woensdag 6 april 2016

Wij hadden twee Duitse jongetjes te lunchen. Een uitwisseling van de school van de jongste. Er was nog een Nederlands jongetje bij, dus zaten er zomaar vier man aan tafel. De woensdag is mijn schrijfdag, maar dit vond ik niet erg. Ik hou van talen en het leek me leuk me weer eens als Goethe, Hesse en Hölderlin uit te drukken en tijdens een lunch met twee tienjarige jongetjes zou ik kunnen praten zoals ik geleerd had in de Winnetou-films (‘Hände hoch, Schweinhund’).

Ik begroette ze met een ‘Tag, Jungs.’

,,Hallo’’, zeiden ze.

Of ze Hunger hadden.

Ja.

Of ze knakwurst kenden.

Dat kenden ze.

Ietwat Trinken daarbij?

Gern, ja.

Ik had chocomelk, Capri-Sun, eieren, Kaiserbrötchen, puntbroodjes (punktbrötchen?) en ook nog gewone witte bolletjes gehaald, maar geen rekening gehouden met het feit dat kindermagen na twee broodjes knakworst tjokvol zitten, dus de hagelslag, pindakaas, ham en käse, evenals het plan voor een Salade Niçoise kon ik in de (koel)kast laten, alsmede de Orangensaft.

Op de een of andere manier had ik me een soort kringgesprek voorgesteld, waarbij wij alles zouden komen te weten over hoe zij woonden en leefden in Weener (‘Bayern? Ach nee…’) en wij honderduit vertelden over het leven in het rurale Slochteren. Dat was dom gedacht.

Ze wilden spelen.

Met Nerf-geweren.

Daarvan hebben wij er heel veel. In een grote kist in de schuur. Zoals er op zolder een kapitaal aan Lego in opbergboxen ligt, net als spellen, puzzels, een drumstel, drie dozen Donald Ducks, Duplo, twee rugzakken, een kinderwiegje, een wasbak, een stuk of zes staande lampen en een paar dozen met tegeltjes die, als we maar lang genoeg wachten, weer ‘retro’ worden. Voor de zekerheid zette ik de verwarming op de slaapkamers aan, maar een groot deel van de 2,5 uur die de Duitsers hier waren brachten ze in de schuur door.

Omdat ook kinderen aan de andere kant van de grens nooit de deur achter zicht dicht trekken vond ik het nu en dan fris en af en toe vloog er een pijltje voorbij, maar ik kon toch gewoon doorwerken. Al legde ik af en toe een oor te luister en verbaasde me weer eens dat kinderen gewoon met elkaar spelen. Ook al hebben ze elkaar nooit gezien, is het de vraag of ze elkaar ooit weer zullen zien, spelen gaat altijd goed. Het waren ook keurig opgevoede kinderen, leek het.

Het was bovendien bijzonder om mijn negenjarige zoon op zijn Engels de boel een beetje te horen regelen. Want Duits wordt op de basisscholen van Slochteren nog niet gegeven. Engels wel en Spaans zelfs, maar de taal van het dichtstbijzijnde land, nee, dat niet.

Uiteraard zat de hele club na verloop van tijd achter de Playstation, want ook die manier van spelen is internationaal, maar de tijd vloog voorbij en op zeker moment zei ik een woord dat ik graag uitspreek als er geen Duitsers in huis zijn en zei van ‘Leute’, we gaan. Dat vonden ze allemaal prima. Met de medeneming van twee taarten - de uitwisseling werd afgesloten met een high tea op school - bracht ik de mannen weer weg, reed naar huis en karde dik twintig minuten later opnieuw naar school. De high tea duurde immers maar een half uur. Om half vier stond de bus voor om die Leute terug naar de Heimat te brengen.

Die bus was de straat nog niet uit, of er kwam, dat zou je altijd zien, een Slochter meisje de school uitrennen met de mededeling dat een van de Duitse kindjes zijn rucksackje vergeten was. Het leek me hét moment om alle opgekropte scheldwoorden er in een keer uit te gooien, maar ik beheerste me. In de auto terug deden we dat wel, inclusief een minidemonstratie van een bepaalde aflevering van Fawlty Towers, afgeblust met alle foute grappen die je over onze Oosterburen kunt maken en op de Hoofdweg zag ik dat de Duitse bus ons alweer tegemoet kwam. Die was dus omgekeerd voor de vergeten tas. Glimlachend stelde ik me voor wat die chauffeur in gedachten allemaal zei.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen