woensdag 25 maart 2015

Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas (1) - Het gevoel van Groningen

Voor het literairhistorisch tijdschrift De Parelduiker (verkrijgbaar bij de betere boekhandel) schrijf ik de drieluik 'Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas', over Groningse schrijvers en hoe het land, de streek, in hun werk doorklinkt.

Deel 1, getiteld 'Het gevoel van Groningen' is onlangs verschenen en dat begint zo:
Jan Mulder (1945) is een wereldburger. Hij verruilde, net twintig jaar, Winschoten voor Brussel en voelde zich er onmiddellijk thuis. Goed, er was naar verluidt een incident met Rudolf Nurejev, die in het toilet van een nachtclub vroeg of de jongeman zijn lul wilde vasthouden, waarop Jan geschrokken meldde dat ze zulke dingen bij hem thuis niet deden, maar zet hem in een talkshow naast Catherine Deneuve en je zit als Groninger eens niet met plaatsvervangende schaamte naar een streekgenoot te kijken.

Als voetballer van RSCA Anderlecht, AFC Ajax en het Nederlandse Elftal voetbalde hij met en tegen de groten der aarde. De schrijver en tv-persoonlijkheid van nu is bevriend met Jeroen Henneman, Youp van ’t Hek, Kees van Kooten en Freek de Jonge. Zie hem bij De Wereld Draait Door en hij flirt, charmeert, provoceert, koketteert en fulmineert met een bijna Franse attitude. Of hij een minister tegenover zich heeft, of een actrice, Jan Mulder is zichzelf tussen de culturele elite.

Toch woont hij niet in Amsterdam of Brussel. Jan Mulder woont in Nieuwolda, in het huis waar Johanna van der Wal, zijn vrouw, geboren werd. De monumentale boerderij staat in het Oldambt, vlakbij Winschoten. Mulder keerde, aangekomen in de jaren des verstands, terug naar de streek van zijn jeugd. Ingegeven door een gevoel van verbondenheid met het land waar hij soms, op mooie zomerdagen, met een vriendje op de dijk ging liggen om naar Duitsland te kijken.

Het Oldambt is landbouwgebied, grenzend aan Westerwolde, Veenkoloniën, de Dollard en het Duitse Emsland. Dunbevolkt, met zo’n 40.000 inwoners. Kleigrond, al is Mulder geen man van de klei. Hij zag het levenslicht ’s nachts om kwart over drie in Bellingwolde, op 4 mei 1945. Die plaats ligt in Westerwolde, ‘waar de aardappelvelden eeuwig fluisteren, waar de koolzaadplukkers hun koolzaadplukkersliederen zingen en waar ’s winters een gure noordooster door de kieren kreunt.’

De provincie Groningen kent drie grondsoorten. Het veen graven we af, op klei verbouwen we gewassen en op het zand ontspannen we. Westerwolde is zandgrond en dat maakt hem volgens zijn broer Henk een ander type noorderling: ‘De klei-Groninger is wat meer de archetypische, gesloten Groninger, terwijl de zand-Groninger wat zachter, wat losser en opener is. De gestaalde communisten van oostelijk Groningen zitten op klei, richting Finsterwolde en Beerta, die vind je niet op het zand.’

Affiniteit met de poëtische kant van het leven kan Mulder niet ontzegd worden, dus dat zal wel kloppen. Omdat hij ook de liefde voor Winschoten en Oost-Groningen bezingt was hij voor iemand als ik, die zijn boeken haalde uit de bibliotheek van Stadskanaal, een openbaring. Literatuur stond tot dat moment voor mij synoniem met De herberg met het hoefijzer, Het behouden huis en Het bittere kruid, titels die op de verplichte boekenlijst stonden en waarvan uittrekselboekjes voorhanden waren. Mulder liet zien dat het kon, dat je prachtig kon schrijven en dat dat ook over het noorden van Nederland kon gaan, een gebied waar, zoals iedereen wist, niks was.

Hij opende voor mij de literatuur. Van hem ging het naar Brusselmans, Hemingway, Updike, Hunter Thompson. Zijn bundels De eeuwige reserve en Opmars der Strafschopgebieden heb ik zo vaak maar kon geleend. Een feest der herkenning. Omdat het over voetbal ging, om de treffende beschrijvingen van de Oost-Groningse couleur locale en om de mengeling van weemoed en ironie, dat waarmee je je hier staande houdt. Het plezier waarmee ik zijn boeken las is altijd gebleven, ook bij een later geschrift als Doodstil, zijn essay voor de Maand van de Spiritualiteit in 2013, over de wonderschone stilte uit zijn jeugd en ook bij Chez Stans, zijn in 2010 verschenen Belgische memoires. Dat boekt opent met de volgende scène:

‘Met een kap voor het gezicht en in een wijde broek van zeer sterk materiaal, spuitbus tegen zwermvorming en twee extra raten onder de armen, loop ik door de tuin. De eens zo fraaie galop die deze gestalte kenmerkte, heeft plaatsgemaakt voor curieus gescharrel met potjes en dozen. Een imker op weg naar de korven.

Het is halfzeven in de ochtend. De buurman is ook al op de trekker.

‘Morgen, Waalkens.’

‘Morgen, Mulder.’

‘Druk?’

‘Even bij de gerst kijken. En jij?’

‘Ik ga naar mijn bijen.’

‘Honing, dat is de smaak van de lente, Mulder.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen