maandag 3 maart 2014

In het atelier, een klein IM voor Lucas

Lucas van der Pol (1935-2014) is overleden, las ik zaterdag in het DvhN. Ik kende hem een beetje. Een keer geïnterviewd, een keer bij hem gegeten, paar keer met hem gedronken. Aardige kerel, bourgondiër, Nieuw-Guinea veteraan en ietwat ondergewaardeerd als kunstenaar. Bij een van de bezoeken kocht ik onderstaand portret. Daarom een klein IM, een stukje dat eerder in de Gezinsbode verscheen.


In het atelier

Kom vrijdagmiddag, zei de Kunstenaar. Er kwam Nog een Kunstenaar en even na mij, arriveerde ook de Dichter. Het atelier bleek zoals gewoonlijk gevuld met ongelooflijk veel rotzooi, onduidelijke potjes en in de keuken stond een stenen piramide op het vuur te pruttelen. Had iemand gezegd dat ze er uranium verrijkten, had ik het ook geloofd. Ergens tussen de schilderijen zaten wij aan een grote tafel, met achter ons in een inloopkast de grootste voorraad wodka die ik ooit bij een mens thuis had gezien.

De Kunstenaar schonk met brede lach en gulle hand. Zelf mocht ik slechts een, want om vijf uur moest ik Hunter ophalen, maar de Dichter en Nog een Kunstenaar dronken het als limonade. De gevolgen waren desastreus. Werd in het eerste uur iedereen uit de stadse kunstwereld nog enthousiast voor klootzakken en amateurs uitgemaakt, daarna verzandde het gesprek in een ongelooflijk gewauwel.

De Dichter, de Kunstenaar en Nog een Kunstenaar hadden steeds meer moeite om zinnen te vormen. Dat viel extra op omdat ik strak nuchter was en als een soort intermediair bij een ieder de halve woorden, ellenlange pauzes, wilde kreten en priemende wijsvingers voor de anderen moest vertalen naar een begrijpelijke opmerking. De Dichter, de Kunstenaar en Nog een Kunstenaar vielen elkaar ook om de haverklap om de hals, wat de verstaanbaarheid eveneens niet ten goede kwam.

Uiteraard ging het drinken vrolijk door, waarna een fase met angstaanjagend gebrul aanbrak, daarna een met nog angstaanjagender stiltes en na het wegvallen van de spraak begon bij de een na de ander de motoriek te haperen. Gedrieën keken ze elkaar twintig minuten lang zwijgend aan en toen De Dichter weg wilde (tenminste, dat maakte ik er uit op), lukt het hem maar niet om op te staan. De Nog een Kunstenaar zag ik in de smalle gang afwisselend voor en achterover vallen (naar later bleek had ie er staan zeiken) en de Kunstenaar zei dat kunst helemaal niet bestond.
 
Het was Jiskefet, Kafka en Monty Python ineen, al was ik voor de eerste keer bang. Met zo’n voorraad wodka hadden ze zich alledrie dood kunnen zuipen. Toen de vriendin van de Kunstenaar binnenkwam, deed ze het enige logische: ze schudde misprijzend het hoofd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen