dinsdag 21 januari 2014

Voorbij de Watertoren (3) - Een bril voor alledag


De man leidde me naar een groot raam. Ik moest naar de overkant kijken. Daar zag ik staan: Drie Gezusters, met daarnaast een groene balk. Hij zette een zelfbouwmontuur op mijn neus: ‘Dit is wat je zou moeten zien.’

De groene balk werd een woord ‘Heineken’.

Een leesbril had ik al en ik verbeeldde me dat ik ook de dingen van ver wazig begon te zien. In een sporthal kon ik de reclame niet lezen. Het is me overkomen dat ik tijdens een wedstrijd van mijn zoon aan het bellen was, een snelle blik op het scorebord wierp en de duim omhoog stak. Waarop hij verbaasd terugkeek en met zijn handen het ‘hoezo?’-gebaar maakte. Dat we na een wedstrijd naar huis reden en niet naar Winschoten of Groningen kwam omdat ik de weg kon dromen. Niet omdat ik de aanwijzingen op de borden volgde. Op vakantie in Frankrijk was een ferm opgestoken middelvinger steeds vaker mijn deel, omdat ik ineens toch de afslag nam, of via de vluchtstrook rechtdoor ging.

‘Tja’, zei ik.

‘Jaja’, zei de man.

Er zijn momenten dat het fijn is als iemand met een ‘je moet het zo zien, je leeft nog’ een arm om je schouder legt. Het besef dat je een bril voor alledag nodig hebt is zo’n moment. Maar ik kende de man net een half uur en als ik niet stomdronken ben is het niet mijn gewoonte om bij wildvreemden om de nek te hangen.

‘Heb je de laatste tijd vaker hoofdpijn?’

Het was net na de feestdagen dus ik zei voorzichtig ‘ja’. Hoewel werd bevestigd wat ik vermoedde, krabbelde ik terug. Was het wel zo erg? Goed, Heineken zag ik als een groene balk, maar wie keek nu van de ene kant van de Grote Markt naar de andere? Ik kwam zelden in het centrum van Groningen. Het meeste wat ik moest zien was dichtbij. Daarbij: ik was een mens, niet Lee Majors, de bionische man. Een mens, daar hoorde iets mee te zijn. Niemand was gelijk, de een kon dit beter, de ander dat.

Waar ik van schrok was het onomkeerbare. Organen en zintuigen waren aan het aftakelen. Wat was de volgende stap? Een kunstheup, artritis? Geheugenverlies? En, probeerde ik, had het niet gewoon met voeding te maken? Te veel nacho’s en te weinig mango. Ik zoop ook veel teveel.

‘Ik heb dus echt een dagelijkse bril nodig?’

De man haalde zijn schouders op. Dit had hij honderden keren meegemaakt. Over een nieuwe BMW doet niemand moeilijk, over een bril wel. Hij zuchtte net niet, toen hij zei dat het natuurlijk aan mij was: ‘Maar als je in de auto zit is het handig dat je weet wat er op verkeersborden staat. Toch?’

Ik knikte.

Een bril voor alledag. Daarmee verandert je aangezicht. Misschien je persoonlijkheid. Het zal mensen opvallen als je hem niet op hebt. Alleen al door die rode afdrukken op je neus. Loop van de koude buitenlucht in een warme kamer en je bent Willempie. In mijn jeugd was dat een scheldwoord. Iemand met een bril was debiel of slim. Daar konden we niks mee.

Los van het emotionele aspect: wat voor montuur moest ik? Een leesbril, die haalde je bij de drogist. Nu kocht je een nieuw uiterlijk. Qua uitstraling zit ik ergens tussen Jürgen Klopp en Grant & Forsyth. Het zingende duo heeft goeie ogen, of lenzen. De trainer van Borussia Dortmund draagt een zwart montuur. Zoiets als Godfried Bomans. Bakeliet. Niet het meest trendy rolmodel. Een man in de war.

Er is een filmpje van Klopp, die bekend staat als intelligent, waarbij hij tegen de vierde man staat te schreeuwen. Het speeksel vliegt de assistent-scheidsrechter om de oren. Was hij zo sinds hij een bril droeg? Dat je af en toe helemaal door het lint ging? Ik dacht aan Herman Brusselmans. Zelfde soort bril. Maar dat is weer de andere kant. De schrijver komt bijna nooit buiten en als ie bij DWDD zit vraagt Matthijs altijd: ‘Hoe gaat het met je?’

Heineken was weer een groene balk geworden. Ik trok mijn jas aan en zei dat ik moest nadenken. Hij zag me binnenkort wel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen