dinsdag 19 april 2016

Mijn oog viel op het gezicht van een vrouw, bij de onderkant van een heg van een tuin op een T-splitsing, ergens in het dorp waar ik moest zijn. Daar bleef het niet bij. Aan het hoofd zat een lichaam dat op de knieën zat, maar dan voorovergebogen en voor haar stond een doos. Een bruine kartonnen doos. Ze had zwart haar, in een staart, een donkerblauwe jas, zwarte of donkerblauwe broek, witte gymschoenen maar dat gok ik en een Aziatisch voorkomen.

Al die onderdelen van de situatie zag ik eigenlijk niet in een keer, maar vielen als puzzelstukjes ineen terwijl ik de bocht omreed. Eerst het besef: hé, daar zit iets. Daarna: dat is een mens en weer een onbenoembaar deel van tijd later, ik vermoed het zoveelste deel van een nanoseconde, want ik werkte met de snelheid van licht, was er de constatering dat ze daar iets zat of lag te doen. De juiste term voor haar houding moest ik mezelf schuldig blijven. Hurklig, liggend op de knieën, zoiets.

Dat ik de informatie van de waarneming niet in een keer rond had als een compleet verhaal, realiseerde ik me op weg naar huis. Ik stond in de stand dat je iets zag en het dan meteen begreep, maar nu besefte ik dat de tijd een factor was in het bevatten van deze waarneming. Als een opeenvolging van besefjes. Een oude Mickey Mouse-film die langzaam op de juiste snelheid komt. Zo’n boekje waarvan je de hoeken van de blaadjes snel achter elkaar laat flippen, zodat de tekeningen in die hoeken tezamen een bewegend beeld vormen.

Dat klopt niet helemaal, maar anders kan ik de weg van ogen naar hersenen, van beeld naar reconstructie, niet uitleggen.

Pas toen ik het beeld compleet had, kreeg ik door dat er nog iets meer bij moest en dat was wat de vrouw in haar hand had en in de doos voor haar deed: een groen blaadje.

Een blad van een plantje dat blijkbaar onder de heg groeide en dat ze nodig had en bijzonder was, anders zou je daar niet op maandagavond voor op je knieën liggen, of hurkliggen.

Het eerste wat ik dacht was: ja, die Aziaten weten veel meer van de natuur dan wij. Vast een kruid dat daar groeit. Een gezond, geneeskrachtig of verrukkelijk plantje, waarvan wij niet weten dat het bestaat en al helemaal niet dat het onder onze neus groeit. Al verder denkende zag ik de vrouw hoofdschuddend thuiskomen, vol onbegrip over de domme Groningers die de kostbare schatten zomaar voor het oprapen hebben.

Zou ze de blaadjes dezelfde avond nog in een gerecht verwerkt hebben, of zou het kruid eerst zes maanden moeten drogen op een donkere, goed geventileerde zolder tijdens de vier manen van het eerste kwartaal van het jaar van de dwergpoedel?

Thee van de blaadjes trekken deed ze misschien. Wellicht lag er een ziek kind op de bank in de woonkamer, onder een dikke deken en met een stapel Donald Ducks naast zich. De griep ging rond en in plaats van zo’n suikerzoet hoestdrankje, zou de irritatie aan de luchtwegen veel sneller over zijn na twee kopjes van die thee. En uiteraard een goede nachtrust.

Dat het gewoon blaadjes waren voor konijn of onkruid dat ze met de hand onder haar heg vandaan plukte omdat je met de schoffel zo moeilijk tussen de stammetjes kwam, wilde ik eigenlijk niet weten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen