woensdag 15 april 2015

Voorbij de Watertoren (55) – Langzame Man J.J. Cale

Een man met een gitaar op een parkeerplaats. Waarschijnlijk in Tulsa, Oklahoma. Hij oogt sympathiek, maar ziet er verder alledaags uit. Grijzend haar, grijs baardje, T-shirt, overhemd erover, spijkerbroek, cowboylaarzen. Het aparte is dat-ie daar zit, een liedje speelt en hoe hij dat speelt. Het is J.J. Cale.

In de documentaire To Tulsa and Back – On Tour With J.J. Cale, doet de hoofdpersoon een krap uur lang niet veel meer dan dat. Hij zit of staat te gitaarspelen, sjokt naar een podium, stapt de toerbus in en uit, eet een hapje en kletst wat. Alles in zijn eigen tempo. Hij is een langzame man.

Zenuwelijer als ik ben, zit ik er met open bek naar te kijken. Ik ben als Johan Cruijff. Altijd bezig met wat komt. Nooit in het nu. Aan het trainen dacht hij aan de avond. In de avond aan het ontbijt en bij het ontbijt aan de training. Terwijl ik dit stukje schrijf ben ik al aan het strijken.

Laid-back

Lees over Cale en de term ‘laid-back’ is nooit ver weg. De door hem ontwikkelde Tulsa-sound straalt het uit. Komt het vandaag niet, dan morgen. Van zijn kalmte word ik heel onrustig. Hij is iemand die vragen beantwoordt met ‘mwoah’, ‘och’, ‘tja’ en ‘zo gaan die dingen’.

Dat is ook voor Oost-Groninger begrippen bijzonder. Stadjers denken dat wij, mensen van het achterland, de seizoenen geduldig over ons heen laten komen. Niets is minder waar. Het is twentyfourseven met de bek op het stuur en als je ’s avonds om half elf op de bank ploft, ligt er iemand op de andere bank die zegt:

,,Je moet eigenlijk nog een klusje voor me doen.’’

,,Kan dat morgen niet?’’

,,Nee.’’

,,Godverdomme.’’

Kind noch kuiken

Cale had, afgaand op de documentaire, kind noch kuiken en is zijn hele muzikale leven een beetje door Amerika geboemeld. Optreden hier, plaat opnemen daar en zijn thuis was soms een caravan op een trailerpark. Kon doen en laten wat-ie wou, al had zelfs deze man soms geen zin in een optreden: ,,Maar ja, dat heb ik mezelf op de hals gehaald.’’

Ik zie J.J. Cale op zondagavond, op de Belg. Ik zit op de bank met een borrel en dat zit goed, maar in mijn hoofd is het maandagmorgen en draai ik de N33 weer op richting Assen. Met een beetje fantasie kan de weg tussen de Eemshaven en Assen voor een road door Amerika’s backyard doorgaan, maar niet op maandagochtend om half negen.

,Hoe ziet jouw dag er morgen uit’’, vraagt mijn vrouw.

,,Naar de krant, Reyer en Demy ophalen van training, gitaarles en voorlezen in De Wolthoorn & Co, bij Sport in Stad.’’

,,Is ook zo. Levert dat nog wat op?’’

,,Nee.’’

,,Oh.’’

In de buurt van de N33

Mijn wereld heeft zich altijd in de buurt van de N33 afgespeeld, maar ik had graag een staartje meegekregen van ‘de wilde jaren in Californië’, waarover Cale vertelt. Met de weinige noten die deze zoon van Tulsa qua persoonlijk leven op zijn zang heeft, kan het niet anders of hij stond nooit halverwege de maand dik in het rood.

Alleen al omdat de halve wereld nummers van hem speelde. Van Eric Clapton tot Johnny Cash en van John Mayer tot Randy Crawford. Cale moet rijk zijn geweest en zal geen moment hebben zitten graaien in de spaarpotten van de kinderen die hij nooit had.

Wij wel.

,,Zoveel werk is het toch niet om even dat schilderijtje op te hangen?’’

,,Mag ik misschien ook even zitten?’’

,,Je wilt nooit iets voor me doen.’’

Het moet anders

Als ik Cale zie denk ik: het moet anders. Maar hoe? In de tien jaar dat ik mijn zoons van school haalde stond ik er om kwart over drie. Die keer dat ik het niet ging redden omdat de TomTom 15.18 als aankomsttijd aangaf, belde ik de directeur dat hij ze niet zo het dorp in mocht sturen, maar op mij moest wachten.

Ik was er om precies kwart over.

Mijn vrouw lag in een deuk toen ik dat vertelde. Zij doet het nu en afgaand op de klaagzangs van de mannen staat ze er meer niet dan wel om kwart over drie. Maar dan ben ik raar.

JJ Cale is dood.

1919

Ik kende hem eigenlijk niet zo goed. Alleen van naam. Een cd had ik volgens mij van hem. Maar 1919, aangeschaft na een lezing van Herman Brusselmans die zei dat het een zijner favoriete platen was, heb ik drie keer beluisterd. Ik vond er geen bal aan. Die was naar later bleek ook niet van J.J., maar van John Cale. Dat is iemand anders.

Toch kon ik niet anders dan aan de man denken toen ik woensdagochtend om zeven uur, nog voordat ik broodjes ging smeren, met closetpapier naar de schuur liep om daar een in stukken gescheurde jonge merel op te ruimen.

Dat ligt deels aan mij. Ik laat me meeslepen door het beeld dat in zo’n documentaire van zo’n man wordt geschetst. Anderzijds: ik weet zeker dat Cale nooit van zijn leven een handoekenrekje heeft opgehangen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen