zondag 7 september 2014

Het is pompoenentijd, behalve in mijn tuin

 
Het is pompoenentijd. Aan alle wegen in Slochteren en omgeving staat om de paar honderd meter een kraampje met grote en heel grote pompoenen.

Dat vind ik mooi, dat hoort bij de streek, alleen snap ik niet waarom mensen hier pompoenen kweken. Ik hoor nooit iemand over pompoenensoep, zoals in Frankrijk. Onze kinderen lopen er niet mee langs de deuren, zoals in Amerika en we gebruiken ze niet als masker, zoals alweer in Amerika, bij het seriemoorden. Het enige dat we er mee doen is ze voor de voordeur leggen.
 

Oost-Groningen is pompoenenland

 
Toch is Oost-Groningen een pompoenenland. In de herfst breek je je nek erover. Behalve in mijn tuin.
 
De pompoenen zijn niet het enige probleem. Als ik de oogst van dit jaar evalueer, moet ik concluderen dat het een gigantische mislukking is. Het hoekje dat ik had vrijgemaakt ziet er kek uit, vind ik, met hergebruikte schuttingpaaltjes als afrastering en mooi zwart zand en zo. Echter, wat boven de grond komt, daarvan kun je nog geen Bonsaï-salade van maken.
 
Dat ligt, waarschijnlijk, aan mij. Ik dacht: ik creëer een rustige plek, maak mooie bedjes, zaai groente en fruit en in de zomer en herfst plukken wij daar de vruchten van. Sappig en stevig en vol van smaak.
 

De natuur staat erom bekend dat ze zich redt

 
Ik bemoeide me er zo weinig mogelijk mee. Deels omdat ik niet echt handig ben en anderzijds omdat de natuur erom bekend staat dat ze zich redt zonder dat de mens haar cultiveert.
 
Ik kende uiteraard de verhalen van mannen die dag en nacht in hun tuin zaten. De vader van mijn zwager is er zo een. Mijn zwager wordt er gek van: ‘We kunnen er niet tegen eten.’
 
Meer dan de helft gooit ie zo in de groene container. Waar de vader van de zwager het weer uithaalt. Het schijnt een geweldige tuinman te zijn, maar dat leek me typisch iets uit de categorie ‘sterke verhalen’. Tuinieren was bezigheidstherapie. Achter de geraniums zitten, maar dan buiten. Ingewikkeld doen om niks. Je zaaide sla, wortelen, uien en prei en dat kwam boven. Hoe moeilijk kon het zijn?
 

In Slochteren moet je de vinger aan de pols houden

 
Het verhaal dat de natuur zijn gang gaat blijkt echter een mythe. Ik weet niet hoe de aarde het in de miljarden jaren hiervoor heeft gedaan, maar in Slochteren moet je dus de vinger aan de pols houden. Mijn drie soorten sla en rucola was alles wat lukte. De wortelen begonnen veelbelovend, evenals de prei en de uien, maar ik heb ze daarna niet meer gezien. Alleen van de uien zit nog iets herkenbaars in de grond.
 
Volgens de buurman had ik de preien uit elkaar moeten zetten. Aangezien ik slecht tegen kritiek kan zei hij dat tegen mijn vrouw. Ik liet via mijn vrouw weten dat ik daar echt geen tijd voor had. Dan maar kleinere preien. Kleiner is verfijnder, nietwaar? Ook met de paprika, komkommer, basilicum, courgette, tomaten en bieslook liep het dramatisch af. Nada.
 
Mijn hoop was uiteindelijk gevestigd op de pompoenen. Dat moest toch lukken? Het kon niet zo zijn dat achter elk kraampje een fantastische tuinman schuilde. Dat Slochteren de Silicon Valley in de pompoenenscene was?
 

Kwestie van tijd, dacht ik

 
Toen we terugkwamen van vakantie was hij over het paadje gegroeid, richting grasveld. ‘Now we’re cooking’, grijnsde ik, want ik zag vruchtjes. Kwestie van tijd, dacht ik, die hoefden alleen nog maar zo groot als voetballen worden. Een week later moest ik weer op reis en bij thuiskomst zag ik dat de bladeren wel groter waren en de plant langer, maar de vruchten niet. Nog geen probleem, vermoedde ik. Tot ik zag dat anderen ze allang geoogst hadden.
 
Misschien komt het nog. Dat ik late pompoenen heb. Er zijn ook vroeg en late aardappelen. Tot die tijd koop ik ze wel weer. Moet ik wel opletten dat ik niet, net als vorige keer, een kalebas koop en daar soep van maak.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen