woensdag 20 april 2016

Schrijven doe ik, zittend aan de keukentafel. Al heel lang, sinds jaren, met de rug naar het raam, waarom weet ik niet. Zo heb ik meerdere boeken geschreven. Op de laptop, aan de keukentafel, rug naar het raam. Hoeveel boeken? Weet ik niet. Stuk of wat, ieder jaar één. Minstens vijf.

Omdat ik meestal ’s avonds schreef en het donker was, had ik geen last van het licht. En dit jaar ook niet zo. Tot deze week, vorige week, die week daarvoor. Ik merkte dat ik lastig op het scherm kon kijken. Welke stand ik ook probeerde, het bleef vaag. Ik denk niet dat het licht in Midden-Groningen is veranderd, wel mijn momenten van schrijven.

Dus zit ik sinds vandaag aan de overkant van de tafel, aan de overkant van mezelf. Met de rug naar de gang, kijk ik naar het raam en naar de stoel waar ik nu niet meer zit. Al zie ik mij nog zo zitten.

Of ik aan deze kant blijf weet ik niet. Ik neig ook naar een andere tafel in de kamer. Tegen een blinde muur, maar wel met aan de zijkant zicht op onze vijver, onze tuin, het Kleine Bos. Ik ken mezelf: dan kom ik weinig aan schrijven toe. Dan ga ik naar buiten zitten kijken.

De nieuwe plek aan de keukentafel moet wennen. Dat is altijd zo. Alles moet altijd wennen. Tot het gewoon is.

Ik kijk naar mijn scherm en daar overheen naar het raam, dat omkaderd is door een wit kozijn. Het is een rechthoekig raam, met links een inzetraam dat open kan. Daarvoor is het nog te koud. Op de vensterbank staan zes dingen. Rechts vier witte kaarsenstanders naast elkaar. Twee brede aan de buitenkant, twee smalle in het midden. In de brede zitten kaarsen. Die hebben wij soms aan. Vooral als er visite komt. Er zit gestold kaarsenvet op die buitenste twee. Tussen de middelste kijk ik uit op twee konijntjes. Van steen, porselein, zeg het maar. Ze zitten op hun achterste en kijken mij aan. Althans, de koppen van de beeldjes zijn op mij gericht. Daar zit verder geen emotie of zo in, want het zijn dingen. Ik kan terugkijken wat ik wil, zij bewegen niet.

Aan de linkerkant staat één bloemenvaas, opgebouwd uit zes kleine bloemenvaasjes. Design. Mijn vrouw heeft daar oog voor. In alle vaasjes zit een bloem. Iets wits, geen idee welk type. Ik werk veel in de tuin, maar dat is vooral omgraafwerk, de grote lijnen. De finishing touch, dat doet mijn vrouw. Dat kost meestal een paar centen, maar dan heb je ook wat.

Helemaal links op de vensterbank staat onze huistelefoon in de houder. Die gebruiken we zelf nooit, maar we hebben een aansluiting en soms bellen mensen die verkeerd verbonden zijn. Voor hen is het handig dat ze weten dat wij niet degene zijn die ze moeten hebben. Dan bellen ze niet weer. Ook voor ons is het handiger, al was het rustiger toen we geen huistelefoon hadden.

Door het raam zie ik ons hek. Jaren geleden met de buurman opgebouwd. Tropisch hardhout en betongaas en daar groeit dan Hedera tegenaan. Gaat nooit weer af. Duurzamer kun je het niet krijgen. Saillant detail: toen ik in Winschoten in mijn eentje op een flatje woonde, was dat in de Hedera-buurt. Mijn straat was de Hyacintstraat. Daar denk ik soms nog aan. Je was jong en je wilde wat en er waren veel meer jongens en meisjes van mijn leeftijd die in die tijd van alles wilden. Aan het Marktplein in de Rozenstad waren ook allerlei cafés en discotheken waar je van alles kon willen. Tot zo laat je wou. Ik heb nu niks te klagen, maar als je me vraagt: was je gelukkig daar, dan is het antwoord: ja.

Boven het hek steken bomen uit. Bomen in de tuin van de buren en daar weer achter een blauwe lucht. Een vlekkeloze blauwe lucht. Het is weer voorjaar. Ik blijf hier zitten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen