vrijdag 25 april 2014

Voorbij de Watertoren (15) – Ik kijk soms naar mijn voeten

Soms kijk ik naar mijn voeten. Er is niks bijzonders aan, ik bedoel, je kunt er niet mee over water lopen en ze redden het in de sprint niet tegen Dani Alves, maar het komt voor dat ik er naar blijf staren. Ook al zitten er klompen om.

Hetzelfde heb ik met de fruitmand, het kikkerbeeldje bij de vijver en het kapotte stopcontact, maar eigenlijk kijk ik niet, ik ben gewoon afwezig. In gedachten.

Als het zover is, kan ik me er moeilijk uit losrukken. Ik blijf gewoon hangen, van een half uur, tot een hele dag. Als de ene gedachte weg is, komt er meteen een andere voor in de plaats en ik ben soms bang dat ik alleen maar in mijn hoofd leef.

Mijn probleem is dat ik altijd met schrijven bezig ben. Er vormt zich een zin, een alinea en de vraag is of ik er iets mee kan. Voor een stukje, een verhaal, een boek. Zo’n fragment toets ik aan andere zinnen en woorden, kijken of het verder gaat en daar gaat tijd in zitten.

Als ik naar bed ga is dat niet erg. Het is een prettige manier om in slaap te vallen, maar overdag kan het onhandig zijn, bijvoorbeeld als er een jongetje op de wc zit wiens bips afgeveegd moet worden.

Het zijn meestal vage zinnen: ‘Je kunt niet weglopen voor de werkelijkheid’, ‘Ik moet minder met mijn handen praten’, of ‘Misschien moet ik meer op mijn gevoel afgaan.’

Je kun er net wel, net niet iets mee. Soms vraag ik het aan mijn vrouw.

‘Zou ik niet doen.’

‘Wat?’

‘Met mijn handen praten.’

‘Nee?’

‘Lijkt heel dom. Je bent Obama niet.’

Je mist veel als je voordurend met een stukje in je hoofd zit. Je hebt niet door dat de wereld, terwijl jij - lekker belangrijk – nadacht, gewoon door is blijven draaien en dat het inmiddels lente is. Ik blijf binnen zitten. Vanuit de woonkamer is het bos ook te zien.

‘Naar buiten, jongens,’ zegt mijn betere helft, ‘het is prachtig weer.’

‘Ik zit net.’

Dat zit er van jongs af aan in. Mijn vriendjes speelde op straat, ik lag op de bank, starend naar de gewichten van de koekkoeksklok. Ik telde de ringetjes van de kettingen.

James Thurber had het. De schrijver kon erg afwezig zijn. Hij was op het eind van zijn leven zo blind als een mol, wat er natuurlijk geen goed aan deed, maar ook daarvoor was het moeilijk contact met hem te maken. Gelukkig had hij een vrouw die hem begreep. Als iemand tijdens een diner drie keer iets vroeg zei ze: ‘Oh, hij is weer een boek aan het schrijven.’

Dat zegt mijn vrouw nooit. Mijn vrouw zegt dingen als: ‘Je moet vanmiddag één ding voor me doen: die plantjes poten. Wanneer ga je trouwens verticuteren?’

Het lukt me trouwens nooit om zinnen af te schrijven. ‘Als ik me vet voel kan ik niet denken’, die hangt al maanden ergens. Klinkt best goed, maar wat ik ermee moet?

Ik heb het altijd gedaan. Eerst kijken en veel later pas: doen. Het viel de mensen op, toen ik in de drukkerij kwam werken. Andere net beginnende collega’s stortten zich enthousiast op het inktbakken schoonmaken, rollen afstellen, papierbanen doorvoeren en over mij zeiden ze, hoorde ik later: ‘Hij doet ja niks.’

Gelukkig was er een chef die het snapte: ‘Hij doet wel wat. Hij kijkt.’

Er zijn mensen die op basis van stukjes als dit bij mij allerlei gradaties van Asperger en autisme vermoeden. Daar doe ik niks mee. Ik ga er vooralsnog van uit dat ik perfect normaal ben, al weet je dat natuurlijk niet.

Ik zou wel willen dat ik vaker nadenk over praktische zaken. Zoals wie te bellen om de deur van de droger te laten maken. Of over de auto, omdat de kleppen steeds luider gaan tikken. In plaats van het oliepeil te checken kijk ik – ik zit zowaar in de tuin - op van mijn voeten omdat ik getrippel hoor.

Er komt een paardje voorbij, met daarachter een karretje met twee meisjes op de bok die een zak chips eten. Die zak chips intrigeert mateloos.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen