maandag 4 april 2016

We stonden voor het stoplicht op de Lübeckweg. Spitsuur. Ik draaide mijn hoofd opzij, naar links. In de berm stond een kleine boom en daarnaast, op de grond, was een kraai. Het leek me geen kauw. Een kraai is zwarter, geloof ik. Maar veel verstand heb ik er niet van.

De vogel keek mij aan. Ik keek terug. Het dier deed zijn (of haar) kopje opzij, toen een beetje draaien zodat zijn (of haar) oogje kon zien of er iets in het gras was. Een wormpje of zo, wist ik veel. Daarna blikte hij weer naar onze auto. Daarin zaten mijn oudste zoon en ik. Wij zwegen. Soms doen we dat. Je hoeft niet altijd te praten.

In gedachten voerde ik een gesprek met de kraai.

,,Moi.’’

,,Moi.’’

,,Aal goud?’’

,,Joa.’’

,,Own.’’

Ik wist niet waarom ik in mijn hoofd Gronings tegen de kraai praatte. Toen sprong het licht op groen en moest ik door.

,,Nou, keurel hé.’’

,,Hol hom dreuge.’’

Ik trok op, sloeg de bocht om en daar was weer een stoplicht. Ik had gehoopt dat die meteen op groen zou springen, zoals dat de ene keer wel en de andere keer niet gebeurde, maar dat was deze keer niet zo. We stonden weer stil. Er zat niks anders op dan eerst wachten op het verkeer uit de tegenovergestelde richting en daarna op wat van rechts kwam, van de A7 en voor ons langs draaide richting stad.

Het duurde niet lang. Toen konden wij verder. Ik stuurde de auto via de oprit de A7 op en even later, via een ingewikkelde combinatie van bochten zaten we op de weg naar Harkstede.

,,Ik moet nog wel even langs de Coop’’, zei ik tegen mijn zoon, ,,bier halen voor opa. Wil jij nog iets?’’

,,Zo’n bakje meloen, dat zou ik wel lusten. En hebben we kaas? Kan ik straks een tosti maken.’’

,,Dan moet je mee de winkel in straks.’’

,,Doe jij maar. Ik blijf wel in de auto.’’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen