zondag 30 maart 2014

Jeffrey Lee Pierce, by Bill Mensema

Voor de liefhebbers, dit is het verhaal wat Bill Mensema over Jeffrey Lee Pierce schreef, het verhaal stond in het zomernummer 2010 van HP/De Tijd.





Denver, Colorado, 1996

 

Onlangs las ik een boek van Jeffrey Lee Pierce, de zanger van de legendarische Gun Club. Begin jaren 80 creëerde deze band haar eigen vorm van de klassieke thema’s van seks, drugs en rock’n’roll: voodoorock, swamprock, trashrock in overdrive. De band toerde de hele wereld over. Ze speelde overal. In Nederland zag ik de Gun Club in Rotterdam tijdens het Pandora festival, in Paradiso in Amsterdam en diverse malen in het Groninger jongerencentrum Vera waar ik in die tijd werkte.

Ook buiten het podium bleven Jeffrey Lee Pierce en zijn bandleden hun zelfgekozen vorm trouw. Ze zopen erop los. Ze snoven erop los.

In de schaarse rustmomenten tussen de bedrijven door schreef Jeffrey Lee Pierce over wat hij double exposure noemde, over hoe je gelijktijdig je werkelijke leven beleeft en de celluloid versie ervan, zoals het zich in je hoofd afspeelt.

 
De vuile rat!

 
Hij verwoordde dit idee eerder dan ik. En nog veel beter ook. Ik haat de bastaard hierom.

En ook omdat hij ooit eens met hetzelfde meisje als ik gevreeën heeft. Overigens niet gelijktijdig.

 
Die rancune is zinloos nu. Jeffrey Lee Pierce is dood en begraven. Op 37-jarige leeftijd is hij bezweken aan levercirrose.

Hij crepeerde in Salt Lake City, Utah, op dezelfde avond dat ik met tranen in de ogen naar de film ‘Hiroshima monamour’ zat te kijken, in een Motel 6 in Ogden, hemelsbreed niet meer dan tien kilometer verwijderd van het ziekenhuis waarin hij toen lag.

Op het moment dat Jeffrey Lee zijn laatste adem uitblies, begon een in de auto voor mijn motelkamer opgesloten hond te huilen. Het geblaf hield niet op. Ik vervloekte de hond eerst drie uur lang, voordat ik het echt zat was en de hotelmanager opbelde met het dringende verzoek iets aan deze werkelijk niet langer te tolereren situatie te doen.

Aan de hand van het kenteken van de auto bepaalde de hotelmanager het kamernummer van de eigenaar van de hond. Bleek het nota bene de kamer naast de mijne te zijn. Het baasje van de hond had niets gehoord. Niet te geloven. Uiteindelijk mocht de hond mee naar zijn kamer, waar het eerlijk gezegd verder muisstil bleef.

Tot de volgende ochtend, toen het gedonder rond een uur of zes opnieuw begon.

 
De avond tevoren was ik vanuit Ogden naar de oevers van de Great Salt Lake gereden. Vlak weideland, in keurige blokjes van elkaar gescheiden door sloten. Veel kleine boerderijtjes en huisjes van ouders, die naast de kinderen zijn gaan wonen, na eerst het boerenbedrijf aan hen te hebben overgedragen. Het had net zo goed de Noordoostpolder in Nederland kunnen zijn.

Aan de oever van het tot de laatste druppel toe verzilte meer zag ik alleen maar gele en witte schuimvlokken. Verder was er niets. Geen zeilboten op deze vroege lente avond. Geen zeemeeuwen die overvlogen. Niets. Alleen schuim en de vaal schijnende zon die elk moment onder zou gaan.

Ik draaide me om en zag de machtige Rockies als granieten reuzen uit de aarde omhoog rijzen.

Mijn adem stokte.

 
Tezelfdertijd werd de hand van de in coma liggende Jeffrey Lee door een verpleegster van Aziatische afkomst gegrepen.

 

-        Ik ben hier, fluisterde ze.

-        Godzijdank, dacht Jeffrey Lee.

 
Het leek me toe dat de RockyMountains hier minstens 400 meter hoog zijn. Het waren bijna geen bergen meer. Het was één een enorme wal, een muur van graniet. Het sloot Utah af van de rest van de beschaving.

Zo hadden de Mormonen het natuurlijk oorspronkelijk ook bedacht. Hier wilden ze zich afzonderen van het puriteinse Amerika van de 19e eeuw. In deze woestenij – ingeklemd tussen de Rockies en de Great Salt Lake – vonden ze de ruimte om hun waanzin tot werkelijkheid te verheffen.

Al hun vroomheid komt immers voort uit wellust. Geile oude kerels die hun poten niet thuis konden houden. De door de Mormonen gepraktiseerde polygamie resulteerde maar al te vaak in hoogzwangere meisjes van amper 14 jaar oud.

Vanuit al dat zondige zwart ontstond er het vrome wit dat de Mormonen tegenwoordig zo typeert. Zoals de dag alleen maar waarde kan hebben als er eerst een nacht geweest is.

 
Jeffrey Lee’s haar was ook wit. Albino wit. Hij had het laat in de jaren 70 al zo geverfd, toen hij nog voorzitter was geweest van de Amerikaanse Blondie fanclub. Ook toen hijzelf later de gevierde voorman was geworden van de maniakale Gun Club liet hij het zo. Zijn ziel was zo zwart dat dit de enige manier was om het te compenseren.

 

-        Ik heb je zo lang gezocht. Waar was je al die tijd?

-        Ik was hier, zei de verpleegster, ik ben nooit ergens anders geweest.

-        I know, droomde Jeffrey Lee.

 
Vanaf de oevers van de Great Salt Lake keek ik ondertussen terug naar het oosten, van waar ik gekomen was. De kolossale kobaltblauwe reuzen keken me vol mededogen aan. In hun eeuwigheid betekende ik niets.

Ze lieten me ongemoeid en keken weer voor zich uit, tuurden naar de overkant van de Great Salt Lake, die zelfs zij niet konden overzien. Alsof ze wachtten op iets dat nog komen zou.

 

-        Ik ben hier, fluisterde de Aziatische verpleegster.

 

Diep in de schoot van de Rockies weggeborgen kon ik nog net de witte Tabernacle tempel van Salt Lake City zien. Zo overdonderend als de bergen zijn, zo klein is deze stad, als kauwgum in een hoekje weggemoffeld.

 

-        Jeffrey Lee? Jeffrey Lee?

 

Hij wist dat hij vanwege zijn aangetaste lever nooit ouder dan 40 jaar zou worden. Daarom leefde hij ook zo verdomde hard. Wat niet uit de lengte kan komen, moet dan maar in de breedte worden gezocht.

Het ging niet anders met de liefde die hij in veel vrouwen zocht, maar uiteindelijk in slechts drie vond. Alle drie waren Japans en uiteindelijk waren ook zij slechts één. De laatste twee – Kayoko en Katodo – waren immers niet meer dan variaties op zijn grote liefde Romi.

 
Maar Jeffrey Lee had amper tijd meer. Hij kon niet wachten totdat Romi terug kwam. En dus leefde hij hard. Bleef hij zuipen. Bleef hij snuiven. Bleef hij toeren. De hele wereld over. In elk gat dat hem maar hebben wou.

Hij kon niet anders, want hij zou niet oud worden. De dokter had het hem gezegd.

 

Totdat alles tot stilstand kwam in Salt Lake City.

 

-        Jeffrey Lee?

 
Nu was het dan ook echt afgelopen. De zuster hield zijn hand vast, maar het leven in Jeffrey Lee klampte niet meer en liet los.

 
De volgende dag stopte ik in Helena, Montana, om benzine te tanken. Terwijl ik afrekende hoorde ik op de radio dat Jeffrey Lee Pierce de vorige nacht in Salt Lake City op 37-jarige leeftijd was overleden.

Nog één keer keek ik naar de machtige bergen van de Rockies. Ik zag er Deltavliegers vanaf vliegen. Moedige jongens die een aanloop nemen en dan van de berg afspringen. Even in een vrije val totdat de wind hun oppikt, onder de vleugels van de op hun rug gebonden Delta’s duikt en hun laat zweven. Heen en weer. Heen en weer. Als meeuwen tegen de hemel aan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen