woensdag 18 februari 2015

Voorbij de Watertoren 48 - De Hond Die Een Dag Bij Ons Was

Zelfs toen mijn vrouw met de portemonnee op het dak van haar auto van de Herestraat naar de Oosterparkwijk reed en hem bij de kinderopvang met een olijk ‘oh, daar ist-ie’ weer pakte was ik minder verbaasd dan toen ik om zeven uur ’s ochtends van slaapkamer naar keuken liep en vanuit de hal een hond bij de voordeur zag liggen.

Ik liep eerst door, toen een stukje terug, keek stiekum om het hoekje, hopende dat het een droom was, maar zag recht in twee bruine ogen.

Woef, blafte de hond.

,,Fuckaduck’’, zei ik.

Opgegroeid in de Veenkoloniën, waar niks tussen hemel en aarde was, geloofde ik niet in geestverschijningen of entiteiten, maar de rillingen liepen me over de rug.

Het was zover, dacht ik. Dit ging in films ook zo. Een aanzegger van onheil. The Mothman Prophecies. Ze kwamen me halen. Charon had alvast zijn hond gestuurd.

Woef, klonk het opnieuw.

Dat bracht me bij zinnen. Ondoden deden hun werk in stilte, niet met olijk geblaf. Misschien was het voor een van de andere leden van het gezin. Dus riep ik richting slaapkamers: ,,Kom eens jongens. Dit geloof je niet. Er staat een hond voor de deur.’’

Meteen drie man naast me en meteen bestookte mijn vrouw me met vragen: ,,Wat moet ie hier? Hoe komt ie hier. Van wie istie? En wat moeten we hier nu weer mee?’’

Niks, was mijn idee. We hadden nog een uur tot we de deur uitmoesten, die tijd waren we nodig. Die hond was zielig ja, edoch niet ons probleem. Hij was buiten en dat moest zo blijven.

,,Laat hem binnen’’, zei mijn vrouw.

,,Nee’’, zei ik, ,,als we hem eten geven gaat ie nooit meer weg.’’

Wij aten een broodje, kleden ons aan en liepen af en toe langs de voordeur om te kijken of ie er nog zat. Zo losten wij de dingen op. Je liep er gewoon bij weg en dan verdween een probleem vanzelf.

Woef, klonk het telkens.

De hond sprong hoopvol op als hij ons zag, maar wij keken zoals Henk Kamp naar protesterende Groningers. Ik twitterde nog wel even dat een ons onbekende hond voor onze voordeur lag, maar niemand zei: ‘Hé, die is van mij.’

De situatie was er wel naar om even een punt te maken.

,,Wie wilde er ook alweer een hond’’, vroeg ik onder het broodje eten, ,,want zie je: het is nu kwart over zeven, het regent en als dit ons huisdier was, zou er nu iemand hem moeten uit laten.’’

,,Ik kan’t niet wachten’’, zei Hunter, mijn vrouw zei dat ze nog in pyama was en Reyer keek alsof ik poep op de muren smeerde.

,,Dus’’, vervolgde ik, ,,komt er geen hond. Nu niet. Nooit niet. Er blijft een iemand over die het moet doen. Daar heeft papa geen zin in.’’

Wij gingen de deur uit. Er was nog geen reden tot paniek. De hond zag er goed verzorgd uit, lag droog onder het afdakje en het kon niet anders of hij zou, als wij weg waren, teruggaan naar waar hij vandaan kwam. Of iemand zou gaan zoeken, al roepende door de straat lopen en tadaaa.

Maar om half vier, toen de rest van het gezin net thuis was, kreeg ik al een telefoontje: ,,Hij zit er nog steeds. We hebben hem nu wel in huis gehaald en eten gegeven. Wat moeten we hiermee?’’

Een asiel kenden we niet in het dorp, bij de dierenarts een dorp verderop was geen vermissing binnengekomen en van het telefonisch contact met de dierenambulance kreeg ik hoofdpijn. Welke van de zes nummers ik ook belde, telkens sprak ik met een mevrouw die vertelde dat Slochteren sinds kort niet meer tot haar werkgebied hoorde en dat ze net een reorganisatie achter de rug hadden.

,,Da’s niet zo mooi’’, zei ik, ,,nu even terug naar de hond.’’

Als het echt niet anders kon wilde ze hem wel ophalen. Toen zaten we met een dilemma. De dierenambulance bracht hem natuurlijk naar het asiel en dat vonden we zielig. Ik wil niet zeggen dat we inmiddels aan het beest gehecht waren, maar ik zal al te denken hoe het met vakanties moest nu. Ik ben opgegroeid met honden.

,,Heb je honger’’, vroeg ik.

Woef, blafte de hond en in een twintig seconden schrokte hij een blikje Pedigree weg.

Ik ging voor het raam staan om na te denken en zag buiten iemand met een hond. Ik rende naar buiten en vroeg die iemand of hij een ander iemand kende met een hond die er zo en zo uitzag. Nee, maar ik moest het huis op de hoek van de straat maar eens proberen. Daar liep er vaak een los. Dat was zo, zei de zoon des huizes, maar hij was nog niet uitgesproken of ik hoorde achter hem geblaf.

Laat maar, dacht ik.

Net toen ik naar hun buren wilde, ging de telefoon: ,,Jij hebt mijn hond!’’

Hoewel ik moest lachen toen ik hoorde met wie ik te doen had verbaasde me het ook weer niet. Een gemeenschappelijke collega had haar via Twitter getipt, maar als je in een dorp iets vindt is dat altijd van een bekende. Ze woonde vlakbij. Nu ja, een kilometer of vijf, zes, verderop. Op het platteland is dat vlakbij.

Ze stond binnen tien minuten met haar man voor de deur: ,,Jullie wonen leuk. Oh, mag ik even binnenkijken.’’

De hond kwam, een halve seconde nadat hij haar stemde hoorde, aanrennen.

,,Het is trouwens een zij’’, zei de vrouw.

We kregen een flesje wijn en even plotseling als de hond er was, was ze weer verdwenen. Het werd ineens stil in huis. Heel stil.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen