woensdag 13 augustus 2014

Voorbij de Watertoren (22) – Een gewone dag

Reyer kijkt me aan, lacht en nestelt zich met laptop op de bank. Hunter pakt zijn iPad en gaat naast hem zitten. Het is half tien in de ochtend, het begin van een gewone dag.

De laatste vakantiedag samen. De rest van de week werk ik, daarna is er weekenddienst en maandag moeten zij weer naar school. We gaan niet vissen, voetballen, een eindje rijden of naar de bioscoop. We doen niks.

Net als andere ouders maken we ons zorgen over dat kinderen beginnen te trillen als ze een uur geen beeldscherm voor zich hebben, maar net als andere ouders weten wij dat het soms goed uit komt. Je kunt even de was doen, een telefoontje plegen. De woensdag is mijn vrije dag en dan schrijf ik.

Mijn zoons vinden het leuk als ik iets met ze doe, maar het hoeft niet per se. Gewoon in de buurt zijn, liefst in dezelfde kamer, is voldoende.

‘Hunter?’

‘Ja, pap.’

‘Als Reyer zegt stoppen met hem te killen, moet je dat ook doen.’

‘Ok.’

‘En Reyer?’

‘Ja, pappie.’

‘Het klinkt niet netjes als een jongetje van zeven ‘kutzooi’ zegt.’

De enige voorwaarde die ik aan het dagje gamen heb gesteld is dat ze eerst ontbijten en tanden poetsen. Anders kijk ik ’s avonds tegen gebitten aan die bruin zien van de chocomelk en drop.

Ik zit aan de keukentafel. Soms kijk ik naar buiten. Het is rustig in de tuin, in onze straat, in het dorp. De zon schijnt. Ik zie blaadjes bewegen. Het waait een beetje.

‘Of zullen we vanmiddag naar het zwembad,’ opper ik, ‘het is mooi weer.’

‘Mwoah’, zegt Hunter.

‘Misschien’, zegt Reyer.

Als ik aandring weet ik dat hij meegaat. Maar ik vind het best, blijf liever zitten waar ik zit, werkend en luisterend naar het geklets van twee jongetjes die zitten te gamen en te skypen met hun neefje in Veendam.

Ik hou van schrijven. Het idee dat je met een wit scherm en 26 letters plus leestekens een tekst kunt maken die, als je klaar bent, een op zichzelf staand iets is, met een titel, inhoud en sfeer, dat fascineert me. Het is soms een gepruts van jewelste, maar er komt altijd een verhaal. Soms goed, soms slecht, maar hoe dan ook een verhaal.

Als man van de klok doe ik om twaalf uur mijn laptop uit, loop naar de keuken, schenk een glas rosé in en roep: ,Willen jullie knakkies?’

Nederlanders zijn geen mensen die vroeg op de dag naar de fles grijpen, maar op zo’n woensdag moet een glaasje kunnen, vind ik. Zo lang het geen zes zijn zie ik het probleem niet. Ik hou het bij een. Nu ja, anderhalf.

Ik pak een blik knakworstjes en doe de inhoud in een steelpan. De heren willen ook een gebakken eitje, met brood en ham. Eten doen we aan de keukentafel. Op de bank wordt dat niks. De mannen praten me bij over de game en als ze het op hebben kijken twee paar ogen mij vragend aan: ‘Mogen we weer?’

‘Ja hoor.’

‘Je bent lief pap’, zegt Hunter en omhelst me. Ik krijg ook een knuffel van Reyer en dan rennen ze weer naar hun plekje.

Ik ruim af, doe de afwas en loop naar het washok. Ik zie de lege wasmand en strijkmand en denk ‘o ja, mijn moeder was hier’ en keer terug naar de keukentafel. Ik check Twitter en Facebook en pleeg een telefoontje.

De middag verloopt eender als de ochtend. Ik schrijf, zij gamen, buiten schijnt de zon. Af en toe roep ik ‘rustig aan, jongens’ en om drie uur uur is het tijd voor een appeltje. Om half vijf is het mooi geweest. Ik gun me een volgend glas rosé en maak het avondeten klaar. Dat wat ze het liefst hebben. Kip met jus, gekookte aardappelen en doppertjes met worteltjes. Ik krijg het er zelf bijna niet meer door, maar het is zowat het enige dat ze lusten. Daarna pak ik een tas in, gooi hengels en viskoffers in de auto en breng ze naar hun neefje in Veendam, voor de laatste logeerpartij deze vakantie. Als ik weer thuis ben, ga ik op de bank zitten en wacht tot mijn vrouw thuiskomt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen