maandag 6 januari 2014

Voorbij de Watertoren (1) – De eenzame vrijwilliger

Mensen zomaar aanspreken is voor mij geen dagelijkse kost. Dat doe je niet. Althans, ik niet. Dat heeft, uiteraard, met het Groninger-zijn te maken, maar het ligt ook aan mij. Ik kan het gewoon niet. Te weinig zelfvertrouwen, te veel met mezelf bezig. Al zie ik iemand iets bijzonders doen, er moet een zakelijke aanleiding zijn (‘hallo, ik ben van de krant, mag ik u wat vragen?’), dan wel een emotionele band met de aan te spreken persoon (‘dag schat, zoek je weer je sleutels?’), anders loop ik zwijgend door en dat deed ik dus toen ik de oude man bij de sloot zag. Hij was goed bezig, maar ik zie me al stoppen en zeggen: ‘Goed bezig.’

Terwijl hij wel degelijk goed bezig was.

Wat eveneens meespeelde: complimenten geven is geen basishouding die we vanaf onze geboorte meekrijgen. Daarbij wilde ik niet het risico lopen dat hij blij was dat er eindelijk iemand een praatje aanknoopte. Je was zo een half uur verder. Of nog erger, dat hij zou reageren met: ‘O joa, mienjong? Magst wel even mithelpen den.’

Wat hij deed intrigeerde me echter en onderwijl ik langsliep, op weg van de Europahal naar de parkeerplaats bij Sportpark De Kalwijck, probeerde ik zo naar hem te kijken dat ik wel zag wat hij deed, maar dat hij niet doorhad dat ik hem in de gaten hield. Ongeveer zoals je kijkt als je met je vrouw in een schoenenwinkel bent en onopvallend in het decolleté van de verkoopster probeert te loeren.

De man ging aldus onverstoorbaar door met zijn activiteit en dat was met een schepnet blikjes, flesjes, pakjes shag en patatbakjes uit die sloot halen. De meest eenzame bezigheid voor een vrijwilliger. Uit niets bleek dat hij onderdeel was van een organisatie. Er waren geen collega’s met reflecterende hesjes, nergens een bejaarde op een rollator die tegen hem aan stond te lullen en nergens een opzichter. Hij was helemaal alleen. Ik had sterk het gevoel dat ie dit deed omdat hij vond dat ie het moest doen. Misschien om even weg te zijn achter de geraniums, misschien omdat de wereld, al was het een klein stukje wereld in een middelgrote provincieplaats, er een beetje beter van werd. In ieder geval een beetje schoner.

Het gebied waar ik liep is het Milanello van Hoogezand. Een zwembad, een sporthal, een school voor voortgezet onderwijs, een Huis voor de Sport en een tennisclub, een paar voetbalverenigingen, een hockeyclub en een korfbalclub op een oppervlakte van zeg tien vierkante kilometer.

De sloot loopt er dwars doorheen en zo lang mijn zoons er hockeyen en voetballen zie ik er rommel drijven en vraag ik me af waarom mensen dat doen, rommel in sloten gooien. Ik geef zelf het antwoord: omdat het mensen zijn en realiseer me dat we het nooit leren. Als er geen rommel is, maken we dat wel.

Nut en noodzaak van het waterloopje zijn mij tot dusver ontgaan. Als ik een vis was zou ik daar niet willen zwemmen, als kikker zou ik er eveneens wegblijven en als reservoir in geval van brand in een van de nabijgelegen kantines is het nutteloos. Twee halen met de pomp en het ding is leeg.

Zou kunnen dat het een overblijfsel is van een oude waterloop, van een van de kanalen die ooit door de Veenkoloniën hebben gelopen; de levensaders die van en naar de stad liepen en waarlangs nederzettingen uitgroeiden tot middelgrote provincieplaatsen. Maar dan is het een miniem overblijfsel. De sloot haalt beide uiteinden van het gebied niet eens.

Ik zou zeggen: dempen die handel, de oude man redeneert blijkbaar andersom. Die sloot ligt daar, dat is natuur (‘een stukje natuur naar de mensen toe’) en daar hebben wij voor te zorgen. Dus doet hij dat. Ook al wordt hij er nooit om verkozen tot Vrijwilliger van het Jaar, daarvoor is het werkje te onbetekenend, te klein, ook al is er niemand die na gedane arbeid gezellig op hem wacht met een kopje koffie, ook al stopt geen enkele voorbijganger om te zeggen dat hij goed bezig is, hij zorgt gewoon dat het water weer rommelvrij is. Voor zolang het duurt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen