène waarin ik Nenad Bjekovic spreek, in een klein café in Belgrado, waar vooral aanhangers van Partizan Belgrado komen, de club waar onze held speelde alvorens hij naar FC Groningen kwam.

Het is maandagochtend 7 maart, half twaalf, Bosko Djurovski heeft mij aan de oud-Partizan-trainer voorgesteld en ik zet nit of Milko’s oudere broer vraagt: ,,Slivovitsj, Herman?’’

Hij neemt er zelf ook een en Bjekovic gaat aan de Jack Daniel’s.

Ik had nauwelijks ontbeten, de geur van tandpasta hing nog in mijn mond en mijn haren waren nat van het douchen, maar vond het onbeleefd om ‘nee’ te zeggen en bovendien: ik spuug er inderdaad niet in.

Het liep daarna wat uit de hand, omdat na die ene nog een paar volgden en we na een uurtje afscheid namen van Bejkovic om daarna te gaan lunchen met Dusan Savic, oud-spits van Rode Ster Belgrado, maar ik voelde me opvallend goed. Ietwat licht in mijn hoofd, dat wel, maar verder als een zonnetje.

Terwijl ik vanochtend bezig was die ontmoeting te beschrijven, zag ik dat het 11.00 was en ik kreeg zin. Om in de stemming te blijven schonk ik een jenever in. Dat drink ik soms. Uit de diepvries. Het hoort eigenlijk niet, want je bevriest de smaak, maar bij bier is het heerlijk.

Al schrijvende en nippende voelde ik me al vrij snel intens licht worden. De alcohol deed zijn werk op de ook nu zo goed als nuchtere maag en mijn vingers rausden over het toetsenbord.

Als ik écht alcoholist was geweest dan was het niet bij die ene gebleven, dan was de fles leeg gegaan. Maar dat deed ik dus juist niet. Ik liet het bij één glaasje, stopte om kwart voor twaalf met tikken, ging me douchen, haalde de jongste op van school, warmde de soep van mijn vrouw van gisteren op en schoof om één uur weer achter de laptop.

Wij, en wij niet alleen, gaan graag op vakantie naar Frankrijk. Een van de reden is het mooie weer, de andere is de benadering van het leven daaro. Op de camping, op een terras voegen wij ons naar de mores van de streek. Dan zitten we net als de locals vroeg aan wijn, pastis of calvados. We hebben tenslotte vakantie en dan fantaseren we over emigreren, stoppen met werken en wat al niet meer en we spreken hardop uit dat we best jaloers op die Franzosen zijn. En op Spanjaarden en Italianen en ook op inwoners van Servië. Die leven meer bij de dag, intuïtiever, begeven zich meer buiten dan binnen de lijnen van wat hoort en wat niet en het is net of ze daardoor meer genieten. Daarover filosoferen wij dan, onder het genot van een glaasje bij de lunch, of nog eerder en dan zeggen we: eigenlijk moeten wij dat ook meer doen, genieten.

Maar we doen het nooit.

Ik heb vandaag een stapje in die richting gedaan. Ik ben nu vijftig, ik maak keuzes. Ik laat me niet meer alles aanleunen, doe steeds minder dingen waar ik geen zin meer aan heb, laat de sociale conventies vieren en ik doe daarentegen meer dingen waar ik wel zin aan heb. Zoals soms een glaasje op een laten we zeggen ongebruikelijk tijdstip. Dan kan het dus zijn dat, als wij elkaar net daarna tegenkomen, dat u denkt: goh, die vent stinkt naar drank.

Klopt, maar ik ben dan niet dronken.

Ik leef.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen