woensdag 8 oktober 2014

Voorbij de Watertoren (30) - Een stukje service naar de mensen toe


De garagehouder keek bedenkelijk. Het zat hem al niet lekker dat hij mij een leenfiets meegaf in plaats van een leenauto, maar er zat ook nog een bochel in het achterwiel.

‘Nou en?’

‘Dat vind ik geen goede service naar jou toe.’

Ik zei dat ik daar niet wakker van lag. Hij reed toch? Als hij eens wist op wat voor tweewielers ik mij door het leven had gefietst. Soms waren dat niet eens meer tweewielers. Ik vroeg waar dat ding stond, dat bleek voor de showroom, waar ik al de hele tijd naar had staan kijken, stapte op en karde naar huis.

Het reed inderdaad wat ongemakkelijk, maar dat had minder met de bochel te maken dan met het loopvlak dat op twee plekken losliet. Dat maakte een raar flappend geluid, alsof er een grote vogel naast me vloog. Toen ik me had verzekerd dat de band niet zou barsten ging ik verder met me verbazen over dat de garagehouder zich zorgen maakte over wat ik doorgaans ‘een stukje service naar de mensen toe’ noem.

Die term gebruikten mijn collega’s en ik een tijdje te pas en te onpas. Als ik koffie ging halen vroeg ik of de anderen ook wilden, ‘voor een stukje pauzebeleving naar de collega’s toe’. Als ik zei op tijd naar huis te gaan om mijn zoons op te halen, noemde ik dat ‘een stukje ouderschap naar de kinderen toe’. Als je even zat te facebooken was dat voor ‘een stukje social media naar de mensen toe’.

De kreet is een overblijfsel van de ontelbare zakennieuwtjes die we voor de krant maakten. Dan was er een nieuwe winkel, uitbreiding of een behaald kwaliteitscertificaat en als je dan vroeg wat de zaak onderscheidde van anderen in die branche klonk het altijd: ‘Net even dat extra stukje kwaliteit en een extra stukje service naar de mensen toe.’

Alle ondernemers zeiden het. Ik tikte het braaf op, het was wel je brood.

Als je de week erop echter met je auto bij om het even welke garage kwam wekten ze de indruk dat ze liever hadden dat je ter plekke doodviel met je gezeur. Het kon nooit dezelfde dag, morgen werd ‘heel moeilijk’. Meestal ‘begin volgende week’: ,,En je bent hem een dag of wat kwijt. Leenauto? Heb je niemand die je kan ophalen?’

De monteurs zaten gewoon niet op jouw auto te wachten. Ingewikkeld kijken moet onderdeel van de opleiding zijn. Dat kan niet anders. De rekening was meestal ter hoogte van het overnamebedrag voor de hele vestiging, inclusief bodemsanering en achterstallig jaarsalaris en dertiende maand voor het complete personeel.
Op de een of andere manier had ik altijd het gevoel dat ik werd verneukt. Dat kon ik nooit staven omdat ik de ballen verstand van techniek heb, maar er zijn toch rekeningen geweest. Je moest altijd je telefoonnummer doorgeven, maar je werd nooit gebeld. Al was de hele voortrein vervangen omdat de boel bij het schoonblazen van de remblokken toch open lag, informeren of het goed was ho maar. Als je er iets van zei ging de blik op dead pan. Betalen en bek houden.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik lang in wagens reed van een weinig gangbaar type en van een zekere leeftijd. Dat is vragen om problemen. Een van de mooiste, een Range Rover, deed enorm van ‘kloink’ als ik hem in de achteruit zette. Er zat een V8 in en toen op zeker moment de koppakking lekte, durfde niemand eraan. Ik moest naar Westerbork en van daaruit met het openbaar vervoer weer naar Winschoten. Het ruitewissermechanisme van de Toyota Landcruiser uit 1978 kwam met de boot uit Afrika en het reservewiel van het Suzuki-jeepje had de Asser garagehouder uitgeleend. Wanneer ik die kon ophalen? Ik moest maar bellen wanneer het hun schikte. Dat ik tot twee keer toe vergeefs richting de Drentse provinciehoofdstad reed, daar was hij niet mee bezig. Wat nou stukje service?

Dankzij die grappenmakers bel ik nog steeds met angst en beven bij ‘een rammeltje onder de motorkap’. Al ligt dat niet aan mijn huidige garage. Hij woont in het dorp en we behoren tot dezelfde vriendenkring. Hij kan me dus niet verneuken. Ik hem trouwens ook niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen