woensdag 5 november 2014

Voorbij de Watertoren (34) – Er ligt een zakje xtc achter mij

De kans dat ik van mijn vrouw mag is klein, maar als ik op het werk ben denk ik onophoudelijk aan de xtc van de stagiaire. Het is niet zo dat we een junk op de redactie hebben, ze had ze mee om te laten testen bij een of andere instantie. Sindsdien ligt achter mij, op haar bureau, een zakje met pilletjes. Klaar om gebruikt te worden. Er is niets dat me tegenhoudt. Van haar mag ik wel.

We verbazen ons wederzijds. Ik over het feit dat een ogenschijnlijk keurige jongedame (een oubollige omschrijving, maar bij elke andere kwalificatie gaan de alarmbellen bij mijn vrouw rinkelen) zomaar xtc koopt. Zij omdat het de eerste keer is dat een 49-jarige zelfs maar in de buurt van drugs is. En ik heb alleen het zakje nog maar aangeraakt.

Een collega haalde zijn schouders op. Is zich iets meer bewust van het feit dat de jeugd van nu er vertrouwd mee is. Al groeide hij net als ik op in een tijd en in een regio waar dit soort dingen niet voor het grijpen lag: ,,We dronken bier tot we er bij neervielen. Daarna nog een paar borrels om het af te maken. Verder hadden we ja niks.’’

Er gaat bijna geen dag voorbij of ik vraag de stagiaire naar de xtc. Jij weet dus waar je dit kunt krijgen? Ja. Is het duur? Nee. Vijf euro per pil. Gebruik jij dit vaak? Heel soms. Is het wel goed spul? Ja, dat had de test bij de instantie aangetoond. De ene pil was zwaarder dan de ander, maar alles geschikt voor consumptie. En, de belangrijkste vraag: wat gebeurt er met je?

Je wordt er gelukkig van.

Een andere collega riep dat wat ook mijn eerste gedachte was: ,,Dan moeten alle Groningers aan de xtc!’’

We zijn op een punt aangekomen dat bier drinken niet meer helpt. Wil je iets voelen, moet er minimaal een halve krat achterover. Of meteen aan de borrel. Zelfs dan. Pas na vier jenevers begint het te komen. Terwijl een half pilletje zou volstaan. Al maakte de stagiaire de nauwelijks vleiende opmerking dat ik vast meer aan kon.

,,Misschien’’, zei ik, ,,ik ben honderd kilo.’’

,,Echt?’’

,,Helaas wel. Maar ik heb ook zware botten.’’

Ik zou best willen, maar ik durf niet. Alleen als er een ambulance met draaiende motor voor de deur staat. Mijn lichamelijke conditie is dramatisch. Ik sport nauwelijks, drink meer dan verstandig is en schuif soms hele knoflookworsten en zakken chips naar binnen. Dat hoor ik dan ook als mensen mij na lange tijd zien. Je bent veranderd in het gezicht, is de meest vriendelijke opmerking.

Ik ben bang voor mezelf. Bang dat ik neerval, schuim op de bek. Of een hartaanval krijg, dan wel van pure vreugde met mijn hoofd door een computerscherm of muur ram. Het is daarom dat ik dagelijks met een mengeling van doodsangst en begerigheid naar die pilletjes kijk. Verboden vruchten. Verboden, maar evengoed een vrucht. Ik weet nu wat er door Eva heen ging.

Omdat de term ‘gelukkig’ rekbaar is en ik in die emotie wisselende ervaringen heb, vroeg ik nog even door: ,,Wat voel je precies?’’

Dat bleek een bijzonder prettig gevoel te zijn, dat, als het begon, vanaf je tenen door je hele lichaam omhoog trok. En je vond alle mensen om je heen lief. Je ging ontzettend van iedereen houden. Daarna ging mijn fantasie op de loop en stelde ik me voor dat dat houden van heel ver ging. De remmen los, zeg maar. Dat was volgens de stagiaire niet zo. In ieder geval niet bij haar. Zij is Drentse en sowieso niet gericht op vreemden.

Zoals we al dachten: net iets voor ons, Groningers. De nadelen zijn immers te verwaarlozen. Als het uitgewerkt was, werd je er volgens de stagiaire depressief van. Maar dat waren we al.

De angst voor het onbekende, dat deel van mijn bewustzijn dat me beschermt en zegt ‘zou dom zijn’, weerhoudt me ervan de pilletjes te pakken. Maar zo lang zij nog bij ons is, blijf ik er mee bezig. En ik heb binnenkort weekenddienst. Dan zit ik twee dagen alleen op kantoor. Helemaal alleen. Met achter mij dat zakje.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen