vrijdag 18 april 2014

Voorbij de Watertoren (14) – Geloven is door het land zwemmen

Er belden minder dan ik had gedacht, om precies te zijn één en het was ook nog een Fries: ‘Hebt u dat stukkie geskreven?’

Ik zette me schrap, want als je over het geloof schrijft krijg je doorgaans de wind van voren. Of je hebt er niks van begrepen of je hebt mensen diep gekwetst (‘waarom doet u dat toch?’). De discussie die ik graag wil komt er nooit, omdat de andere kant met de voeten in gewijd beton staat.

‘t Is biezonder geskreven.’

Ik wist niet of dat positief of negatief was, maar ik legde uit dat de opdracht van het Dagblad van het Noorden was om het lijdensverhaal eens op te schrijven. Er kwam een bijlage over The Passion en de redactie vermoedde dat veel lezers wel Jan Dulles kenden, maar niet waar die musical eigenlijk over ging.

‘Hoeveel woorden?’

‘Hou het op 550.’

‘Godver.’
 
 

Onmogelijke opdracht

 
Een onmogelijke opdracht. Je kunt niet over Jezus schrijven, zonder de Bijbel in vogelvlucht te doorlopen. Daarbij, het mocht met een kwinkslag, maar ze wilden graag alle abonnee’s binnenboord houden. De vraag werd gesteld door twee charmante redactrices en de beloning was een fles whisky, dus zegde ik toe.

De Friese meneer concludeerde dat ik mijn klassieken kende (Wikipedia) en stelde toch de voor de hand liggende vraag:‘Kelooft u?’

‘Nee.’

‘Mag ik vragen waarom net?’

Net als gelovigen vastlopen (‘Je moet gewoon geloven’) als je doorvraagt, bleef ik het antwoord schuldig. Behalve dat ik een rationeel mens ben en het scheppingsverhaal in mijn ogen technisch onmogelijk is. Al bij Genesis loop ik vast. God schiep hemel en aarde, maar waar komt God vandaan? Die is er niet zomaar. Hetzelfde geldt overigens voor de wetenschappelijke variant: de Oerknal. Ook dat klopt niet.
 
 

De Bijbel herlezen

 
Ik voegde er aan toe dat ik wel geboeid was geraakt en overwoog de Bijbel te herlezen. Dat meende ik. De vertellingen uit het Oude en Nieuwe Testament klonken vertrouwd en dat was niet zo gek. Tot mijn achttiende ging ik naar de kerk en al zat ik een uur lang mijn voetbalcarrière te analyseren, je ving af en toe wat op. Daarbij kon je aan die psalm of dat gebed bepalen hoe lang de dienst nog duurde. Het was behoudens de preek elke week hetzelfde.

Dat is uiteraard een deel van de fun, samen je geloof belijden, de stad-Groningse dichter Kees van der Hoef schreef: ‘De kracht van de herhaling is die van een spastische paling’ en elke reclamegoeroe zal beamen dat je de boodschap er in moet rammen, maar ik stel me voor dat een beetje manager al lang had ingegrepen.

‘Dus meneer Pastoor, even kort door de bocht: dit doen jullie elke week?’

‘Ja.’

‘Hm. Ik zeg: inhaalslag, ik zeg: convenience, ik zeg: kwaliteit, ik zeg: focus.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Compacter. Ik denk in spanningsbogen. Bidden kan iedereen thuis. In een vrij kwartiertje. Denk in brands. Maak dat je target. Die preek kan ook eigentijdser. Hebben jullie Wi-Fi?'
 
 

Woestijngodsdiensten

 
Ik vertelde een vriend, specialist woestijngodsdiensten, van mijn opdracht. Hij zei dat ie zich vorig jaar dood had geërgerd bij The Passion: ‘Zegt die tv-commentator dat Joden, christenen en katholieken gebroederlijk langs de kruisweg stonden. Slaat natuurlijk nergens op. Het wordt nu voorgesteld als een volksoploop, maar kruisigingen waren destijds aan de orde van de dag. Ik denk: mannetje of twintig, dertig. Familie, vrienden, bekenden. Vergelijk het met het eerste optreden van Nirvana in Vera. Achteraf was iedereen erbij, terwijl er net 60 man waren.’

Er zijn meer verhalen uit de Bijbel die minder spectaculair zijn. De zee die splijt: eb. De wonderbare broodvermenigvuldiging of spijziging van vijf broden en twee vissen: iedereen heeft altijd wel wat bij zich. Jezus die over het water loopt: als je kunt drijven in de dode zee kun je er op lopen. Kwestie van evenwicht. Een andere vriend, gereformeerd opgevoed, relativeerde dat als volgt: ‘Het tegenovergestelde, door het land zwemmen, dat is pas moeilijk.’
 
 

De Friese beller

 
De Friese beller vond dat oké, dat ik de Bijbel ging lezen. Hij had het gedaan en was na zijn veertigste weer gaan geloven. Een aantal dingen in zijn leven bevestigden voor hem het bestaan van God.

Ik zweeg en herinnerde me een uitspraak van een chef uit de drukkerij. Tijdens nachtdiensten hadden we lange gesprekken. Over de Maya’s, de Vrijmetselarij, Zen en in de drukkerij liep van alles rond, gereformeerde, baptisten, jehova’s, dus dat waren boeiende gesprekken. Hij zei: ‘met al die verhalen, al dat gedoe, ik bedoel, dat horen we al zo lang, zou het me tegenvallen als er na de dood niks was.’

De man aan de telefoon was er van overtuigd dat ook ik weer ging geloven. Dat geloof ik niet, maar ik bekende dat ik net zo min kan bewijzen dat God niet bestaat, als dat ie wel bestaat. Zo sta ik er in. Ik geloof niet, maar je kunt niet weten. Ik hou er rekening mee.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen