vrijdag 24 januari 2014

De kat en ik, wij begrijpen elkaar

De kat en ik, wij begrijpen elkaar. Als ik aan de keukentafel zit te schrijven, gaat hij bij mij zitten. Soms heel dicht op mijn hand, zodat ik de muis niet kan bewegen.

‘Wil jij muisje pakken?’

Dat zeg ik niet hardop, want dan kijkt mijn vrouw mij raar aan. Ik hoor een licht rommelen, soms vanuit de verte, soms van dichtbij. Wat onze kat wil, dat weet ik wel.

Hoewel ik mijn hand in bochten moet wringen om mijn werk te kunnen doen, vind ik het een grappig idee dat het dier mij opzoekt.

‘Wat zit jij hier gezellig’, zeg ik en het gerommel zwelt aan. Hij staat op, denkt ‘nu gaat het gebeuren’ en strijkt met zijn wang langs het beeldscherm.

‘Je moet nog even wachten.’

Daar heeft hij geen zin aan en nu duwt hij met kracht tegen mijn hoofd aan. Soms loopt ie gewoon over het toetsenbord en dan staan aeraerad …are dingen.

Onze kat heet Raï. Zijn naam spreek ik soms zo uit: RRRrrr…rrrRRRAÏE. Katten luisteren immers niet, maar herkennen geluiden, zoals die rollende R. Hij had dus net zo goed RRRRR kunnen heten. Maar ja, dat klinkt raar als er visite bij is.

Er is een band tussen de kat en mij. Dat komt, ik ben de enige die ervoor zorgt. Mijn vrouw wilde een huisdier, de kinderen vinden het best leuk zo’n beest, maar als we ‘s morgens wakker worden kan Raï het ri-ra-rambam krijgen. Er is niemand die op het idee komt om vreten op een schoteltje te doen. Zonder mij hadden we een skelet als huisdier.

‘Jij doet altijd zo alsof je het heel moeilijk hebt.’

Als we geluk hebben kunnen we zondags uitslapen. Een beetje. Want er is altijd wel een jongetje dat de dekens van je aftrekt, je vrouw die zegt dat ze het ‘zo gezellig’ vindt als je er ook afkomt en op een ochtend dacht ik dat Reyer met een nat washandje over mijn gezicht ging, maar dat bleek slagroom te zijn dat hij over mijn gezicht spoot. Dat hadden hij en zijn broer de dag ervoor gezien op America’s Funniest Home Videos.

Blijkbaar misten ze me nog niet, dus ik dacht: Pipo koeien, krijgen jullie nu het heen en weer. Waarom ik er tien minuten later toch afging was omdat ik een steeds harder krabben hoorde, bij de voordeur. Geen mens was op het idee gekomen om Raï binnen te laten.

‘Oeps’, zei mijn vrouw.

‘Dat weet ik toch niet’, zei Hunter.

‘Dat is toch jouw taak’, zei Reyer.

‘Fuck you all’, zei ik.

‘Fuck you terug’, klonk het in koor.

De kat is al lang bij ons. Ik zat in café ’t Pleintje toen mijn vrouw ze ophaalde bij haar zus. We kregen twee uit het nest. Van die hele familie is nog één over. Zijn zusje, Dao, is op het Slochterdiep doodgereden. De vervanger, Moshi, kwam eveneens onder een auto. Of tractor.

Dat Raï het zo lang volhoudt, al zo’n vijftien jaar, komt omdat het een verstandig beest is. Hij blijft zoveel mogelijk bij mensen uit de buurt. Op schoot liggen is er niet bij. Zodra hij kinderen spot is ie weg. Onze zoons moeten echt voorzichtig zijn willen ze hem kunnen naderen. Dat gebeurt soms.

Soms, als ik aan het koken ben, krijgt ie een stukje kip, of een stukje vlees.

Dat doe ik allemaal. Verder he-le-maal niemand.

Er is echter een ding dat ik niet voor elkaar krijg en dat is Raï in een reismandje stoppen voor een bezoek aan de dierenarts. Als ik er aan denk ruikt ie al wat ik van plan ben en is weg.

Die keer dat het wel lukte, krabde hij zo heftig, dat ik weer los moest laten. Hij rende meteen de buurt in. Ik vloekte zo hard dat mijn vrouw, die aan het bellen was, aan kwam rennen: ‘Wacht dan ook op mij.’

‘Je was aan het bellen.’

Ik stond in de douche, toen ze, nog geen tien minuten later, met een triomfantelijke grijns haar trofee toonde: kat in de reismand. Terwijl zij met hem heenging, deed ik mijn T-shirt uit. Kattenzeik. Net als op mijn broek. Ik keek in de spiegel: er liep een enorme kras van mijn hals tot aan mijn navel.

Kutkat.

(deze column stond op 6 maart 2013 in de Kanaalstreek en Ter Apeler Courant)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen