dinsdag 25 maart 2014

Voorbij de Watertoren (11) – Johnny Come Home

Het was mijn ouders, die zich vrijdags om onze kinderen bekommeren, opgevallen dat ik bij thuiskomst eerst een borrel inschonk en dan pas ‘hallo’ zei.

‘Heel onbeleefd’, zei mijn vrouw, die een wijntje voor zich had staan, ‘je zou bijna denken dat je anders je vader en moeder niet aankunt.’

Ik gaf toe dat ik meer drink dan sociaal aanvaardbaar is. Is dat een probleem? Mijn vrouw vindt van wel, ik vind van niet. Zoals in het grapje over die man die in de woestijn een kameel vond: die kameel vond van niet.

Ik gebruik geen drugs, ik rook niet, ik sla de kinderen niet, ik ga niet vreemd, ik hou me aan de maxiumsnelheid en zet elke woensdag de vuilnisbak buiten. Laat mij dan ook iets hebben.

In om het even welke situatie krijg ik er echter opmerkingen over. Als ik een aanhanger met puin wegbreng en in de keuken sta uit te hijgen kijkt mijn vrouw me zorgelijk aan: ‘Misschien moet je wat minder drinken.’

De manier waarop ik in het leven sta biedt echter ruimte voor twee, drie wijntjes per dag. Ik wéét zelfs dat het gezond is. De medische wetenschap durft dat alleen niet naar buiten te brengen omdat iedereen dan onmiddellijk naar de slijterij rent en op de terugweg de fles al aan de mond heeft.

Ik heb het in de hand. Dat ik de laatste tijd vaak hoofdpijn had kwam omdat ik toe was aan een bril voor overdag. Dat blijkt nu. Alleen als ik me gestresst voel, weinig slaap heb gehad en dán een paar whisky’s drink, voel ik me de volgende dag brak. Maar dat zou ook zomaar migraine kunnen zijn. Daarbij: we worden een dagje ouder.

‘Dat is je geluk’, beslist mijn betere helft, ‘je kunt er niet meer goed tegen. Dus moet je je beheersen.’

Misschien heb ik een probleem omdat ik niet zonder kan. Maar ons huishouden heeft een eigen dynamiek, die er in voorziet dat als ik langs een van de andere inwonenden loop, mijn vrouw, mijn zoons, onze kat, er onmiddellijk een vraag klinkt: ‘Oh, Herman, zou je…’, ‘Hé pap, kun je…’, ‘Miauw…’

Allemaal lief bedoeld, maar je blijft aan de gang. Rust is ver te zoeken. Een wijntje voor het avondeten geeft dat wel. Muziekje tijdens het koken en ik voel me meer mens worden. Het enige waar je op moet letten is bijtijds stoppen. Het laatste restje uitschenken moet wel kunnen, vind ik, omdat wijn snel bederft. Echter: ook over de precieze definitie van ‘restje’ verschillen wij van mening. Heb je dan een probleem?

Wellicht zingt Roland Gift van Fine Young Cannibals het antwoord in ‘Johnny Come Home’: ‘What is wrong in my life, that I must get drunk every night…’

In zowat alle andere landen van de wereld is het business as usual om gedurende de dag een spiritueel glaasje tot zich te nemen. Het verbindt, verbroedert en maakt dat je ook de doordeweekse dag doorkomt. In Frankrijk ontbijten ze met een eau de vie, in Duitsland zitten ze om tien uur aan het bier en in Engeland begint het happy hour soms om drie uur.

Het zit bovendien in mijn genen, wil ik wel eens roepen.

‘Klopt’, roept mijn vader dan, wijzend op mijn moeder: ‘komt van heur familie. Dat binnen zoepsteerns.’

‘Kiek noar dien aigen familie’, reageert ze meteen en daar heeft ze een punt. De broers van mijn vader kwamen in hun adolescente jaren zo vaak in het café dat ze zelfs met de kroegbaas en zijn vrouw meeaten. Een snelle telling, gecheckt door mijn in deze kwestie neutrale vrouw, wijst uit dat er aan beide kanten drie ooms zijn die de theorie staven dat het van generatie op generatie wordt doorgegeven. Daarvan is ook mijn neef het slachtoffer, met wie ik soms naar het whiskyfestival ga.

Ik vertelde het verhaal van mijn voormalige elftalleider die op jeugdige leeftijd last had van trillende handen. Onderzoeken leverden niks op, totdat iemand (de huisarts?) zei: die jongen moet een sigaret hebben. Het trillen was meteen over. Dat bedoel ik. Soms is het niet anders.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen