maandag 23 mei 2016

Ik zit in de auto, draaide de Groot Hemerterweg op, even na Ten Post en zet koers richting Delleweg. Het is even na half vijf in de ochtend en mijn vrouw heeft me half slapend gedag gezegd, met haar wijsvinger op haar voorhoofd.

De wegen slingeren door het platteland in Midden-Groningen en elke keer als ik vanaf Slochteren naar een dorp of streekje in mijn werkgebied rij, zit ik minimaal één keer bijna in de sloot. Zelfs als je groot licht voert blijft het voortdurend oppassen vanwege de bijna haakse bochten. Waarom ik hard rijd weet ik niet. De TomTom zegt dat ik keurig op tijd ben, ik kom zelfs steeds vroeger aan als ik de timer mag geloven en toch doe ik niet rustig. Het is mijn ingebakken streven om nooit te laat te komen.

Ik luister naar J.J. Cale, die zingt van ‘Carry On’, maar mompel tegelijkertijd ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind’. Die regel ken ik niet omdat ik de werken van Goethe heb bestudeerd, het is sinds ik voor de eerste keer ‘Lotgevallen rond een locomotief’ las, een van de avonturen van Arie Roos, Bob Evers en Jan Prins.
 
Prins zingt het als hij midden in de nacht met een rangeerloc door Mexicaans mijnbouwgebied rijdt.

Ik stop om tien voor vijf in een Onderdendam, bij het opgegeven adres. De huisnummers zijn niet goed te onderscheiden, dus ik kijk naar waar licht brandt, maar de man met wie ik heb afgesproken komt uit het huis ernaast.

Dat zie ik overigens als ik zijn hond ontwaar. Of meer precies haar lichtgevende halsband.

Het regent dat het giet en gedurende onze wandeling blijft het regenen als een gieter.

De afstand die we lopen is niet heel groot, zeg 500 meter, maar het gesprek omvat een universum. Van de positie van de aarde in het heelal, via het waarom van de namen van de drie Middeleeuwse kerken die we deze keer niet kunnen zien, tot nut en noodzaak van Fluitekruid.

Het opschrijfboekje kan ik na drie zinnen opbergen, kleddernat en er zit weinig anders op dan het interview met de iPhone op te nemen. Onderweg krijgt de hond een schop. Niet heel hard. Ik denk eerst dat het is om hem bij weidevogelnesten weg te houden, maar het is om te voorkomen dat hij in het grasland poept. Boeren willen dat niet. Die vrezen voor de bacteriën in die poep, al is dat volgens de man onzin.

Toch houdt hij er rekening mee. Met een papieren zakdoekje pakt hij de drol op, om hem, met papieren zakdoekje en al, aan de andere kant van het pad in de sloot te gooien.

We staan nog even stil voor het hoogholtje over het diep en nemen afscheid. Ik ben drijfnat, rijd dezelfde weg terug en stap om zes uur mijn eigen huis weer binnen. Ik kan nog één uur slapen tot de wekker gaat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen