woensdag 25 februari 2015

Voorbij de Watertoren (49) - Een avond van dood katoen

De nachtchef keek op: ,,Ah, daar hebben we De Tegenlezer. Mooi dat je er bent. Welkom.’’

,,Bedankt’’, zei ik.

Hij wees zonder iets te zeggen op een grote tafel. Daar lag een stapel printjes van pagina’s. Ik kon meteen aan de slag. Omdat ik gehoord had dat het pittig kon zijn pakte ik een pen uit mijn jas, ging zitten en begon te lezen.

De Tegenlezer is een even simpele als mysterieuze functie. Het is de man of vrouw die ’s avonds bij de eindredactie aanschuift en alle pagina’s doorneemt op punten en komma’s, tik- en taalfouten, kromme zinnen, rare koppen en onderschriften en niet-bestaande grammatica. Oftewel: de laatste stofkam alvorens de krant ter perse gaat en ik vermoed vooral om te voorkomen dat schuimbekkende ex-leraren Nederlands de volgende dag de hoofdredacteur wensen te spreken en de tirades over zoveel domheid, of nee, nog erger, onkunde, afsluiten met de verzuchting dat iedereen bij de krant terug in de schoolbanken moet.

Alle journalisten zijn eens in de zoveel tijd aan de beurt. Tot en met de hoofdredacteur en algemeen directeur. De compensatie in tijd is om te huilen, maar je doet het zonder morren.

Eerste keer

 
Het was mijn eerste keer. Ik stond nog niet ingeroosterd en op het mailtje van de redactiesecretaresse van: jongens er is een vacature voor vrijdag, had ik gereageerd. Ik wilde het wel eens meemaken en had gehoord dat er op vrijdag na afloop een biertje klaarstond.

Hoe het De Tegenlezer is vergaan is voor mij een hoogtepunt van de nachtbrief. Als de laatste pagina door is mailt de nachtchef een schrijven rond met de bevindingen van de avond en daarin is steevast een kleine edoch intrigerende rol weggelegd voor De Tegenlezer: ‘Collega A. las voor ons de pagina’s. Hij noemde het een avond van dood katoen. Morgen verwelkomen wij collega K.’

Een andere keer ‘behoedde collega L. ons voor een pijnlijke fout op de vp’, weer een andere keer schaterlachte collega J. zich door de kopij’ en het allermooiste was toen ‘collega M. tussen de bedrijven door tijd had om een boek in een buitenlandse taal te lezen’.

Ik wilde ook een keer De Tegenlezer zijn.

Dat heeft te maken met de manier waarop ik het werk beleef. Het zou een gotspé zijn om te beweren dat ik de journalistieke hoop in bange dagen ben, maar ik hou van kranten maken. De Tegenlezer is een typisch krantenfenomeen. Een uiting van liefde. Zoals de bloemist een boeketje nog even schikt, de slager een plakje leverworst in de tas doet en de autoverkoper een mugje van de voorruit veegt.

In een hoekje

 
Spectaculair is het niet. De redactievloer is zo goed als verlaten. In een hoekje werkt rechtbankverslaggever R. nog aan een stukje, theaterrecensent en man zonder leeftijd J. d’A. schuift ongemerkt achter zijn bureau en is even plotseling weer verdwenen en collega P. van de sport maakt zijn pagina’s op en ziet ondertussen op de tv hoe Cambuur met 2-0 het schip in gaat.

Als ik koffie haal praat ik even bij met P. Hij leerde me ooit dat je een stuk nooit begint met ‘Afgelopen weekend’ en hij diende een trainer eens van repliek met de de mededeling dat hij langer verslaggever bij de krant zou zijn dan de aangesprokene coach van SC Veendam.

De eindredactie doet grotendeels zwijgend haar werk. Een aantal mannen en vrouwen aan een bureaublok, achter enorme schermen. Meer is er niet te zien. Als iemand had gezegd: hier worden overlijdensberichten ingetikt had ik het ook geloofd. Op momenten dat ik even niks te doen heb kijk ik rond, observeer de mannen en vrouwen. Soms kijkt er een terug.

Collega G. schudt zijn hoofd. Een schampere lach doorbreekt de stilte. Op de regioredacties schelden we iedere ochtend op die oenen die onze teksten weer eens hebben verkloot, maar elke avond proberen de eindredacteuren, het huilen nader dan het lachen, nog iets leesbaars te brouwen van de Bagger met hoofdletter B die wij aanleveren. Ik hoorde van G. zelfs een bijnaam voor een naar ik dacht gewaardeerde collega.

Alledag

 
Maar toch, toch voelde ik een verbondenheid. Dat wat je soms kunt voelen in de sleur van alledag. Kranten maken is wat wij doen, dit zijn wij. Ook al foeteren we op elkaar, wat we elke dag willen is een mooie krant. Je kunt er van alles van vinden, bijvoorbeeld dat ie op het punt staat te verdwijnen (wat ik niet geloof, maar dat terzijde) en al die ex-leraren Nederlands vinden altijd wat, de insteek is: dat wat er in staat moet ergens over gaan, moet kloppen. Gecheckt, getoetst, gecontroleerd.

Als collega K. halverwege de avond een duik in de koelkast neemt veer ik op. Ze tovert drie, vier, vijf, uiteindelijk zeven biertjes tevoorschijn. Dat wordt tikkerij straks, denk ik, met mij erbij zijn we twaalf man.

Dat biertje haal ik echter niet. Om half elf zegt de nachtchef dat ik mag gaan.

,,Nu al? Komt er niks meer?’’

,,Kan nooit veel zijn. Die paar doen we zelf wel. Het is toch rustig. Bedankt dat je er was.’’

Het was een avond van dood katoen. Hoeveel pagina’s ik onder ogen heb gehad, geen idee, wat ik allemaal gelezen heb, al sla je me dood, maar ik ging naar huis met het gevoel dat ik iets belangrijks had gedaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen