dinsdag 31 december 2013

Je naam is zand en je bent van het veen

Je bent een Veenkoloniaal. Dat heb je niet zelf bedacht. Dat was je al, door je geboorte. Kind van de leegte, mens van de leegte. Je hoort het anderen zeggen. Daar waar niks is, waar niks was en waar nooit iets zal zijn. Je ziet het ze denken. Maar je houdt niet van het woord leegte. Leegte betekent niks. Ruimte klinkt beter.

Als Veenkoloniaal ben je opgegroeid met het idee dat je ver kunt kijken. Altijd en overal. Zelfs al staat het ouderlijk huis in een woningbouwwijk in een middelgrote provincieplaats, dan nog zijn akkers en velden nooit ver weg. Je stapt op je fiets en binnen vijf minuten is er de horizon. Dat is geen blik op het totale niets. Het is een blik in de diepte, over het land, naar die streep, daar in de verte. Je weet dat als je naar de horizon zou lopen, er een nieuwe horizon verschijnt, een nieuwe streep. Achter die horizon ligt een volgende horizon, een volgende streep. En nog een. En nog een. Dat is wat je gewend bent. Jij bent van de ruimte.

De eerste jaren van je jeugd woonde je in een wereld van vlakken, begrensd, of beter, want grenzen zijn er niet, omlijnd en doorsneden met kanalen. Die kanalen, die waren er ook al voordat jij kwam. Land en kanalen oogden, net als het leven, overzichtelijk. Vaste patronen, met vaste tijden en vaste regels en daarbinnen rust, reinheid en regelmaat. Jouw opa’s en oma’s hadden de wildernis veroverd en er hun wereld van gemaakt. Dat werd ook jouw wereld, jouw thuis.

Je trok met je vriendjes de velden in. Jong als je was mocht dat. Dat kon toen ook. Je zag elkaar op honderden meters afstand nog. Soms nam je een paar maïskolven. Die waren niet van jou, maar je pakte ze. Van het ene vriendje leerde je snoeken, van een ander dat je nooit tegen schrikdraad moet plassen. Wat wel en wat niet kon, dat kwam vanzelf. Je keek niet alleen in de verte. Je keek ook omhoog, naar de lucht, de vogels, de zon. Je keek naar de rookpluimen van de aardappelmeelfabriek. Als het donker was, brandden er honderden lichtjes. Had iemand gezegd, dat er een ruimteschip was geland, had je het geloofd. Je keek naar de vrachtwagens, die in de herfst en in de winter het straatbeeld bepaalden. Onder de modder, volgeladen, rokend, brullend.

Je groeide op als Veenkoloniaal. Ook al verhuisde het gezin naar die woningbouwwijk, in die middelgrote provincieplaats. De huizen stonden er blok aan blok, straat aan straat, met daartussen aangelegd groen; grasveldjes, struiken, perkjes. De buurt bood beschutting. Veiligheid, geborgenheid, dichtheid. Je werd nooit meer overvallen door een regenbui, want thuis was altijd dichtbij. Je bleef een Veenkoloniaal, al werd het anders. Dat had je eerst niet door. De hond wel. Die miste de ruimte, de vrijheid om te zwerven. Tussen al de huizen kon het beest zijn draai niet vinden, liep weg, raakte verloren en werd thuisgebracht. De man die aanbelde zei: ‘deze hond is oud, deze hond is verwaarloosd.’ Je was boos. Je ouders waren boos. Hoe durfde die kerel dat te zeggen? Tot je nog eens keek en zag wat die man zag. Een maand later brachten jij en je vader het beest naar de dierenarts.

Je bent opgegroeid in de ruimte en waar ruimte is heerst de stilte. Daarom kun je nog steeds niet zo goed tegen mensen. Mensen praten en het is niet zozeer wat ze zeggen, maar dat ze wat zeggen. Eén, dat kun je soms aan, maar waar één mens is, komen altijd meer en al snel is het teveel. Een popfestival, een voetbalwedstrijd, zelfs een verjaardag. Te veel mensen te dichtbij. Je wilt alleen zijn met je gedachten, je wilt niet luisteren. Al die stemmen vertellen verhalen. Maar die verhalen komen zo ook wel. Dat zijn de verhalen die het land jou vertelt.

Je leest een boek over Joseph Roth. De journalist, de schrijver, waarnemer van zijn tijd. Zijn wieg stond in een keizerrijk, maar hij werd banneling. Op de vlucht voor een volk dat zijn ras haatte. Uit weemoed, uit een verlangen naar zijn geboortegrond, naar het land van zijn jeugd, dronk hij. Hij dronk om de herinnering aan zijn land aan te kunnen. Hij dronk tot hij niet meer hoefde te vergeten.

Iemand vertelde je een verhaal: dat je mensen van het zand hebt en mensen van het veen. Dat zijn verschillende mensen. Die van het zand zijn rustiger, stabieler. Het zand is stevig, geeft vastigheid onder de voeten. Elke avond thuis en elke avond aardappels met gebakken spekjes en warme pap na. Die van het veen, die groeven het land af, voor het bruine goud. Ze verdeelden het in de vlakken die je zo goed kent en ze groeven de kanalen die er nog steeds liggen. Ze gingen steeds verder van huis. In de richting van de horizon en nog verder. Naar de volgende horizon. Achter elke volgende streep een nieuwe streep, een nieuwe horizon. Toen die iemand dat zei dacht je aan die man die je ooit hebt gesproken. Die deed dat werk als kind. Je dacht aan wat hij vertelde, hoe hij en zijn baas het veld in trokken en er bleven. Omdat het te ver was om ’s avonds terug te gaan. Ze aten koude bruine bonen. Met koude pap na. Je dacht aan die kleine jongen in dat grote land, terwijl het langzaam donker werd. Die mensen dronken ook. Een nuchter volkje? De mensen van het veen waren de grootste alcoholisten. Maar, zo weet je nu, ze dronken niet vanwege het verlangen naar een voorbije tijd, ze dronken om hun eigen tijd aan te kunnen.

Je weet dat jij dat niet zo ervaart. Je bent een Veenkoloniaal, maar je bent half stadskind, half plattelander. Je naam is zand en je bent van het veen. Je voetbalde met je vriendjes op tegels, tussen de garages, jullie deden stoeprandje en in de buurt stonden flats. Dat heet: een urbane omgeving. Je zou willen dat je aan de vlucht van de ganzen kunt zien of het vandaag gaat hagelen of waaien, maar dat kun je niet. Dat heb je nooit geleerd. Je kent de gewassen niet, je kent de bomen niet. Je durft je daarom amper Veenkoloniaal noemen. Maar je bent het. Omdat je gewend bent aan de ruimte, de horizon en het land. Het land dat nooit ver weg is. Het land dat je koestert, want dat land, daar hou je van. Omdat het in je zit, omdat het van jou is, omdat jij van het land bent, omdat jij het land bent. Door je geboorte.

 
Herman Sandman

(dit verhaal verscheen in 2013 in de editie 'Buitengewoon' van tijdschrift Noorderbreedte)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen