dinsdag 19 augustus 2014

Voorbij de Watertoren (23) – Ik moet iets doen

Ik lig graag op de bank, maar ik doe dat nooit. Waarom weet ik niet. Misschien is het de calvinistische inborst, of dat deel van het bewustzijn waarin de door generaties vergaarde overlevingsmechanismen worden doorgegeven, zoals dat er gewerkt moet worden voor de kost en meer van dat soort klets.

Maar ik werk gewoon. Ook buiten kantooruren, in ieder geval meer dan waar ik voor betaald word en toch gun ik me zelf geen rust.

Een leeuw doet dat wel. Dat beest slaapt veel. Dat vinden we normaal. Waar hij leeft is het warm en als hij zin in een karbonaadje heeft, rent dat karbonaadje weg. Eenmaal gevangen moet dat snel op, omdat er direct andere leeuwen, hyena’s en aasgieren rond zijn bordje staan. Daarna wil je wel even plat.

Onze kat, het kleine neefje van de leeuw, ligt eveneens meer dan hij staat. Ook dat snappen wij, al wordt zijn eten twee keer per dag op een schoteltje gekwakt. Dat doen dieren, zeggen wij dan.

Gezien op tv. Als we eens niet naar weer een hotrod-bouwer kijken, of de zoveelste ex-commando die met alleen een scherpe zakdoek probeert te overleven in Death Valley, volgen we een van de tienduizend documentairemakers die in de Serengeti rondrijden en leren we dat er in de wildernis wat af gerelaxed wordt. Hier hangt een luipaard in de boom, daar staan gnoe’s apatisch voor zich uit te kijken en verderop zitten bavianen elkaar bij de potlood.

Een mens is ook een dier. We doen wel alsof we anders zijn, maar dat is niet zo. Beschaving bestaat niet. Het enige dat ons onderscheidt is kleding. Kleding die we dragen omdat we ons schamen en we schamen ons voor het feit dat we dieren zijn.

Op de bank liggen wil ik vooral als ik gegeten heb. Dan ben ik, net als de leeuw, moe. Logisch. Het lichaam, ik vertel niks nieuws, moet het voedsel verteren en dat kost energie. In mijn geval zelfs dubbele energie. Naar goed Oost-Gronings gebruik schep ik twee keer op. Je weet nooit wanneer je weer iets krijgt. De pannen moeten leeg.

Daarna ben ik niet vooruit te branden. Daar word ik weer chagrijnig van, om niet te zeggen depressief. Het liefst zou ik naar bed gaan. Lekker slapen. Boek mee. Maar dat heb ik als kind een keer gedaan. Op visite bij kennissen in Kwadijk. Na de fondue was ik zo vol dat ik zei dat ik buikpijn had en ging naar boven. Een half uur later kwam mijn moeder kijken en zag dat ik de Kameleon lag te lezen.

Dat incident wordt me nog steeds nagedragen. Minimaal een keer per jaar: ,,Doar lag hai. De pinze dik. Wie hebben ons doodschoamd.’

Bijzonder. In de Veenkoloniën was het normaal dat de mens er bijkwam van het een of ander. Niet van werken, dat was er toen ook al niet. Maar in mijn beleving lag iedereen de hele dag op de bank. Als je ergens binnenstapte was er altijd wel iemand, je vriendje, of zijn vader, die krakend en zuchtend opstond met de standaardsmoes: ,,Ik lag nét.’’

Dan knikte je maar en deed net of je de plooien in zijn wang niet opmerkte. Soms hoefde je niet eens te doen of je het niet geloofde. Dan riep de vrouw des huizes: ,,Nou jongens, der wordt ook wat wakker. Ik wol net t asiel bellen dat der hier n waalvis op baanke was aanspould…’’

De waalvis was doorgaans not amused: ‘Wat most?’

Ik ‘mos’ nooit wat. Er was in de Kanaalstreek niet zoveel te moeten. Je ging juist bij iemand langs omdat je zelf niks te doen had. Misschien had je vriendje via ECI de nieuwste elpee van Black Sabbath gekregen, had hij de VI uit of was zijn achttienjarige nichtje uit Appelscha er te logeren. Al schoven ze net met zijn allen aan voor een potje sjoelen. Alles was goed.

Ik zou het liefst de hele dag liggen. Ik hou van films, kijk met plezier naar programma’s waarin over voetbal geluld wordt, zie graag wedstrijden, kan me in een boek verliezen, maar ik kan dat gewoon niet. Niet meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen