donderdag 19 mei 2016

Op een plek langs het Slochterdiep staat een groep bomen. In een soort rechthoek. Het ziet er uit als een spirituele plek. Dat zou kunnen, maar dat is het denk ik niet. De bomen bakenen de grens af van het erf van een boerderij die er niet meer staat. Die was eerst heel lang een ruïne en nu is het al heel lang een lege plek. Met bomen er omheen.

Die boerderij, daar keek ik altijd naar. Ik vond het mooi, zo’n verlaten huis. Van mij hadden ze het pand mogen laten staan, laten vervallen, totdat het op de een of andere manier ingestort was en vanzelf tot stof zou vergaan. Maar dat doen we niet. Dit is geen land van ruïnes.

Daar kun je geen regels voor verzinnen.

Als ik er langs reed, vroeg ik me af wie er gewoond hadden. Hoeveel generaties. Die boerderij stond er – schat ik – vanaf het begin van de vorige eeuw. Afgaand op de bouw zal het in de jaren tien of twintig zijn neergezet, zoiets.

Daar woonden dus mensen. Ze zullen gewerkt hebben, op het land om de boerderij. Er zullen kinderen geweest zijn. Die stonden als baby’s wellicht in een wiegje onder de bomen. Of in een box. Zodra ze konden lopen verkenden ze de buurt. Eerst alleen het erf, daarna het omringende land, de bossen, het water. Ze zullen zijn wezen vissen in het Slochterdiep. Een hengeltje van bamboe en pap, pap, help, ik heb een snoek aan de haak. Al is de vraag of pap, pap, tijd had om te kijken. ’s Winters wel, maar voorjaar en zomer niet. Ook toen was het dan druk.

Er zullen dieren zijn geweest. Katten, voor de muizen. Honden, om de wacht te houden. Ik zou op die plek willen kijken, of er dierengraven zijn. Moet haast wel. Al weet ik niet hoe lang botjes blijven liggen.

Seizoenen zijn er voorbij gegaan. Zomers en winters. Van avonden waarbij de mensen tot laat buiten zaten. Met een heldertje voor opa, een advocaatje voor oma, want die bleven daar ook wonen, terwijl de kinderen op hun rug in het gras naar de sterren keken, tot dagen waarbij het kraakte dat het vroor, met sneeuwpoppen maken, schaatsen op het dichtgevroren diep en warme chocolademelk bij de kolenkachel.

Ik weet niet wie er gewoond hebben, maar ik wil van hun levens weten. Hoe vonden de mensen het daar? Dachten ze na over de zin van alles? Of deden ze slechts hun ding? Omdat het toen nog niet zo gewoon was als nu, lang bij dingen stil staan. Alles wat je hoefde te weten stond in de Bijbel. Je stond vroeg op, werkte, zorgde dat er brood op tafel kwam en op tijd onder de veren, want de volgende ochtend ging vroeg de wekker weer.

Zullen er nu kinderen zijn, kleinkinderen, die naar elders zijn verhuisd en zich de boerderij zullen herinneren, de plek waar ze opgroeiden, waar ze kind waren, het land van hun jeugd?

Ik hoop dat ze warme gedachten bij die plek hebben. Dat ze toch wel wat met weemoed terugdenken aan de jaren des onschulds.

En ik hoop dat de bomen blijven staan en ooit, als die bomen maar lang genoeg blijven staan en heel groot worden, zal er over tientallen jaren iemand anders zijn die de plek opvalt. Die er gaat kijken, die zichzelf vragen stelt en die wellicht een botje vindt, van een dier dat er ooit begraven is, of een plastic pop, die lang geleden kwijt is geraakt en dan zal die iemand wellicht zeggen: goh, dit was een spirituele plek.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen