zondag 2 november 2014

Lagen in Stad - El Pielemosie

Het boek Lagen in Stad werd gisteren verkozen tot Beste Groninger Boek in de categorie non-fictie. Een aantal schrijvers heeft daarin een fictief verhaal aan de hand van een voorwerpen dat ergens in de stad is gevonden. Dit is mijn bijdrage aan de hand van een insigne met de afbeelding van een man met een enorme piemel.



 
 
El Pielemosie

 
Alle vrouwen waren het er over eens. Zijn ogen, daar ging het om. Van het helderste blauw ooit bij een man gezien. Dwingende ogen, betoverende ogen. Ogen die een belofte verborgen hielden en die maakten dat ze als een blok voor hem vielen. De eerste keer dat Johanna hem zag, toen hij plots in de deuropening van café De Gezellige Kater stond, liet de waardin een dienblad met tinnen bekers vallen. Gerben keek op. Zijn vrouw liet nooit iets vallen.

Als het warmer werd en de dagen langer en de wind niet, zoals gebruikelijk, uit het noordoosten kwam, maar uit het zuiden, waaiden er vreemde vogels de stad Groningen binnen. Ze kwamen van heinde en ver, gingen gekleed in kleurige gewaden en spraken vreemde talen. Het waren ambachtslieden, handelsreizigers, troubadours, gelukzoekers, predikers. Mannen en soms vrouwen, die een onbekende wereld meebrachten; verpakt in fijne stoffen, kruiden, specerijen, verhalen, muziek en soms, problemen. El Pielemosie, zoals de Groningers de man met de blauwe ogen zouden noemen, was een van hen. Ook hij kwam iets brengen.

De Gezellig Kater bevond zich aan het Kattendiep, dat toentertijd, in de jaren zeventig van de vijftiende eeuw, nog echt een kanaal was. Het café annex logement was het eerste etablissement dat een reiziger zag als hij van die kant Groningen binnenkwam. Ook in die dagen was het in de Noord-Nederlandse havenstad een komen en gaan van mensen en het was niet zo dat de stadjers geen vreemdelingen gewend waren; deze man was echt anders.

‘Misschien is hij niet te vertrouwen’, sneerde Keetje de Weduwvrouw naar de aanwezige mannen, ‘maar hij heeft iets wat jullie nooit zullen krijgen.’

‘En wat dan wel?’, snauwde Boelo, die getuige zijn dikke buik, rode neus en pafferige ogen meer dronk dan goed voor hem was.

‘Stijl.’

Hij had wel iets van een zigeuner en moest van heel ver zijn gekomen. Zijn beige uniform vertoonde slijtplekken en op zijn cape was het stof van alle wegen verzameld. Een soldaat of officier zou er echter nooit zo slordig bijlopen. Een doedelzak paste evenmin bij een man onder de wapenen. Muzikant dus, troubadour.

‘Maar wel een echte meneer’, vond ook Johanna.

‘Je bedoelt een echte sjap’, schamperde Gerben, ‘een blik op dat insigne en je weet genoeg.’

Ondanks de twijfels heetten ze de vreemdeling naar goed Gronings gebruik een hartelijk welkom. De stad lag in een uithoek van het land en het was een stad in uitbreiding en een ieder die zijn steentje wilde bijdragen werd met alle egards ontvangen. Er werd druk gewerkt aan een nieuwe stadswal, er kwamen aan de zuidoostkant huizen bij, voorbij de Oosterstraat en Peperstraat en in het centrum werd druk gemetseld en getimmerd aan een majestueuze toren, opgetrokken uit Bentheimer zandsteen. Een monument voor de heilige Martinus. Na gedane arbeid was er behoefte aan ontspanning. Een borrel, een lied, of een goed verhaal en er werd gedronken en gedanst. Dus was er plek voor een muzikant.

De Gezellige Kater was een van de cafés waar het volk zich vermaakte. Gerben en Johanna waren de uitbaters. Ze waren halverwege de twintig en zagen een zonnige toekomst. Het idee was een kapitaaltje op te bouwen, zodat Gerben in zaken kon gaan en zijn vrouw de handen vrij had voor het moederschap. Ze wilden veel kinderen. De voorziening, het lot, of wellicht de Lieve Heer zelf had het huwelijk evenwel nog niet met een vrucht bezegeld. Tot hun beider verdriet, al bleven ze hoopvol. Ze bleven hard werken en ze bleven dromen.

Elke man, wie hij ook is en waar hij vandaan komt, is een drinker en dus een klant. Iemand die voor omzet zorgt en zo keken ze tegen El Pielemosie aan. Dat hij op een bijzondere manier zijn rekening zou betalen, daarvan hadden ze geen vermoeden, al zat de waard in de goede richting met zijn opmerking over het insigne, dat aan een ketting om zijn nek hing en de vorm had van een grote stijve piemel.

Het was geen voorbijganger. De doedelzakspeler nam zijn intrek in een van de kamertjes, bleef daar de hele dag en kwam tegen het einde van de middag, als het werkvolk langzaam binnendruppelde, naar beneden. Uiteraard sprak de man geen woord Nederlands, laat staan Gronings, maar hij kende goocheltrucs en zong, zichzelf begeleidend op het instrument.

‘Hij spreekt met zijn ogen’, zei Johanna.

‘En met iets anders’, zei Gerben.

Zijn liederen waren doordrenkt met weemoed. De Groningers verstonden er niks van, maar het riep een verlangen op naar iets dat ze niet kenden en elke avond kwamen er meer en meer mensen naar het Kattendiep, om te luisteren naar de zigeunerman met zijn blauwe ogen. Dat leidde al na een week tot een overeenkomst. El Pielemosie mocht gratis logeren zolang hij bleef spelen. Zijn enige maaltijd per dag betaalde hij met de muntstukken die het publiek in zijn hoed wierp. En het waren niet alleen mannen die luisterden, vooral vrouwen vonden de weg naar Gezellige Kater en omdat de wind die zomer lang uit het zuiden bleef komen was het alle dagen feest.

De mensen raakte nieuwsgierig naar de man achter de muziek. Wat was zijn verhaal? Omdat hij niet meer dan een paar woorden sprak, moesten ze daar naar gissen. Totdat Jan de Kwakker, die zijn brood verdiende als drekmenner, dacht te weten wie de Groningers voor zich hadden. Dit moest de man zijn over wie de wildste verhalen de ronde deden, vooral vanwege die ene eigenschap. De reden dat ze hem El Pielemosie gingen noemen. Hij was bijzonder groot geschapen. Zijn geslacht zou van bovenmenselijke afmetingen zijn. Dat verklaarde in ieder geval de afbeelding op het insigne en De Kwakker waarschuwde dat alle mannen goed op hun vrouwen moesten letten.

‘En…’, voegde De Kwakker er geheimzinnig aan toe, ‘hou dat insigne in de gaten. Daar is iets mee. Vooral met die punt. Als een vrouw er mee wordt geprikt, heb ik gehoord, raakt ze zwanger van een kind met zwart haar en blauwe ogen.’

De mannen uit de zuidoosthoek van de stad namen zijn geklets meestal maar voor half waar, Gerben werd er dit keer echter onrustig van: ‘Jij praat wat je vervoert.’

‘En dat is?’

‘Poep.’

De Kwakker had inderdaad een rijke fantasie. Vooral met een wijntje te veel op. Hij beweerde in zijn jonge jaren veel te hebben gereisd. Tot achter de horizon, waar mensen woonden die zo zwart als roet waren. De drekmenner vertelde over vrouwen met giraffenekken, over een geel ras, dat een muur had gebouwd die over alle bergen ging. Ook was er een streek waar de mannen jurken hadden en de vrouwen snorren. Achter immense vlaktes waar niets wilde groeien behalve geel zand, woonden koningen met duizend vrouwen en El Pielemosie kwam, zo zei hij, uit die wereld. Dat moest wel.

Het klonk als een sprookje, maar afgaand op hoe de vrouwen van Groningen zich gedroegen in de buurt van de zigeunerman zou het waar kunnen zijn. Er was een vaste schare fans die zich elke avond onder aanvoering van Knappe Keetje rond zijn stoel groepeerde. Zij lieten op niet mis te verstane wijze blijken dat ze wel eens wilden weten of dat wat er over hem werd verteld waar was. Ze toonden hem hun enkels en gaven zelfs een inkijkje in hun decollete.

Gerben lette elke avond scherp op zijn vrouw, of zij misschien ook in de ban raakte. Sinds zijn entree, toen zij het blad met tinnen bekers had laten vallen, was er iets veranderd, al kon hij er geen vinger achter krijgen. Terwijl vrijpostige bezoeksters niet onder stoelen of banken staken wat ze met die El Pielemosie van plan waren, gedroeg Johanna zich net als anders. Ze keek soms scherp naar de doedelzakspeler, maar dat deed ze ook naar andere aanwezigen. Overdag bleek er op het oog evenmin aanleiding tot ongerustheid. De gast sliep een groot deel van de dag, ging zelden de stad in en als ’s avonds de laatste noot had geklonken, pakte hij een fles wijn en vertrok naar zijn kamer.

De waard bleef niettemin op zijn hoede. Johanna was een mooie vrouw. Het zou niet de eerste keer zijn dat een andere man naar haar hand dong. Ze kwamen echter zelden bij elkaar in de buurt. Het enige moment waarop er iets zou kunnen gebeuren was als Gerben bij leveranciers of de brouwerij langs ging om bestellingen te plaatsen. Maar dat was voor in de middag en dan deed zijn vrouw de was en lag de vreemdeling nog in diepe rust.

De zigeunerman gedroeg zich in het geheel niet, zoals De Kwakker had voorspeld, als de man die alle vrouwen van Groningen ging schaken. El Pielemosie reageerde nauwelijks op geflirt. Al wat hij het gewillige vrouwvolk schonk was een verlegen lach, een handkus, of een knipoog. Geen van de dames mocht mee naar zijn kamer. Dat hadden Gerben en Johanna trouwens ook niet goedgekeurd. Ze hadden een nette zaak en dat moest zo blijven. Wie wat wilde deed dat maar thuis of in een steeg.

‘Misschien houdt hij niet van vrouwen’, opperde Boelo.

‘Jullie letten niet goed op’, bezwoer De Kwakker.

Ze keken op dat moment jaloers hoe Knappe Keetje naar El Pielemosie lonkte. Daar konden zij alleen maar van dromen. Maar wat er ook gebeurde, de doedelzakspeler liet zich niet verleiden. Zelfs niet op de laatste dag, toen er een einde aan die lange hete zomer kwam en de zon alweer achter de huizen opkwam toen de laatste klant het café uit strompelde. Het was een bijzondere avond geweest. Een ieder leek te voorvoelen dat de vrolijke dagen voorlopig voorbij waren. Het was al eind september, de wind uit het zuiden ging langzaam liggen, maakte plaats voor de Noordooster die een nieuwe winter inleidde en het bonte volkje, de handelsreizigers, de kruidendokters en muzikanten, besloot dat het tijd was om verder te trekken.

Ook El Pielemosie stond op een dag beneden. Met een ‘goidag luu’ met een zwaar oosters accent nam hij afscheid. Hij gooide zijn plunjezak op zijn rug en vertrok te voet. Hoewel ze goede zaken hadden gedaan, kon Gerben een gevoel van opluchting niet onderdrukken. Eind goed al goed. Maar hij had het nog niet gedacht, of er trok een rilling over zijn rug. Er was iets vreemds aan de doedelzakspeler geweest die morgen. En net toen de zigeunerman aan het eind van het Kattendiep de hoek omging, wist hij wat. Het insigne dat om zijn nek hing was verdwenen.

‘Zag je dat?’, vroeg hij.

Johanna gaf echter geen antwoord en liep langs hem heen naar binnen, de handen stevig geklemd om een metalen voorwerp, onzichtbaar voor Gerben verborgen in haar schort. Ze voelde dat ze een kleur kreeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen