maandag 9 juni 2014

Voorbij de Watertoren (20) – Vingers tussen de deur

Een van de ergste nachtmerries voor een ouder is dat je bij het dichttrekken van de schuurdeur denkt: goh, wat klemt dat ding ja weer en je bij het nog maar eens stevig aantrekken ineens realiseert dat er een kind achter je loopt, je hetzelfde moment voelt hoe een koude staaf in je maag wordt geboord en je, als je je omdraait, recht in het gezicht van een geluidloos huilend kind kijkt die een slap geworden handje omhooghoudt.

Wat je als ouder natuurlijk moet doen is de krat bier en twee tassen boodschappen neerzetten, je kind troosten en zorgen dat er weer leven in de vingertjes komt, maar ik vrees dat ik een ouder ben die op zo’n moment veel meer zin heeft om te schreeuwen: ‘Hoe. Vaak. Hoehoe. vaa-haak. Hoehoehoe. Vaa-haa-haak. Heb. Ik. Niet. Gezegd. Niet. Je. Vingers. Daar. Neer. Zetten? Heeft pappa gewaarschuwd of niet?’

Maar zo werkt het niet.

Vooral niet vloeken

 
Je kunt slechts een ding: tot tien tellen, proberen je frustratie binnen te houden, vooral niet vloeken, net doen of het de schuld van die deur is en helpen. Jij bent de volwassene. Kinderen weten niks, kinderen kunnen niks, kinderen zijn dom. In ieder geval: ze luisteren niet.

Om eerlijk te zijn: ik heb daar moeite mee.

Wat ik niet snap en nooit zal snappen (mijn vrouw wel, die beschikt over iets dat ‘geduld’ heet) is dat als je vier keer waarschuwt het dan nog niet duidelijk is. Ik bedoel: hoe moeilijk kan het zijn?

Ik hoor mezelf voortdurend in herhaling vallen (ook dit stukje is een herhaling van zetten, ik heb hier zo vaak over geschreven dat ik mezelf niet eens meer kan lezen en eigenlijk wil ik er helemaal niet meer over schrijven) en ik hoor mezelf elke, maar dan ook elke ochtend tegen Reyer zeggen: eet je broodje op. Niet een keer, niet vijf keer, twintig keer. Elke dag. Echt waar. Dag in dag uit. Week in week uit. Jaar in jaar uit.

Uit pure wanhoop

 
Uit pure wanhoop gebruik ik een stopterm uit een van die schijtlollige teenagesitcoms. Hopende dat ik in hun taal contact kan leggen. Als ik zeg: eet je broodje op en Reyer kijkt mij aan alsof ik ‘ik sta in brand’ zeg, vraag ik: ‘Welk deel begrijp je niet van: eet je broodje op?’

Niet door de winkel rennen, blijf nou eens rustig zitten, zet die iPads uit en: jongens als ik met iemand aan het praten ben moeten jullie er niet doorheen tetteren. Het zijn mantra’s geworden. Niet uitgesproken op weg naar de eeuwige verlichting, uitgesproken op weg naar de totale gekte.

Als ik het voor de honderdduizendste keer herhaal merk ik dat de woorden moeizamer en moeizamer van mijn tong rollen, tot ik me met een ‘barst toch ook’ omdraai.

 

Maar dan krijg ik de baard er af van mijn vrouw. Je mag een kind nooit negeren.

‘Doet hij ook bij mij. Ik sta hier toch niet voor Jan Lul te schreeuwen?’

‘Jij bent bijna vijftig, hij is zeven.’

‘Nou en?’

Vrijdag weer

 
Ik had het vrijdag weer. Een signeeruurtje bij Boekhandel Nieborg in Winshoten. Kinderen mee, want mijn vrouw had een etentje en om te voorkomen dat ze zich niet gingen vervelen Nintendo’s en iPad in de tas. Konden ze gezellig bij pappa zitten en een beetje kletsen en zo. Ze hebben de hardware niet aangeraakt. Wel zeiden ze om de twee minuten: ‘Ik verveel me.’

‘Dan ga je achter de iPad. Of de Nintendo. Daarom hebben we die rommel bij ons.’

‘Geen zin aan.’

Ik zei een keer of tien, twintig tegen Reyer dat ie niet door de winkel moest rennen en ik zei een keer of tien, twintig tegen Hunter: ‘Laat die loom-doos liggen. Straks. Nu nog niet.’

Ook had ik ze tig keer gewaarschuwd: jongens, als ik met mensen sta te praten, moeten jullie niet aan mijn mouw gaan hangen met: pap, pap, pap, pa-haaap.

Wat gebeurt er: sta ik met een vrouw te kletsen die ik lang niet had gezien, voel ik hoe Hunter met een pen kleine tikjes op mijn rug geeft. De hele tijd door. Ze doen het er gewoon om.

Ik vond het jammer dat de boekhandel schuifdeuren had. Die gaan open als je er iets tussenstopt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen