maandag 21 april 2014

Kijk niet naar mij, ik ben de Bus Stop Boxer

Mijn agenda lag helemaal uit elkaar. De papiertjes, stickers en andere rotzooi die tot dan met een elastiek aan de binnenkant van de omslag bijeengehouden werden, lagen op de grond rond de tafeltennistafel. De kaft, waar ik een silhouet van Rob Rensenbrink op had geplakt (na een hele avond knutselen), lag geknikt in een hoek.

Het huilen stond me nader dan het lachen. Ik werd ontzettend boos en duwde mijn vriendje, de veroorzaker van de puinhoop, tegen de muur en gooide mijn broodtrommel naar zijn hoofd en zijn agenda en tas op de grond. Hij lachte wat, niet echt onder de indruk. Het gebeurde in de middagpauze. Ik stond tegenover een man of drie. Ik heb me zelden meer alleen gevoeld. Toen moest ik nog een halve dag.

Ik heb geen jeugd achter de rug waarbij ik voortdurend gepest werd. Maar toen ik op maandagmorgen Mark Oliver Everett, beter bekend als zanger E. van Eels, hoorde zingen dat ie een ‘Bus Stop Boxer’ was, stond ik weer in de kantine van de mavo, met een gevoel alsof er een halve hunebed vanaf mijn keel naar mijn buik werd geduwd. Het lied gaat over totaal iets anders, maar ik stelde me voor dat E., ik weet niet of ie zich toen al zo noemde, elke dag bij het bushokje zich al knokkend van zijn belagers moest ontdoen.

In ‘Novocaine for the soul’, zingt E.: Life is hard. So am I.

Dat snap ik heel goed.

Zo zit ik zelf eigenlijk niet in elkaar, maar de uitbarsting betekende een scheur in de vriendschap. Ik nam inenen afstand van de jongens met wie ik sinds de lagere school was opgetrokken. Diezelfde middag, bij biologie, vroeg ik aan de leerkracht of ik in een ander werkgroepje mocht. We waren bezig met een soort collage van kikkers of zo. Wat ik wilde was bij die vriendjes weg. Het was klaar. Op de vraag van de leraar waarom, mompelde ik dat het onderwerp me niet meer interesseerde. De echte reden, daar zweeg ik over. Dat hoefde de onderwijzer niet te weten. Hij was anders ook maar matig geïnteresseerd.

Mijn vriendjes, die mij bij de tennistafel geplaagd hadden, waren het voorval echter alweer vergeten, want die wenkten me. Wat is er nou? Doe normaal. Kom nou gewoon bij ons.

Nee.

De dagen erop ging ik met lood in de schoenen naar school. Er was iets gebeurd. Het hunebed zat er nog steeds, maar nu in stukjes. Die verplaatsten zich door mijn hele lichaam. Een stuk steen zat ook in mijn hoofd.

De bodem was onder mijn voeten weggeslagen. Ik had me losgemaakt van de jongens naar wie ik tot dan toe had opgekeken, maar dat betekende nog niet dat ik me goed voelde. Ik stond er ineens alleen voor.

‘When I wake up in the morning, I’m too tired, tired of being alone’

Wat Everett waarschijnlijk wilde was zich klein maken. Ik ben er niet. Let niet op mij. Oh, alsjeblieft, doe alsof ik er niet ben.

Help.

Het lied maakte meer los. Ik kan terugkijken op een gelukkige jeugd, maar net als E. had ik een bushalte. Of beter een bus. Mijn bushalte was veilig. Daar zette mijn moeder mij en mijn zusje op de bus. Ze bleef staan wachten tot we ingestapt waren. Aan het einde van de middag stond ze er weer.

In de bus waren we aangeschoten wild. Want er reisden andere kinderen mee en die waren gereformeerd. Wij waren katholiek en in de ogen van gereformeerden zijn katholieken een minderwaardig ras. Schooiers die op vuilnisbelten rondsnuffelen, op zoek naar iets eetbaars. De achternaam van die kinderen ken ik, bijna veertig jaar na dato, nog steeds. Ik weet nog waar ze woonden.

Wat meespeelde om mij los te maken van mijn vriendjes van de lagere school was dat ze een scheldwoord voor mij hadden. Dat had te maken met de naam van onze hond, die ‘Monky’ heette. Dat heb ik heel lang over me heen laten komen. Als ik op een eerder moment een paar beuken had uitgedeeld, was dat waarschijnlijk snel gestopt, maar zo was ik niet. Ik liet het begaan. Tot het genoeg was. Daarvoor dacht ik alleen: ‘I’m the bus stop boxer. Don’t look at me.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen