woensdag 4 maart 2015

Voorbij de Watertoren (50) - De gevaarlijkheid van het bewonderen van David Foster Wallace

Mijn drie literaire voorbeelden – Ernest Hemingway, Hunter S. Thompson en David Foster Wallace – hebben naast de eigenschap dat ze goed konden schrijven een andere gemeenschappelijke deler: ze kozen zelf voor hun einde. De eerste twee zetten op zeker moment een jachtgeweer in hun mond, de laatste knoopte zich op in zijn garage, met om zich heen in dozen het manuscript van zijn laatste boek The Pale King. Die is dus verschenen als unvollendete.

Er zit sozusagen een gevaarlijkheid in het bewonderen van deze mannen, Wallace in het bijzonder. Hij was ongeveer dezelfde leeftijd – 46 tegen 49 van mij – toen hij aan de aandacht van zijn vriendin ontsnapte. Die zelfgekozen dood intrigeert. Omdat ik er van overtuigd ben dat ik het nooit zal doen en dát precies is wat intrigeert. Omdat je dat dus niet met zekerheid kunt beweren. Voor hetzelfde geld is het andersom. Dat ik het ook wil, zonder het nog te weten.

Ik hoop het niet, maar: je weet het niet.

Werken bij de belasting

 
David Foster Wallace was, ietwat in tegenspraak met zijn coole uitstraling, ergens tussen dude en nerd, gefascineerd door de saaiheid van het bestaan. Daarover gaat ook zijn laatste boek. Hij kon zich niks geestdodenders voorstellen dan werken bij de belasting. Dat is trouwens de vraag, want als de belasting dezelfde telefoontjes en ingezonden brieven ontvangt die we bij de krant voor onze kiezen krijgen kan het niet anders of werken bij de belasting moet dag in dag uit een fascinerende ervaring zijn, maar goed, dat is weer een ander verhaal.

This is water

 
Het bekendste optreden van DFW is de ‘This is water’-speech voor de afgestudeerden aan het Kenyon College, met die ene anekdote over de zin van het leven.

Twee jonge vissen zwemmen in de zee, er komt een oudere langs en begroet ze met: ’Hoe is het water vandaag mannen?’ Als de oudere zijn weg vervolgt kijken de twee elkaar aan en vraagt de een: ’Wat is in vredesnaam water?’ (filmpje)

De strekking is – even heel kort door de bocht – dat het mysterie van het bestaan zit in het leven van alledag. Dat je op de een of andere manier moet zorgen dat je zingeving, of zelfs plezier, voldoening en rust, haalt uit die momenten dat je om tien voor zes in de rij bij de kassa staat, de tandarts bezoekt voor een wortelkanaalbehandeling, je kinderen voor de zeshonderduizendste toeblaft dat ze moeten opschieten met aankleden en broodje eten en eens achter die fokking iPad vandaan moeten komen en voor de zeshonderdduizendste keer in de file bent beland. De kunst is om dán om je heen te kijken en te zeggen: mensen, het leven is geweldig.

Aan de hanebalken

 
De ironie wil dat in de artikelen die ik nu aan het lezen ben - over een bezoek aan de Illinois State Fair, op campagne met John McCain – Wallace buitengewoon humoristich over die gewoonheid schrijft, maar zelf geen modus heeft kunnen vinden om er mee om te gaan. Anders ga je niet aan de hanebalken hangen.

Dat snap ik overigens wel. Als je er diep over nadenkt, is er niet veel. Over honderd, tweehonderd, jaar zijn wij dood en onze kinderen en kleinkinderen ook. Dan is van alles waar we nu waarde aan hechten, niks meer over. Dus: waar doen we het voor, wat is het punt?

Verschil tussen hem en mij is dat ik – opgegroeid in de Veenkoloniën - meer ervaringsdeskundige ben in het omgaan met saaiheid. Wallace groeide op in Champaign, Illinois, maar was dat in Oost-Groningen geweest, dan ben ik bang dat hij de dertig niet eens had gehaald. In Stadskanaal heb ik geleerd het vervelen tot kunst te verheven en ik haal wél vreugde uit het leven van alledag.

Vijftig tinten grijs

 
Ik stond een hele middag op het station in Meppel. Daar was niks. Behalve de fotograaf heb ik niemand gesproken en toch had ik het leuk. Op zaterdgochtend in Muntendam koukleumend naar Hoogezand F2 kijken? Genieten! In de winter een weekje op Schiermonnikoog, waar de term ‘vijftig tinten grijs’ een compleet andere lading krijgt; ik vind het fantastisch.

De gevaarlijkheid van het bewonderen van David Foster Wallace zit voor mij dan ook niet in een groeiende fascinatie voor de stevigheid van ons plafond, maar in zijn schrijven. Hij is echt goed. Het pagina’s lang doorgaan over allesbehalve spectaculaire items als landbouwbeurs en zweetangst is zo groots, dat ik – in de wetenschap dat ik dat niveau nooit zal halen – ernstig overweeg met schrijven te stoppen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen