donderdag 12 mei 2016

We kregen ijsjes van twee collegameisjes. Nou ja, eigenlijk twee jonge vrouwen van rond en voor in de dertig. Als ik het goed heb. Maar collegameisjes wil ik dat er staat. Het waren rode ijsjes. Aardbei. Hoewel ik net een pakje melk op had, het was een uur of twee en ik eigenlijk niet zo’n waterijsjesman ben, pakte ik de traktatie aan. Ik pak altijd alles aan. Wat moet je?

Een aardige geste. Vrouwen doen dat. Die lopen soms ook de redactie op, met een doos moorkoppen. Of mondharpen. Die zitten op het groepsgevoel. Houden de boel bij elkaar.

Ik zou niet op het idee komen om zoiets te doen. Als ik jarig ben leg ik zakken snoep neer, regel kroketten bij de catering of bak een taart. Maar ik doe dat niet zomaar tussendoor. Net als de meeste mannelijke collega’s zit ik vooral grimmig naar mijn beeldscherm te staren. Soms hebben we een afspraak, soms bellen we wat, of googelen hier en daar. Op zoek naar nieuws. Dat ligt nog steeds gewoon op straat, maar vandaag niet. Althans niet in mijn gemeenten. Er kwam aldus weinig uit mijn handen.

Wel legde ik de basis voor een paar verhalen. Of het wat wordt weet je niet. Dat weet je nooit. Plannen genoeg altijd, maar het zwart op wit krijgen is een ander verhaal. Op vergaderingen hoor je onderwerpen soms weken voorbij komen in de planning. Zoveel te langer ze voorbij komen zoveel te zekerder weet je: dat wordt niks.

Het is ook gewoon niet mijn week. Ik loop mezelf nog steeds wat in de weg. Zoekend naar ik weet niet wat. Ik weet niet eens waar.

Al vermoed ik waar de lamlendigheid vandaan komt. Een combinatie van factoren. Aanhoudende schouderpijn, piketdienst en een talent voor somberheid. Ik zei ook niet eerst dankjewel tegen de collegameisjes, maar dat gekoeld bier ook lekker was geweest. Toen een gehuil van commentaar mijn deel werd, zei ik maar dat de ijsjes prima waren.

Toen klonk een sarcastisch: ,,Oh, dank je wel.’’

Tja.

We vergaderden vanochtend, ik had een afspraak om elf uur in de stad, dronk twee verse jus met iemand die ik in lange tijd niet had gezien en die mij voor iets had gevraagd waarover ik niks kan vertellen, vind ik en daarna speurde ik in de stukken van de gemeenten Loppersum en Bedum en wilde wat verder bellen en mailen en vragen, maar ik kwam niet zo goed los.

Om half vier zei ik tegen de coördinator: ,,Ik weet niet of je op mij rekent voor de krant van morgen, maar ik heb niks.’’

Toen klonk er gelach.

Dat snapte ik. Gelukkig is het bij het Dagblad van het Noorden nog steeds zo dat het kan dat je een dag niks voor je eigen editie kunt betekenen. Als je maar hoe dan ook bezig bent met verhalen. Op zich was ik dat wel.

Ik vond het leuk weer eens op het terras van het Feithhuis te zitten. Dat was lang geleden. Apart ook dat je niet tegen de achterkant van de Naberpassage aankeek, maar in de vrije ruimte. Daar waar ze bezig zijn met het Groninger Forum. Het gebouw waarvan nog steeds niemand weet wat het precies is. Ik in ieder geval niet. Al zal het er komen.

Heb ik verder nog wat beleefd?

Nee, vind ik niet.

Ik moest vroeg thuis zijn omdat de jongste onverwacht moest trainen met E1 en ik vanaf dat moment weer als butler/taxichauffeur fungeerde. Training zien. Wachten tot hij klaar was met douchen. Naar huis. Wat drinken. Hem beloven dat-ie alleen thuis mocht blijven als FC Groningen er op was –was niet zo- waarna ik weer naar Hoogezand reed om de oudste van hockey te halen. Ook daar zat ik de training te zien en ik zag de jongens C1 gemixt met de meisjes A1 een wedstrijd spelen en uit de kantine klonk muziek in de categorie ‘Bad Boys’, in ieder geval iets wat de jeugd van nu mooi vind en het was zo’n avond waarbij je tot lang in de zon kon zitten en ik was jaloers op al die jongens en meisjes die het leven nog zo voor zich hebben.

Ik zit nu op de bank en buiten is het nog steeds licht en de jongste zit te Fifa-en en de oudste gaat zo aan zijn huiswerk, rommelt wat in de vriesvak van de koelkast en ik hoor hem zeggen: ,,Hé, we hebben ook nog ijsjes, ja.’’

Ik weet welke kleur.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen