donderdag 26 maart 2015

Voorbij de Watertoren (53) – De Eeuwige Veenkoloniaal

Collega A. veegt me de mantel uit. Ze luistert naar een podcast-item over de interviewtraining bij de krant. Internetcollega M. wil dat ik mijn ervaringen met de lezers annex luisteraars deel. Want ook wij als journalisten leggen verantwoordelijkheid af. Het is niet meer alleen nieuws, achtergrond, duiding, analyse en opinie wat we de mensen voorschotelen, ook ‘het verhaal achter het verhaal’.

Over mijn interview had ik eerder mijn zegje gedaan via de podcast, nu ging het over nut en noodzaak van interviewtraining. Zeg maar ‘het verhaal achter het verhaal achter het verhaal’. Maar dat wat ik in de microfoon wauwelde bleek niet naar de zin van collega A. Ik moest eens normaal doen.

Niet lezen

 
,,Als ik dit luister denk ik: dat stuk moet ik helemaal niet lezen. Je noemt Frénk van der Linden ‘meesterinterviewer’ en je zegt dat je met klotsende oksels bij hem zit omdat je bang bent voor de kritiek. Daarmee suggereer je dat je normaal op schoolkrantniveau werkt en jouw verhaal een lucky shot is. Terwijl jij altijd een goed verhaal schrijft. Dat weet je zelf ook.’’

,,Nou, eh…’’

,,Stop daar mee. Met die achterlijke bescheidenheid.’’

Mijn enige verweer was dat het een grap was. Zweet in de oksels, haha, ja, zo zitten wij daar.

Collega A. zei dat als ik grappig wilde zijn ik dat dan niet met een doodgraversstem moest doen. Daar snapten de mensen niks van.

,,Waar ik vandaan kom wel.’’

,,Oooh, hou toch eens op met dat Veenkoloniën-gedoe. Dat kennen we nu wel. Je haalt jezelf voortdurend onderuit.’’

Ook klaar mee

 
Mijn vrouw gaf collega A. gelijk: ,,Ik ben daar ook zó klaar mee. Altijd dat onderdanige, dat dienende, dat eeuwige gezemel van we komen uit Oost-Groningen en we kunnen niks.’’

Ik haalde mijn schouders op en keek naar mijn ouders, die de oppasdag afsloten met een kopje koffie. Mijn vader vertelde dat hij tegen kennissen had gezegd dat ie het contact verbrak. Die mensen hadden een cabrio gekocht. Daarmee kwamen ze in een andere categorie mens, te hoog voor hem. Dat was, uiteraard, ook een grap.

Humor is geen Veenkoloniaalse uitvinding.

Waarom doen wij zo?

Ik denk aan de bundel ‘De eeuwige reserve’ van Jan Mulder. De titel slaat op mijn beleving van het Veenkoloniaal zijn. Alle mogelijke soorten mensen staan op het speelveld van het leven, wij zitten in de dugout. Alleen als de anderen echt niet meer kunnen - nog maar één been, hoofd er af -  mogen we met een ‘in godsnaam’ invallen. De enige opdracht: doe maar wat. We verwachten er niks van, dus het valt altijd mee.

Schrijven en zo

 
Ook met collega I. had ik het erover. Over schrijven en zo. Zij had volgens Frénk een interview gemaakt dat genomineerd zou moeten worden voor De Tegel, de hoogste journalistieke prijs. Collega I. had geen idee hoe dat moest, genomineerd raken.

Tegen haar kon ik wel zeggen dat ik me verbaasde dat mensen over mijn stukken begonnen. Zou niet mogen, ik zat er net tien maanden. In principe moest ik de journalistiek nog leren.

,,Zou het kunnen’’, vroeg collega I., ,,dat je heel goed bent?’’

,,Met die mogelijkheid hou ik geen rekening.’’

Verhalen schrijven is mijn werk. Daarvoor zit je bij de krant. Moet ik dat dan melden? Lijkt me niet. Al ontkom je er in tijd van Facebook en Twitter niet aan. Soms moet je complimenten en zo retweeten. Goed voor je naam, goed voor jezelf als brand.

Die ik in zo’n podcast weer om zeep help door te beweren dat ik met klotsende oksels bij Frénk op audiëntie ga en verzwijg dat Frénk ‘Hulde’ over mijn verhaal zei.

Dat is trouwens niet alleen bescheidenheid. Ook geen cultivering.

Om er af te wezen

 
Met die mislukte grappen trek ik een scherm op. Om er af te wezen. Om te voorkomen dat mijn hoofd boven het maaiveld komt. Alles wat omhoog gaat, kan vallen. Hard vallen. Dat kan ik niet aan. Omdat ik geen mens ben die van zichzelf uit gaat. Er zijn momenten dat ik het liefst opgerold in een hoekje lig. Ver weg van de wereld. Om geen andere reden dan dat die wereld, het leven, te groot is om aan te kunnen. Omdat het aan de ene kant zo bijzonder is en aan de andere kant zo eindig. Daar ben ik bang voor.

Daarom volhard ik in die zogenaamde Veenkoloniale bescheidenheid, omdat ik het dáár niet over wil hebben.

Collega A. kijkt naar mijn iPhone: ,,Wat is daar mee gebeurd?’’

,,Gevallen’’, zeg ik en laat haar de achterkant zien: ,,kijk, ook kapot.’’

,,Daar kun je toch niet meer mee bellen? Jij gaat nú een nieuwe bestellen.’’

,,Maar ik kan er nog best mee werken.’’

,,NU!’’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen