woensdag 1 april 2015

Voorbij de Watertoren (54) – In De Bus, De Whisky En De Dichter

Er is eigenlijk niet een heel goede reden te bedenken waarom mannen naar een whiskyfestival zouden moeten gaan. Het argument ‘we zijn liefhebbers’ houdt geen tien minuten stand, omdat de eerste de beste single malt een brandend spoor over je tong trekt, de smaakpapillen verdooft en een trekkend gevoel in je mond veroorzaakt, zodat je vanaf dat moment evengoed benzine of loog in je keel kunt gieten omdat je dat ook blij knikkend zou goedkeuren met: ‘ik proef amber, een beetje hazelnoot en Thaise curry’.

Ik zit in de bus naar huis. De tweenalaatste richting Slochteren. Omdat ik de volgende dag om zeven uur op moet heb ik die van 21.55 uur gepakt.

Katjelam, dat dan weer wel.

Achter me zit het meisje van de C1000, ik luister via oortjes naar Umar bin Hassan, een van The Last Poets, de Amerikaanse groep dichters en musici, die vanaf eind jaren zestig furore maakte. Mijn vrouw en ik zagen hem ooit in Vera. De cd die ik toen kocht is zelfs gesigneerd. ‘To Jotke’, staat er op, ‘Thanks, Umar’.
Joke is verkeerd gespeld. Engelsen en Amerikanen snappen die naam niet. Ook aan Salman Rushdie moest ik eens uitleggen dat mijn vrouw zo heet. Hij geloofde het niet. ‘Grepje’, verduidelijkte ik. Hij schudde zijn hoofd.

We seek an answer and become the question

Met de smaak van de Old Pulteney Navigator nog op mijn tong en de alcoholnevel in mijn hersenen klinkt Bin Hassan als God himself. Hij rijgt in zijn politiek en sociaal geladen rijmzinnen de een na de andere verpletterende wijsheid aaneen. Op de grens tussen Scharmer en Harkstede bedenk ik dat het gedicht ‘Personal things’ zo in de plaats van het ‘Onze Vader’ kan.

Blessed with live but then afraid to give

Rengerslaan, Kolham. Er is geen plek op de wereld verder weg van Harlem, New York, het thuis van de Poets en toch klinkt elk woord, gedragen door hypnotiserende ritmes van Bill Laswell, Ayib Dieng en Hamid Drake alsof het voor precies deze busrit is gemaakt. Met een pittig gangetje snellen we door het donker.

We rush towards beginnings that might be the end

Een meisje stapt uit en roept ‘Bedankt’ tegen de chauffeur. Hoezo, denk ik, die man doet gewoon zijn werk. Al weet ik dat ik straks ook door de bus lal: ,,Bedankt voor alles! We blijven contact houden!’’

Meer nog dan voor de whisky ga ik naar het festival voor een avond met mijn neef en oom. De een woont in Zuidlaren, de ander in Emmen. Familie kies je niet en toch zijn ze me even vertrouwd als mijn ouders. We hebben weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen.
Al benaderen we de proeverij op onze eigen manier. Mijn neef en ik houden van zilte, rokerige malts, alsof je de open haard leegdrinkt, mijn oom houdt van fruitiger, vanille-achtiger sferen. Dalwhinnie, dat werk. Oompjelief zorgt ook een beetje voor ons en bestelt halverwege de avond voor ieder een portie ‘Irish stew’. Om te voorkomen dat neef en ik alleen maar de stands aflopen, wijzend naar alles dat in ons glas moet.

Pointing fingers while our insides bleed
Committing suicide to fulfill a need

Ik kijk naar buiten en zie mezelf in het raam. Althans, dat wat anderen zien. Wat dat is weet ik niet. Mijn beeld zegt me niet zoveel. Het is wat het is. Ik zeg dat ik ‘katjelam’ ben, maar dat valt mee. Ik hou van het woord, omdat ik het vertaal naar vrolijk dronken. Zonder schuld, zonder weet van morgen. Leven in het hier en nu, het is mij niet gegeven. Ik denk altijd aan vroeger en later, aan wat ik heb gedaan, wat nog moet.

We speak of existing but have nothing to say
We touch religion and make it seem like hell

Denkend aan Umar bin Hassan, denk ik aan mijn vrouw en ik en toen we nog jong waren, alle tijd hadden. Dat ik nu om tien uur de bus neem is omdat de jongste zoon de volgende dag om negen uur moet voetballen. In Nieuw-Buinen. Dat is overigens geen opgave. Ik hou van simpele dingen, de eenvoud van het bestaan. Goed, mijn wieg stond in dat deel van de wereld waar je zo kunt denken, maar volgens mij is oorlog ook een keuze.

We make war reality
And call peace a dream

Altijd kijk ik in het voorbijaan naar de kerk in Slochteren. De koster heeft generaties kinderen laten zien waar de kogels in de toren zitten, overblijfselen van de Tachtigjarige oorlog. De troepen van weet ik niet meer wie trokken over de Hoofdweg richting Heiligerlee. Bij het godshuis denk ik echter vooral aan die ene winter, toen mijn oudste zoon meedeed aan een toneelstuk en de wereld bij het uitkomen van de kerk wit was en dikke vlokken naar beneden dwarrelden. Ik weet nog dat ik dacht: ,,Ja, zo moet het zijn.’’

Als ik vijf minuten later uitstap vergeet ik toch de chauffeur te groeten. Ik steek de weg over en wandel richting huis. Bij de jeu de boules-baan van woonzorgcentrum ’t Olderloug stop ik even en braak de Irish Stew in de bosjes.

Because we all must struggle
We all must try
Because somewhere in the future we all must die
But to leave al legacy that will long unfurl
That ours too was a struggle for a better world

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen