zondag 17 augustus 2014

Mijn vriend de bal

In een gezin met twee jongetjes is een bal nooit ver weg. Wij hebben geen grote tuin, dus een is meer dan voldoende, maar vanaf de tuinstoel zie ik er al vier liggen. Daarin is ons gezin niet uniek. Mijn schoonvader beklaagt zich altijd over de rondslingerende ballen in en om het huis van de neefjes van Hunter en Reyer.
Als die voor hun verjaardag een Jabulani, Brazuca of Nike Total90 Strike vragen begint ie te roepen: “In hun sloot liggen er zes, in het bos drie, onder de hortensia twee en een in het kippenhok. Allemaal hartstikke goed. Waarom moeten ze een nieuwe? Als ze daar eens gingen kijken. Het zijn net zigeuners. Waar ze staan daar schijten ze ook.”

De neefjes voetballen soms in zijn tuintje. Daar is weinig ruimte. Misschien drie bij vier meter. Balletje hooghouden, pannaatje hier, elasticootje daar, dat werk. Bij het snoeien van de klimop kwam vorige zomer een ingegroeid exemplaar tevoorschijn. Die had mijn schoonvader drie jaar geleden voor die neefjes gekocht. Meteen kwijt. Overal gezocht, nergens gevonden. Hij schudde zijn hoofd: “Niet te geloven.”

De ballen in onze tuin vind ik niet erg. Bij het inspecteren van de hortensia loop ik er automatisch naar toe. Even terughalen, steekpassje richting kat en verder met de rozen.

De bal voelt als een vriend. Een verloren vriend.

Er zijn jaren voorbijgegaan dat ik een, twee, balcontacten had. Op de camping misschien, als een bal voor de tent langsrolt en de meisjes bij het volleybalnet je vragend aankijken. Maar toen mijn zoons mij op een dag meesleurden de tuin in of naar het grasveldje in de wijk achter ons, voelde het als natuurlijk om een bal aan de voet te hebben.

Hello again

We doen meestal afpakkertje, dan probeer ik zonder hard te lopen het veldje over te steken. Kappen en draaien, lichaam tussen man en bal. Als je je breed maakt komt er geen mens aan. Het zijn plastic ballen en de meeste zijn half lek. Die kleven aan je voet. Hoewel ik nooit een fijbesnaard technicus ben geweest, blijf ik tegenover Hunter en Reyer in balbezit. Soms maak ik een schaar, haal de bal achter het standbeen langs of ga er voor de grap op staan. Knappe kerel die hem loskrijgt. Tot ze me sans gene een schop verkopen en ik krimpend van de pijn ter aarde stort, in een reflex om een kaart vragend.

‘Gaat het buurman?’, klinkt het vanachter de schutting.

Hunter en Reyer zijn tien en zeven en ons tuintje wordt te klein. De bal ligt meer wel dan niet bij de buren en in de border gaan ze gewoon door. Dat is niet goed voor schoonkruid, hosta, lavendel en rhododendron. De plantjes zien er uit alsof een olifant er zijn reet mee afgeveegd heeft. Daarom neem ik ze liever mee naar de speeltuin. Daar is een veld met twee ijzeren doeltjes. Goed voor hun sociale ontwikkeling. Leren ze ook eens hoe andere kinderen er in het echt uit zien.

Je bent er vijf minuten en uit een straat komt een jongetje. Uit een andere straat nog een. Ze liggen gewoon op de loer. Dat zijn wat oudere kinderen. Die zijn fanatiek en die willen partijtje, of kampioentje. Als ze een leren bal bij zich hebben knal ik een paar keer op doel. Schieten is leuker dan dribbelen.

Dat de bal vertrouwd voelt is niet verwonderlijk. Als je meer dan dertig jaar lang twee keer per week traint en een wedstrijd hebt, maak je duizenden, honderdduizenden, misschien wel miljoenen balcontacten. Ook al doe je jaren niks, dat blijft hangen. Zelfs liggend in een tuinstoel heb ik graag een bal aan de voet. Beetje lui heen en weer rollen, dan kijken of je de boom kunt raken. In gedachten hoor ik het Weser-Stadion ‘ooooeeeeiiii’ roepen. Ik sla de handen voor de ogen.

‘Wat is er?’

‘Wat?’

Mijn vriendin kijkt bezorgd: ‘Waarom sla je de handen voor de ogen?’

‘Oh zomaar.’

‘Ik schrik me lam. Ben je geprikt?’

‘Nee, ik miste een kans.’

‘Dat is geen nieuws.’

Als ik aan John Irving denk, schrijver en op en top Amerikaan, zie ik hem op een foto met een honkbal in zijn hand. Ook al is hij een worstelfanaat. In Amerika heet een stadion een ballpark. Zo’n honkbal kun je op je bureau leggen, over je vingers laten rollen als je moedeloos naar buiten kijkt, bij weer een writer’s block.
Met een voetbal is dat lastig. Je kunt moeilijk voor het raam staan met een voet op de bal. Dan ga ik net als Cruijff staan te wijzen. Jij bij het koffiezetapparaat en jij, breed maken en jij diep, zoek de ruimte achter de eindredactie. Onder het bureau leggen kan wel en er dan een beetje met je voeten op wiebelen. Daar word je rustig van. Maar ik ken ons bedrijf. Allemaal ex-voetballers. Dat is een dag, dan ligt ie op het dak van de expeditie.

Ik maai, verticuteer en bestrooi het gras met kalk. De ballen tik ik een voor een het terras op. Reyer komt het huis uit rennen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen