Posts tonen met het label Voorbij de Watertoren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voorbij de Watertoren. Alle posts tonen

donderdag 2 juli 2015

Voorbij de Watertoren (66) - De eerste dag van de vakantie

De eerste dag van de vakantie gaat op aan plannen maken. Over hoe de vakantie door te komen. Mooiste moment van het jaar, omdat het neerkomt op zoveel mogelijk manieren verzinnen om niks te doen.

Het hele jaar hebben we de bek vol muggen omdat we dag in dag uit over ’s herens Groningse wegen razen en het vooruitzicht op vier weken rust is een emotiemomentje.

Alleen ook dan trouwens. Na de eerste dag wordt het alweer minder. Immers, daarna begin ik met aftellen. Er komt natuurlijk een moment dat die vier weken voorbij zijn en met elke dag die voorbij is in de vakantie komt dat moment dichterbij.

De zoveel mogelijke manieren van niks doen haal ik vooral uit bladen als Leven in Frankrijk en En France, Italië en España. In die landen doen ze ook niet veel meer dan niks.

En anders kijk ik naar Jamie Oliver die in een busje langs de Middellandse Zee crosst. Wat ik bij hem zie, wil ik ook: in korte broek en open blouse bij de barbecue aan een Desperado of Corona lurken, onderwijl ik een piri piri-kippenboutje omdraai.

Meestal als je naar foto’s of reclamefilmpjes kijkt waar mensen dat ook doen vraag ik mezelf af of ik daar serieus aan moet beginnen, omdat die mensen er allemaal strak, bruin en jong uitzien, maar ik weet sinds kort van collega Rosa T. dat er iets bestaat als een dadbod.

Dadbod is damesbladen-slang voor wat in Groningen n dikke pokkel heet.

Daar schijnen zelfs jonge vrouwen op te vallen, met als gevolg dat het halve mannenbestand van Slochteren ineens sexy is. Heel sexy.

Zwembad kan ook. Met de kinderen. Die zijn op een leeftijd dat je ze niet meer hoeft te vermaken, sterker nog, dat hebben ze liever niet en dus zit je aan de rand van het zwembad met een boekje en een waterflesje waar zogenaamd Karvan Cevitan in zit, maar eigenlijk iets anders.

Als het te warm wordt rol je ook even het water in en gaat verder met wat je aan het doen was. Lezen of praten met andere ouders. Over niks natuurlijk, al noemen we dat niks in de gesprekken ‘onze kinderen’.

Een festival bezoeken kan. Luisteren naar muziek, kijken naar theater, of gewoon zoals op Noorderzon, zeggen dat de kaarten jammer genoeg uitverkocht zijn en op een bankje bij de vijver gaan zitten keuvelen met andere mensen die ook zeiden dat ze geen kaartjes meer konden krijgen, onderwijl je een tortillachip in de guacamole doopt, terwijl je poedie nog een rondje wijntjes haalt.

Ik merk alleen dat ik niet meer zo van de mensenmassa’s ben. Moet ik luisteren en zo en ook zelf praten. Ben ik eigenlijk helemaal klaar mee.

Vissen, we zouden het bijna vergeten. Dat gaat – ik kan alle ecofreaks geruststellen - helemaal niet om zoveel mogelijk zwemmende beestjes vangen. Welnee, het gaat er om dat je even alleen bent. Geen gezeur om de kop. De hengel is een instrument. Het doel is aan het water zitten, kijken naar de lucht, een paar bomen in de verte, een dood vogeltje op de weg. Meer niet.

De mooiste manier van niks doen is echter lezen. Lam liggen in een tuinstoel met een boek. Dat zou ik het liefst doen. Als de vakantie begint moet ik altijd denken aan de baas van de Groningse stadsbibliotheek. Die doet dat ook alleen maar. Lezen. Zijn vriend wil nog wel eens een wandeling maken. Hij niet.

Boeken heb ik inmiddels in voorraad. Een precieze mix van lucht en pittig. Ik zal niet opnoemen wat ik heb, dat staat wat raar…, nou goed dan, een wil ik noemen en dat is een enorme pil met de beste wielerverhalen. Ik heb zelf niet zoveel met wielrennen, maar dat hoort wel bij Frankrijk en wat is er mooier dan lezen over de helden en losers die door aftandse dorpjes jakkeren, of zich dood rijden op een stuk vals plat, terwijl je zelf als een gestrande walvis in het gras ligt, flesje rosé in de koelkast.

,,Leg dat boek maar aan de kant’’, breekt mijn vrouw in, terwijl ik aan het nadenken ben op de eerste dag van de vakantie, ,,kijk, ik had al even een lijstje met klusjes gemaakt.’’

dinsdag 23 juni 2015

Voorbij de Watertoren (65) - De crimineel die ik ben

Mijn bank, dat is de SNS-bank, vertrouwt mij niet. Dat zeggen ze natuurlijk niet in your face, maar dat blijkt uit het hoofdschudden als ik de vestiging in Hoogezand binnenstap: ,,Nee meneer, dat kan hier niet.’’

Let wel, ik loop niet met een bivakmuts en een getrokken pistool binnen; de ene keer heb ik buitenlands geld nodig, een andere keer wil ik geld op eigen rekening storten.

Ik denk altijd dat een bank er voor mij is en dingen voor mij doet omdat ik mijn, sorry, onze, centen aan die bank toevertrouw. Daar is ook een term voor – een stukje service naar de mensen toe – maar de meneren en de mevrouwen in de SNS-vestiging in Hoogezand zitten er vooral om uit te leggen wat er allemaal niet meer kan bij die vestiging.

Mijn bank, dat is de SNS-bank, stuurt mij naar de stad Groningen. Naar het Grenswisselkantoor op het hoofdstation. Dat doet mijn bank zo vaak dat ik even heb gedacht dat ik beter mijn geld in beheer kan geven bij datzelfde Grenswisselkantoor. Maar daar ben ik weer van af. Ook het Grenswisselkantoor vertrouwt mij niet.

Auto verkocht

 
Ik had een auto verkocht en zoals wel vaker bij de verkoop van een auto leverde dat geld op. Ik dacht: dat zetten we op eigen rekening. Het was een bedrag met drie nullen en dat moet je niet in huis laten liggen. Zeker niet als je samenwoont met een vrouw.

Dat ik op de vestiging in Hoogezand niet meteen buitenlands geld kunt krijgen, dat snap ik. Immers, het is ondoenlijk dat op een kantoor in een middelgrote provincieplaats stapeltjes Deense kronen, Britse ponden, Zuid-Afrikaanse rand, Poolse zloty en Thaise baht klaarliggen omdat er een keer in de zes jaar iemand langskomt die er een paar weekjes tussenuit gaat.

Maar geld storten op eigen rekening?

,,Primera in Haren’’, zei de meneer van de SNS-vestiging in Hoogezand, ,,daar kan het tot 1.500.’’

,,En bedragen daarboven?’’

,,Grenswisselkantoor op het hoofdstation in stad.’’

,,Nee, serieus? Dus ik moet nu naar Groningen, wil ik mijn geld op mijn eigen bankrekening storten?’’

Hij haalde zijn schouders op, met een soort van verontschuldigende blik.

Op het Grenswisselkantoor

 
,,Ja hoor’’, zei het meisje van het Grenswisselkantoor, ,,om hoeveel gaat het?’’

Ik noemde het bedrag.

,,Ze nam mijn paspoort en bankpasje en sloeg aan het gegevens intikken. Na een minuutje of wat keek ze op: ,,Mag ik vragen hoe u aan dat geld komt?’’

,,Pardon?’’

,,Sorry, maar dat moeten we vragen.’’

,,Ik heb een auto verkocht.’’

,,Ok.’’

,,Mag ik het vrijwaringbewijs zien?’’

,,Pardon?’’

,,Vrijwaringbewijs.’’

,,Dat meen je?’’

,,Ja. U heeft toch een auto verkocht? Dan heeft u dat gekregen. De gegevens daarvan heb ik nodig als bewijs.’’

,,Dat heb ik natuurlijk niet bij me.’’

,,Mijn excuses. Het zijn onze regels, al geef ik toe dat we er in de communicatie naar de mensen toe niet echt helder over zijn.’’

,,Nee, serieus? Dus ik moet nu terug naar Slochteren om het vrijwaringbewijs te halen en dan weer hierheen, wil ik geld op mijn eigen bankrekening storten?’’

Het meisje haalde haar schouders op, met een soort van verontschuldigend blik. Ik zei de naam van de zoon van God een paar keer hardop, in combinatie met ‘niet te geloven’.

Uit Slochteren

 
Mijn zoons en ik waren om half een uit Slochteren vertrokken voor wat een leuke middag moest worden. Wij waren om half vijf in het dorp terug. Voor het leuke was een half uur overgebleven.

Ik was van plan ook nog wat kunstwerken te verkopen, maar ik twijfel nu. Zonder vrijwaringbewijs heeft dat geen zin.

Ik zou heel graag van bank verwisselen, maar ik denk dat ik daarvoor een paar keer op een middag naar Amsterdam moet. Ik geloof ook niet dat ik er veel mee opschiet. Het zal bij andere banken niet veel beter zijn. Dus ik blijf bij de SNS, ook al vind ik dat een enorme kutbank. En mocht mijn straks gevraagd worden of de SNS of een andere bank weer met mijn, sorry, ons, belastinggeld gered moet worden, dan zou ik zeggen: zak lekker in het moeras. Maar dat wordt mij natuurlijk niet gevraagd.

woensdag 17 juni 2015

Voorbij de Watertoren (64) - 3.25.36 links


Komend vanaf de N387 hebben we, op de Korenmolenweg, twee mogelijkheden. Naar links of naar rechts. Die keuze moeten wij elke dag van de week maken. Soms meerdere keren in een etmaal. Dat is telkens een afweging, want er is in ons gezin geen duidelijke voorkeur.

Soms gaan we naar links, soms naar rechts.

Je kunt je afvragen: waar heb je het over, maar het is een intrigerende kwestie. Ik ging heel lang automatisch naar rechts, tot een van mijn zoons, Hunter, plots zei: ga eens naar links. Dat deed ik en sindsdien is het een klein vraagstuk en dus gaan we soms naar links en soms naar rechts en dat wisselen we zo vaak af, dat we nieuwsgierig zijn geworden naar welke van de twee routes naar huis korter is.

Gevoel is arbitrair

 
Mijn gevoel zegt dat het niet zoveel uitmaakt, maar gevoel is arbitrair. Ik denk af en toe ook dat ik een opmerking kan maken als ‘dát vind ik nou een mooie vrouw’, maar dat is dan geen goed idee.

Hunter, dat is onze oudste, heeft trouwens, als enige in het gezin, een duidelijke voorkeur voor links. Als ik vraag waarom is het: ,,Vind ik een mooiere route.’’

,,Waarom dan?’’

,,Oh, weeknie.’’

Dat is het punt waarop ik me weer zorgen ga maken over zijn toekomst, want hij weet nooit iets. ,,Had jij geen toets morgen?’’

,,Weet ik niet.’’

,,Kijk even in je agenda dan.’’

,,Ik weet niet waar die is.’’

De weg links voert door het land, door Slochters backyard; over de Verlengde Veenlaan, langs de brandweerkazerne en de Veenweg en rechtsaf via de Groenedijk het Slochterdiep op. Naast de gemeentewerf liggen kavels. Die zijn te koop. Daar staat al een hele tijd een bord met de kreet ‘Het uitzicht is al klaar, nu uw woning nog’.

Typisch

 
Typisch een houding van een gemeente; pronken met dingen waar je niets voor hoeft te doen. In geval van zaken waar bestuurders en ambtenaren wel de regie hebben klinkt het: ,,Sorry mensen, we moeten bezuinigen.’’

Het uitzicht is overigens fenomenaal, tenminste als je van lege vergezichten houdt.

Rechtsaf is de weg door het hart van het dorp. De urban road. Korenmolenweg, Hoofdweg, Slochterdiep. Langs de huizen waar onze vrienden wonen en de kinderen van onze vrienden en soms zien we dat díe kinderen wél buiten spelen en even verder kijken we of er nog een trouwerij is op de Fraeylemaborg en of onze vrienden misschien op het terras zitten.

Daarna gaat het langs de oude Hubo, waar gewerkt wordt aan een nieuw centrum (er gaat ook veel wel goed in Slochteren) en daarna draaien we ons eigen Slochterdiep op, evenwijdig gelegen aan de gelijknamige waterweg die ieder jaar in november een bron van onrust was en Hunter en Reyer, omdat ze wakker lagen van de vraag: komt Sinterklaas deze keer wél of niet met de boot?

Het diep

 
Het diep wordt voor het eerst uitgebaggerd, sinds wij elf jaar geleden naar de Parel van Duurswold verhuisden. Al is de kans groot dat de goedheiligman dit jaar met de middelvinger wordt begroet, op die leeftijd zitten ze nu.

,,We kunnen meten welke route korter is’’, zei ik tegen Hunter. Die is redelijk technisch ingesteld en vindt dat soort dingen leuk.

,,Doen we eerst links’’, besliste hij.

,,Nu’’, zei ik en trok op. Hij startte de stopwatch. Ik reed normaal, om de vergelijking zo eerlijk mogelijk te maken. Dat ging vlotjes, al moesten we op de Groenedijk even uitwijken voor een tractor, waardoor de rechterwielen over de betonblokken naast de weg rappelden. Dat vinden mijn zoons een mooi geluid en dat moet ik dan nog een keer doen. Ik ben er niet wild van. Het lijkt me niet goed voor de vering en banden en dan krijg ik weer op mijn donder van mijn vrouw dat die garagerekeningen zou hoog zijn, maar toen we de oprit opdraaiden stond de tijd op 3 minuten, 25 seconden en 36 honderdsten van seconden.

We knikten goedkeurend. Weten we dat ook weer.

Of die tijd genoeg is voor de titel ‘De snelste weg naar huis vanaf de Korenmolenweg’ weten we nog niet. We moeten rechts nog klokken en daar komen we maar niet aan toe.

woensdag 10 juni 2015

Voorbij de Watertoren (63) - Open brief aan alle andere ouders



Dag alle andere ouders,

Om het meteen maar te benoemen; jullie moeten je kinderen beter opvoeden. Wij hebben daar last van. Mijn, sorry: onze, zoons, klagen, om te beginnen, steen en been over wat wij ze dagelijks meegeven in hun rugzakje. Dat is een broodje ham/kaas, pakje melk, pakje Taksi en een appel, maar daar nemen de heren geen genoegen meer mee. Zij willen, net als die van jullie, cola en cassis voor overblijf, gevulde koeken, witbrood met ontbijtkoek en zakjes M&M’s. We kunnen lullen wat we willen, over dat hun botten nog in de groei zijn en dat ze veel zuivel en fruit nodig hebben, maar het is vechten tegen de bierkaai, want; ‘die en die krijgt dat en dat mee.’

Een ander punt is gamen. Daar zijn we weer. Wij hebben twee iPads, twee DS-en, een laptop en een Playstation, maar die rommel willen wij eigenlijk nog helemaal niet in huis. Ze zijn daar met 8 en 11 jaar gewoon te jong voor. Maar, ook hier: ‘die en die heeft dat en dat’ en omdat we natuurlijk niet willen dat onze kinderen bekend staan als sukkels die thuis moeten tekenen of knutselen, gaan we er in mee.

Wanneer gamen

 
Daarbij: wannéér mogen die gasten eigenlijk gamen? Wij hadden tijden afgesproken (van maandag tot en met donderdag niet) en ik zeg nadrukkelijk hadden, want u voelt het aankomen: geen houden aan. Vriendjes zitten er dag en nacht achter met als gevolg dat die van ons ook willen. Ze worden wakker en hup de televisie aan en als ze met het verkeerde been uit bed zijn gestapt en dat is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering, klappen ze direct de Playstation en iPad open. Dat ligt echt niet aan ons.

Daarmee komen we bij het volgende punt: hoe laat naar bed? Half negen op zijn laatst, dachten wij. Afgaand op onze kroost echter mogen ‘die en die zo en zo laat naar bed’ en wij hebben nu iedere en als ik zeg iedere dan bedoel ik ook iedere, avond discussie over het tijdstip van slapen. Zijn we he-le-maal klaar mee.

Men of War

 
Het type spelletjes waar kinders van hun leeftijd mee spelen gaat ons eveneens te ver. Men of War, Call of Duty, Zombie Attack en Assassins Creed; het is moord en doodslag en toen ik vorige week toevallig meekeek, zag ik dat onze jongste bij GTA V iemand die op de grond lag finaal in mekaar trapte. Ik zie het er van komen dat hij over tien jaar met een paar uzi’s zijn halve middelbare school neer maait en wij na afloop de verzamelde pers te woord moeten staan: ,,Nee, geen idee waar dit vandaan komt.’’

In het verlengde daarvan: het taalgebruik is bij de beesten af. Als je al eens antwoord krijgt is het meteen een grote bek. Van wie ze het hebben, geen idee, niet van ons. Nu ja, goed, ik vloek wel eens en dat hebben ze mogelijk een beetje opgepikt, maar ‘Homo’, ‘Motherfucker’ en ‘Pedo’ zeker niet en dan noem ik slechts de termen die geschikt zijn voor publicatie. Leren ze toch echt op straat, van andere kinderen. Inderdaad, die van jullie.

Klinkt misschien raar, maar die van ons zijn gewoon niet zo. Die willen niet eens zo zijn, zeggen ze zelf.

Die ...mobieltjes

 
Tot slot die …mobieltjes. Wij hadden gedacht: middelbare school is vroeg genoeg voor zo’n ding, maar dat hadden we gedacht. Iedereen, elk klasgenootje, heeft er een. Het is de eerste levensbehoefte geworden. Ik liep laatst om middernacht langs de slaapkamer van de oudste en dacht dat er een tijdbom lag te tikken, maar het bleken binnenkomende appjes. Juist, van jullie kinderen.

Ineens liegen ze ook keihard. 24/7. Zonder met de ogen te knipperen. Al heb je een zaak als je het voor de rechter zou brengen omdat je sluitend bewijs in handen hebt, of omdat het een heterdaadje was, zij hebben niks gedaan: ‘Echt niet. Hij begon.’ Die straatmentaliteit hebben ze wederom niet van ons. Al moet ik hier een opmerking maken. Omdat anderen er bij het minste of geringste op los slaan, zeggen wij nu ook: ‘Beuk eerst terug en ga pas daarna naar de juf en zeg: hij begon.’

Het is om gek van te worden. Wij zijn met de beste bedoelingen de opvoeding ingestapt, maar het is een kansloze missie. Omdat onze kinderen langzaam veranderen van lieverdjes in gewetenloze criminelen, deze laatste oproep aan jullie. Trek weer grenzen en wees streng, maar rechtvaardig. Zoals wij vroeger ook zijn opgevoed.

Alvast bedankt!

woensdag 3 juni 2015

Voorbij de Watertoren (62) - Oude Mannen Voetballen

In het grote raam van de kantine zie ik het silhouet van een man met een Aad de Mos-kapsel, dikke buik en benen die de Eerste Wereldoorlog nog hebben gemaakt.

Die man ben ik.

Het is niet goed te verklaren waarom ik daar loop. Dat wat ik aan het doen ben, proberen het voetballen weer op te pakken, daarvoor ben ik te oud.

Ik ben bijna 50.

Dat ik in gezelschap ben van mannen waarvan je liever ook geen poster boven je bed hebt hangen, biedt weinig troost. Hoe zij er uit zien moeten zij weten, voor mezelf leg ik de lat op alle vlakken zeer hoog. Tegen beter weten in, want ik voldoe er meer niet dan wel aan en als ik mezelf op die zonnige zaterdag in het raam zie denk ik, zoals ik steeds vaker denk als ik langs een spiegel loop: tja.

Mijn vrouw zegt meestal: maakt niet uit joh, je hebt een vrouw. Maar als ze het niet erg vindt dat ik met mijn honderd kilo in korte broek over het veld ren, waarom komt ze dan pas de laatste vijf minuten van de kleine finale kijken, als we al dik achterstaan en geen kans meer hebben op welk glorieus moment dan ook?

Eerste wedstrijd

 
Het moet de herinnering zijn aan de eerste wedstrijd dat ze mee ging kijken, toen ik twintig jaar jonger was. Ook zij weet dat er sindsdien veel seizoenen zijn gekomen en gegaan en dat van die jongeman weinig meer over is.

Ik ren zo goed en kwaad als het kan met de aanvallen mee, tik er toch nog drie in, maar ik word niet vrolijk van mezelf. Het spelinzicht is gebleven, maar wat heb je aan het zien van ruimtes, als je het niet meer kunt belopen? De passes die van mijn voet komen lijken op vuurpijlen waarvan het kruit plots op is.

De meeste indruk maak ik door tegen een medespeler die oprukt en mij in het vizier heeft te roepen: ,,Marcel vrij aan de andere kant.’’

Daar komt een goal uit en ik krijg ook complimenten, maar dat voelt onverdiend.

Handen in de zij

 
Wat vertrouwd aanvoelt is met de handen in de zij bij de middenlijn staan. Bij de zoveelste corner tegen, kijk ik naar de twee handenvol kinderen die op veld twee in een kluwen achter de bal aanrennen.

Ik ben jaloers.

Het is lang geleden dat ik in wedstrijdverband speelde. Maar in de voetballerij heeft de tijd stilgestaan. Er is altijd iemand die niet op komt dagen en in de kleedkamer staat een teamgenoot beteuterd te kijken naar een paar geleende schoenen, van een onduidelijk merk. In de linker zitten geen veters.

Wat ik miste aan het voetbal was het voetbal zelf. Rennen, schieten en passen en dat het ergens om gaat. Dat ik een poging doe het weer op te pakken heeft niks te maken met de derde helft, al zit ik er aan het einde van de middag middenin. De tafels worden dit keer niet in een kantine aaneen geschoven, maar in een feesttent.

Andere gezichten

 
Het zijn andere gezichten dan vroeger, de sfeer is hetzelfde. De band speelt muziek voor oude mannen. Lynyrd Skynyrd, De Dijk, dat werk.

Mijn zoons zoeken mijn portemonnee. Of zij de lootjes mogen vasthouden? Dat mag. In de prijzen herken ik de lokale middenstand. Zoals in de kantines van mijn jeugd altijd een set mistlampen te winnen was, zo gaan we nu voor een brandalarm, een onkruidkrabber, een rollade en een tegoedbon van de lokale snackboer. Die is voor één persoon en er staat duidelijk bij: kleine milkshake. Dus geen grote. Al snap ik het wel. Geef Groningers een gratis maal en ze komen met twaalf man aanzetten: ,,Stond ja niet op voor hoeveel.’’

Glas leeg

 
Het is acht uur als mijn vrouw vraagt of we zo zullen gaan. Maar als ik het glas leeg heb is ze aan het appen en in gesprek met de vrouwen van de andere oude mannen. Dus pak ik een van de volle glazen op tafel. Ze kijkt me even later vragend aan, na een blik op het glas dat net nog leeg was. Ik haal mijn schouders op.

Dat ritueel zal zich nog een paar keer herhalen.

Ik begin te hikken. Mijn zoons hangen op mijn schoot. Ze zijn moe van het voetballen en het springkussen, vol van cola en patat en hebben al meer dan vier uur niet op een beeldscherm gekeken. Zou ik ook onrustig van worden.

Als ik mijn tas haal loop ik langs de kantine. In het grote raam zie ik opnieuw het silhouet van de man die ik ben.

woensdag 27 mei 2015

Voorbij de Watertoren (61) – Bij de mama

Het is een uur in de nacht als ik thuiskom. De deur van een van de kinderkamers staat open. Ik weet genoeg: er ligt weer een andere man in mijn bed. Dat is, als ik tot laat moet werken, vaker wel dan niet het geval. In plaats van het boek dat ik aan het lezen ben een Donald Duck op het nachtkastje en naast mijn vrouw een van mijn zoons, soms allebei, in diepe slaap, de mond half open.

Mijn kussen, mijn boek, mijn leesbril en mijn pyama op een stapeltje op de grond vormen een statement: bezet papa, zoek lekker elders een plek.

Dat doe ik, zij het niet direct. Al ben ik nog zo moe, meteen slapen na werk of optreden is onmogelijk. De spannings moeten er eerst uit. De kat ook trouwens, want daar denkt natuurlijk niemand aan bij al die gezellige plannetjesmakerij.

Verbond

 
Vrouw en zonen hebben een verbond waar ik buiten val. Daar heb ik zelf, denk ik, schuld aan. Als ze vragen of ze bij mama mogen slapen zeg ik ‘nee’ en zij ‘ja’. Ik denk nooit: wat leuk. Ik denk altijd: straks wordt het een gewoonte. Orde en regelmaat zijn belangrijker. Ieder zijn eigen bed, zijn eigen kamer. Dan krijg je een stevige basis voor later. Anders worden het zwerfkinderen. Iemand moet daar op letten. In ons huishouden ben ik dat.

Al gebruik ik het zelden als tegenargument, echt lekker slaap ik ook niet op een kinderkamer. Het bed van de jongste heeft een dichte kant en de hoogslaper van de oudste begint te kraken als ik er met mijn honderd kilo inklim.

,,Ga jij dan op ons bed bij Hunter of Reyer slapen’’, zegt mijn vrouw soms.

,,Kan ik niet.’’

,,Hoezo?’’

,,Omdat ik alleen kan slapen als ik tegen jou aanlig.’’

,,Ah, wat lief ja’’

Een nacht in de kinderkamer voelt als logeren. Ik lig ergens waar ik niet hoor, tussen Lego, hockeysticks en strips. Er zijn andere geluiden en het ruikt anders.

In bed, kijkend naar de poster van Messi en het ridderpak op de grond, denk ik aan de keren dat ik bij opa en oma in Mussel sliep. Als je er ’s nachts af moest en dat moest je, want je hoopte dat je niet hoefde te plassen, maar dat hoefde je natuurlijk wel, wist je dat je op vreemde bodem was.

Gezellig en vertrouwd

 
Hoe gezellig en vertrouwd de woonkamer overdag, ’s nachts, op weg naar de wc, waren je ouders ver weg. Dat zag je aan de Sanseveria op de vensterbank, aan het maanlicht op de bierglazen in de open vitrinekast en aan de stoel waar opa normaal zat. Je zag zijn broek over de leuning, dacht aan hoe hij er uit zou zien in onderbroek en je keek gauw naar zijn Herdersmes, die daar op een snijplankje zomaar voor het grijpen lag, naast een uiteindje metworst.

Als een van mijn zoons, of beide, bij ons in bed slaapt, weet ik dat ik tekort schiet als ouder, als papa. Waarom doe ik nooit spontaan mee? Waarom zeg ik altijd ‘nee’ en nooit ‘ja’?

,,Kom je bij me kijken gamen?’’

,,Straks. Moet eerst de wasmachine aanzetten.’’

,,Wil je met me voetballen?’’

,,Och kind, ik zit net.’’

Dat is het vaak

 
Dat is het vaak. Er is altijd wel wat te doen. Een pak hagelslag op het aanrecht, de vaatwasser die afgelopen is, kleren die klaargelegd of opgevouwen moeten worden. Daarom kom ik nooit aan leuke dingen toe. Het werk moet eerst en dat krijg ik er niet uit. Ik ben net als mijn opa en mijn vader. Wij zijn geen buigzame mannen.

Mijn vrouw heeft er geen moeite mee de dagelijkse gang van zaken overhoop te halen. Soms verdenk ik haar ervan het bewust te doen. Als mijn zoons voorstellen hun matrassen naar onze kamer te verslepen omdat ze dat knus vinden, dan gebeurt dat. Al slapen ze daardoor laat en al kunnen ze de volgende dag niet uit hun bed komen. Ik kan tegensputteren wat ik wil, ze lachen me gewoon uit, mijn vrouw voorop.

Zo zullen Hunter en Reyer me herinneren. Ze zullen niet met een gevoel van weemoed terugdenken aan dat ik ze ’s ochtends uit bed rammelde en dag in dag uit hun broodjes smeerde, maar wel aan dat als papa weg was, ze altijd bij de mama in bed mochten slapen.

dinsdag 19 mei 2015

Voorbij de Watertoren (60) – In het huis aan Thorsø

Ze sleept een ligstoel van buiten naar binnen. We zijn een uurtje of twee daarvoor aangekomen en meteen is er een verandering. Ik vind dat raar, maar zeg niks. Soms is dat beter.

Mijn vrouw wil zich nestelen. Met een deken over en chips en rosé binnen handbereik voor de tv en dat gaat het beste liggend. Dat snap ik. Wat stoort is dat de boel weer overhoop gehaald wordt. Moet dat nou, denk ik. Waar ze zich installeert, daar stond een schommelstoel. Ik vind: die hoort daar. Dat was zo, dus dat laat je zo.

Ze had kunnen overwegen zich aan de kamer aan te passen. Zoals ik doe. Het beste ervan maken. Met wat voorhanden is. Ook al hang ik scheef in een tweezitsbank van waaruit het lastig tv kijken is, het komt niet bij me op het meubel te verschuiven, ook niet een beetje. Ik verzit om de vijf minuten, ga liggen, dan weer rechtop, met de benen afwisselend voor me uit, opzij, omhoog en tenslotte op de tafel, maar wat ik doe, de bank blijft waar-ie is.

Bij vakantie

 
Het hoort bij vakantie. Heb je later iets om over te praten. Ongemak is wat bijblijft. Twee weken regen, keutels die weer omhoog komen na het doortrekken, drie uur in de file, klotenbank. Als alles goed gaat is er niks aan.

Ongetwijfeld heeft ook dat weer met mijn Veenkoloniale afkomst te maken, maar ik hou niet zo van veranderingen.

Mijn vrouw wel.

Ze is niet de enige. In het huis aan Thorsø kijken we ’s avonds met zijn vieren naar dvd’s van Bert Visscher. Die begint er, ik meen in zijn show Afijn, ook over. Dan komt hij thuis, neemt een duik richting bank en hop, met de bek op het laminaat. Omdat daar eerst een bank stond en ineens niet meer. Goed, het is cabaret, maar ik doe soms ook met angst en beven de voordeur open.
 
Ik zucht, zij verwelkomt me opgewekt. Blij om te veranderen.

Die bank daar weg. Die stoelen daar. Ik ben flauw van die kast. Kun je dat schilderij daar hangen?  Kan, maar dan zie je een gat waar-ie eerst hing. Nou en, zegt zij. Niks nou en. Alle muren zijn vorig jaar geverfd. Strak wit, nadat ik eerst alle vorige gaten en gaatjes heb dicht gekit. De muren zien er alweer uit alsof iemand zijn uzi per ongeluk op repeteer had staan.

Onze slaapkamer staat vol schilderijen waarvan ik vind dat ze in de kamer moeten hangen. Zij vindt van niet.

Overijsselselaan

 
In de kamer van de woningbouwwoning aan de Overijsselselaan in Stadskanaal hing een koekoeksklok rechts van de schouw. Die heeft wel twintig jaar aan die muur gehangen. De schouw was gedecoreerd met een spoorbiels. Je kunt van koekoeksklokken en spoorbielsen van alles vinden en ik heb wat van die koekoeksklok en spoorbiels gevonden, maar mijn ouderlijk huis was mijn ouderlijk huis juist door die koekoeksklok en spoorbiels.

De enige verandering aan de Overijsselselaan was dat de zitbank halverwege die twintig jaar van de ene naar de andere kant van de kamer verhuisde en dekenkist met tv de omgekeerde weg volgden.

Een huis waar voortdurend alles verandert wordt geen thuis. In Stadskanaal bleef het zoals het was. Je brak nooit je poten over een bijzettafeltje dat ineens in een looproute stond en je had een gelukkige jeugd.

Met vrienden

 
Ik kom al lang in Denemarken. Eerst met vrienden, nu met het gezin. Altijd naar dezelfde plaats. Virklund. In een huisje aan een meer. Thorsø. Sø is Deens voor meer en Thor is de god van de Donder.

De huisjes verschilden, de straat niet. Altijd de Vesterlundvej. In het dorp is in twintig jaar tijd weinig veranderd, behalve de openingstijden van de Spar en het winkeltje aan de Virklundvej. Thorsø ligt er nog net zo bij als toen ik er voor de eerste keer kwam.

De semibungalow die we nu huren is redelijk nieuw. Op die plek stond twee jaar geleden een rood huisje. De trap kraakte als je naar boven liep, verwarming was er niet, het eerste wat je ’s ochtends deed was de open haard aanmaken en we wasten de kinderen op het aanrecht in de keuken.

woensdag 6 mei 2015

Voorbij de Watertoren (59) – Over Kamp en gas

Kamp en gas blijven een slechte combinatie. Henk Kamp en aardgas. Het gedoe rond de omgekeerde bewijslast toont weer eens aan dat wij, Groningers, alles wat onze kant op komt, meter voor meter moeten bevechten.

Niks groot gebaar, niks ruime compensatie. Voor elke cent voor elke scheur, veroorzaakt door aardbeving door gaswinning, moeten we ons tot in den treure verantwoorden.

Zelfs Marcel Thijsen, burgemeester van Tynaarlo, zei het vorige week, toen ik hem interviewde over zijn eerste maanden in Noord-Drenthe. De man uit Wijchen heeft inmiddels ook zo zijn ervaringen over de schadeafhandeling. Geen positieve, uiteraard.

Thijsen zei letterlijk: ,,Ik kan er met mijn botte zuidelijke hoofd niet bij dat je voor 200 miljard euro aan waarde uit een gebied haalt en dan moeilijk doet over een paar duizend euro voor een paar scheuren.’’

Die woorden staan woensdag 6 mei in de Drentse editie van het Dagblad van het Noorden.

Moeilijk doen

 
Ook de Belgische geoloog Manuel Sintubin verbaast zich over het moeilijk doen, van Kamp en NAM. Hij zei op 25 april 2015 in het DvhN: ,,Geef de opbrengsten van het gas dat nu nog in de grond zit aan de Groningers. Gewoon, alles, 100 procent. De rest van Nederland heeft de afgelopen decennia ruimschoots genoeg aan het gas verdiend, het is tijd dat Groningen zelf ook eens profiteert en uitgroeit tot een bloeiende provincie.’’

De in Leuven woonachtige wetenschapper volgt de ontwikkelingen in Groningen op afstand en verbaast zich bijna overal over. Over het gemak waarmee Groningers zich neerleggen bij de situatie die door NAM en Rijk wordt gecreëerd. Over wat het rijk, minister Kamp dus en de NAM, nalaten.

Hij vergelijkt de situatie in Groningen met die in Oklahoma. Een staat die, vanwege olie- en gaswinning en de injectie van afvalwater, eveneens getroffen wordt door veel aardbevingen: ,,Oklahoma was arm en heeft door de gaswinning een enorme economische boost gekregen. De staat heeft niet alleen de lasten, maar ook de lusten. Daardoor is de bevolking veel meer bereid om de nadelen te accepteren.’’

Daarnaast gaat, aldus de man uit Leuven, de discussie veel te weinig over veiligheid: ,,Er is altijd kans op The Big One. Dat kan binnen een uur zijn, maar ook over honderd jaar. We weten het simpelweg niet.’’

Wat we niet weten

 
Of we dat niet weten, is overigens de vraag. De NAM boort al vijftig jaar naar gas in Groningen. Dan weet je volgens mij wat er in de grond gebeurt. Maar goed, Sintubin is wetenschapper en ik denk dat hij daar beter zicht op heeft dan ik.

Sintubin: ,,Aardbevingen die door mensen worden veroorzaakt zijn nieuw. We zijn het nu aan het ontdekken. Wetenschappelijk gezien is Groningen één groot experiment. We hebben het níet onder controle. De mensen horen dat niet graag, maar het is een gegeven.’’

We zouden iets meer kunnen weten, maar dat weten we niet, want de NAM doet ook moeilijk over haar onderzoeken, concludeert Sintubin: ,,Wat heeft de NAM al onderzocht? Ik weet dat niet want niet alles wordt gepubliceerd. De NAM schermt met een internationaal onderzoeksteam dat ermee bezig is. Ik heb daar vraagtekens bij. Als je gedegen onderzoek wil doen, dan heb je de beste wetenschappers nodig. Ik kan je precies vertellen wie er dan in dat onderzoeksteam zouden moeten zitten. Maar bij mijn weten zitten die personen er dus niet in.’’

Verbazing is er bij hem ook over de focus op de gasvelden bij de Waddeneilanden en over het feit dat de NAM nog altijd spreekt over gaswinning tot 2070. ,,Europa wil in 2050 zo’n 80 tot 95 procent minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Rond die tijd moet Europa dus bijna vrij van fossiele brandstoffen zijn. En dan rept zo’n oliebedrijf van business as usual tot 2070.’’

Maar de NAM doet niet eens moeilijk over het feit dat ze moeilijk doet. De mentaliteit is en blijft zoals de nieuwe directeur, Gerard Schotman, het verwoordde in het DvhN van 31 januari 2015.

Mooie praatjes

 
Hij zegt weliswaar niet met mooie praatjes het vertrouwen te willen herwinnen, maar met daden, maar afgaand op de ervaringen van Thijsen is de praktijk nog steeds een ander verhaal. Dat is ook niet zo gek, want Schotman zegt doodleuk dat de NAM zich verantwoordelijk voelt en ruimhartig genoeg is, maar: ,,dat betekent niet dat je als een Sinterklaas alles maar links en rechts kunt doen.’’

Eigenlijk, dacht ik toen ik dat las en dat dacht ik nog steeds en daarom blijven de woorden van Thijsen ook hangen: de NAM zou dat juist wél moeten doen. Cadeautjes uitdelen.

Doe niet moeilijk over meldingen, doe niet moeilijk over omgekeerde bewijslast, doe nergens moeilijk over. Wat je ook uitgeeft aan schadeherstel, compensatie en cadeautjes, het zal altijd een schijntje blijven, afgezet tegen de 200 miljard euro die hier uit de grond is gehaald en de miljarden die nog uit de grond worden gehaald.

Dat die gasbel hier zit is geen verdienste van de NAM. Daar heeft de NAM, of Henk Kamp, niks voor hoeven doen. Die gasbel, dat is ook een cadeautje.

woensdag 29 april 2015

Voorbij de Watertoren (58) – Over de Vaste Maar Zo Langzamerhand Totaal Ongeloofwaardige Patronen van de Moderne Thriller(serie).

Oost-Groningen, mijn land, zou het perfecte decor zijn voor een thriller of detective (film of serie). De depressief makende leegte, de zwijgzame en bokkige Veenkolonialen, alsmede het abominabele klimaat zijn gemaakt voor een urenlange whodunnit.

Zoals Hollands hoop zonder schaamte Breaking Bad kopieerde, zo is eenvoudig een storyboard te verzinnen op basis van mijn kijkervaringen bij Silent Witness, Morse, The Following, The Killing, Dalziel & Pascoe, Witnesses, Wallander, Varg Veum en The Bridge. De patronen in al die series zijn immers dezelfde.

De Hoofdpersoon

 
Man, vrouw, jong of oud, alles kan, mits een loner. Sociaal onaangepast. Humeur om op te schieten. Je ziet nooit een protagonist die geld inzamelt voor het jaarlijkse personeelsuitje of op kraamvisite gaat. Alcoholist. Zorgt slecht voor zichzelf. Loopt er slonzig bij. Eten is bijzaak. Vertoont echt therapeutisch gedrag. Lacht nooit. Kijkt veel voor zich uit. Hannest met mobieltje, die te pas en te onpas afgaat, zonder dat ie ooit aan de lader hoeft.

De Assistent

 
Sullig type. Jan Modaal, Otto Normalverbrauch. Komt nooit met beslissend inzichten, maar is wel nodig, bijvoorbeeld om af en toe te zeggen: ‘Ga er niet alleen op af.’

Wat de hoofdpersoon natuurlijk wel doet. Een keer of wat springt hij of zij in de auto en gaat in zijn/haar uppie een verlaten gebouw/bos/loods/kelder in. Wat vrij dom is, maar waarschijnlijk luidde de instructie op de politieschool: wat je ook doet, vraag nooit om back-up.
 

De Chef

 
De protagonist staat op gespannen voet met baas/chef/hoofdcommissaris. Minstens twee keer per aflevering hebben ze ruzie, waarbij een van de twee boos wegloopt. Op zich bijzonder omdat de hoofdpersoon nauwelijks op het bureau is. De held schrijft geen rapporten, levert geen urenbriefje in en ATV hoort er niet bij. Het is 24/7 op de zaak. Ondanks bewezen diensten en een voor elke werkgever jaloersmakende betrokkenheid, hangt hem of haar voortdurend een schorsing boven het hoofd.
 

Gezin/Familie

 
Gescheiden. Altijd. Net als moeizame relatie met ex. Rechercheur heeft nergens tijd voor. De zeldzame keren dat er thuis gegeten wordt, met de kinderen, komt al snel een telefoontje. Je ziet hem of haar nooit op ouderavonden, ’s ochtends de broodtrommels inpakken, of een pleister op een zere knie plakken.
 

De Zaak

 
Moord. Bij voorkeur. Kinderen of vrouwen. In bizarre settings. Nooit eens iemand die gewoon boos wordt en een rivaal omlegt, volgens het vertrouwde recept van de Maffia: oog om oog, tand om tand. Dader is standaard een freak. Vecht persoonlijke vete met rechercheur uit.
 

Het Verloop

 
Na de eerste dode volgen er meer. Allemaal gruwelijk. Aanwijzingen worden op ingenieuze manier verstopt, maar stuk voor stuk door rechercheur ontrafeld. Hij of zij neukt soms met verdachte/getuige/collega.

Als halverwege confrontatie met dader volgt (hoeft niet), kan hij/zij de held eenvoudig vermoorden. Hoewel dat de zaak voor de freak zou vergemakkelijken laat hij/zij dat om onduidelijke redenen achterwege.

De patholoog/anatoom doet tussentijds uitspraken. Levert nooit een afgerond rapport in, dat in een team besproken wordt. Doet die mededelingen uit de losse pols, als rechercheur toevallig de sectiekamer binnenloopt, waar het lijk (nog) steeds klaar ligt.

Het hele politieapparaat kampt tot zeker driekwart van film/aflevering/seizoen met alleen maar tegenslag en loopt voortdurend achter de feiten aan. Rechercheurs overleggen door elkaar vaak zwijgend aan te kijken.
 

Het Verhoor

 
Hoofdpersoon verhoort soms verdachten, maar doet dat op een Allejezus halfbakken manier. Maakt het nooit af. Altijd wordt hij of zij geroepen en gaat dan de verhoorkamer uit om in zijn/haar auto te springen richting bosje/loods/verlaten huis.
 

Ziekenhuis

 
Protagonist belandt minimaal een keer in het ziekenhuis. Met gebroken ribben/hersenschudding/schotwond. Zit de herstelperiode niet uit. Trekt opeens de kleren aan, die gewoon op de stoel naast het bed hingen en hinkt, al dan niet met een bebloed verband om het middenrif, de afdeling af. Dat lukt ongezien, omdat er op zo’n moment nooit een verpleegster in de buurt is.

Als verdachte of slachtoffer in het hospitaal ligt, is er wel bewaking, maar ook die is in geen velden of wegen te bekennen als de gewonde ontsnapt (verdachte) of alsnog wordt vermoord (slachtoffer).
 

De Ontknoping

 
In dezelfde verlaten schuur/bos/huis als waar de hoofdpersoon al eens is neergeschoten. Eindigt steevast in één-tegen-één duel met moordende freak. Dat blijkt iemand die aan het begin even te zien was, verder niet meer in het verhaal voorkomt en aan het einde plotseling opduikt en vlak voor het eindgevecht met een onduidelijk verhaal zijn daden verantwoord. Heeft iets met vroeger te maken.

Daarna volgt slotduel, waarbij de held eerst in kansloze positie wordt gemanoeuvreerd, zijn wapen kwijtraakt, zich op miraculeuze wijze herstelt en de freak uitschakelt. De held loopt dan naar de auto, terwijl zijn mobieltje afgaat.
 

Einde

woensdag 22 april 2015

Voorbij de Watertoren (57) Bed wakker staan

Bed alarm wakker staan. Gang kat keuken vloek. Bord stuk vloek pleister. Brood boter hagel melk. Kachel kraan magno koker. Schreeuw alarm herhaal schreeuw. Vrouw zoon zoon zitten. Daar nee hier daar. Game nee game ja. Kauwen kauwen kauwen klaar. Tas trommel beker klaar. Shirts sokken broeken kleden. Nu.
Tv aan eet tv uit. Tempo wc douche poetsen. Traag gek boos huil. Gel föhn washand geklier. Tas jas deur gaan. Oprit deur auto deur. Stop vergeten vloek deur. Slot sleutel open terug. Start weg kruising fietsers. Middelvinger zwaai licht gas. Rijden rijden rijden stop. School plein hal groet. Kus dag juf binnen.
Phone check mail gaan. Bocht stop weg bocht. Pomp stop klep geld. Links rechts links gas. Bocht rotonde stop file brug. Vloek berm middelvinger fuck. You. Bocht truck langs truck. Voorbij links voorbij rechts. Gaan radio Freeze volume. Bedrijf rechts lucht links. Auto’s auto’s auto’s auto’s.
Stop bocht rood groen. Stop bocht rood groen. Rechts fiets voet brom. Gebaar terug boos o ja. Kijk mensen terug hoi. Plaats stil uit tas. Loop zebra brink deur. Krant zit start koffie. Vrouw praat man praat. Tafel blok groet werk. Bel schrijf bel schrijf. Praat zoek kijk check. Brood koffie melk appel.
Schrijf praat bel tweet. Lijstje check lijstje check. Kijk horen zwijg vraag. Auto sleutel weg deur. Schrijf vraag schrijf vraag. Grap lach grap lach. Water appel water kroket. Nieuws weg fuck en fuck. Bel zwijg mail vraag. Loop plas handen was. Zit werk muziek lach. Druk mensen tafel veel.
Krant verhaal morgen nieuw. Vraag antwoord vraag antwoord. Weg rust werk tijd. Auto sleutel huis bocht. Rechts rechts rechts rechts. 80, 100, 120, 130. Druk stad file vloek. Tijd tekort te laat bots. Langzaam bocht rotonde bos. School huis borrel rust. Groen, deeg vlees vuur. Borrel roer borrel klaar.
Praat school werk dag. Vaat was tv koffie. Pyama poets zeur niet. Lezen lampje nog even. Schreeuw licht uit nu. Wakker toch poepen ok. Blijven tv nee slapen. Nu. Serie crime moord politie. Nieuw leuk door moe. Bank slaap mond open. Schrik tijd kachel uit. Kat vreten schuur plas. Bed lees gaap slaap.

woensdag 15 april 2015

Voorbij de Watertoren (55) – Langzame Man J.J. Cale

Een man met een gitaar op een parkeerplaats. Waarschijnlijk in Tulsa, Oklahoma. Hij oogt sympathiek, maar ziet er verder alledaags uit. Grijzend haar, grijs baardje, T-shirt, overhemd erover, spijkerbroek, cowboylaarzen. Het aparte is dat-ie daar zit, een liedje speelt en hoe hij dat speelt. Het is J.J. Cale.

In de documentaire To Tulsa and Back – On Tour With J.J. Cale, doet de hoofdpersoon een krap uur lang niet veel meer dan dat. Hij zit of staat te gitaarspelen, sjokt naar een podium, stapt de toerbus in en uit, eet een hapje en kletst wat. Alles in zijn eigen tempo. Hij is een langzame man.

Zenuwelijer als ik ben, zit ik er met open bek naar te kijken. Ik ben als Johan Cruijff. Altijd bezig met wat komt. Nooit in het nu. Aan het trainen dacht hij aan de avond. In de avond aan het ontbijt en bij het ontbijt aan de training. Terwijl ik dit stukje schrijf ben ik al aan het strijken.

Laid-back

Lees over Cale en de term ‘laid-back’ is nooit ver weg. De door hem ontwikkelde Tulsa-sound straalt het uit. Komt het vandaag niet, dan morgen. Van zijn kalmte word ik heel onrustig. Hij is iemand die vragen beantwoordt met ‘mwoah’, ‘och’, ‘tja’ en ‘zo gaan die dingen’.

Dat is ook voor Oost-Groninger begrippen bijzonder. Stadjers denken dat wij, mensen van het achterland, de seizoenen geduldig over ons heen laten komen. Niets is minder waar. Het is twentyfourseven met de bek op het stuur en als je ’s avonds om half elf op de bank ploft, ligt er iemand op de andere bank die zegt:

,,Je moet eigenlijk nog een klusje voor me doen.’’

,,Kan dat morgen niet?’’

,,Nee.’’

,,Godverdomme.’’

Kind noch kuiken

Cale had, afgaand op de documentaire, kind noch kuiken en is zijn hele muzikale leven een beetje door Amerika geboemeld. Optreden hier, plaat opnemen daar en zijn thuis was soms een caravan op een trailerpark. Kon doen en laten wat-ie wou, al had zelfs deze man soms geen zin in een optreden: ,,Maar ja, dat heb ik mezelf op de hals gehaald.’’

Ik zie J.J. Cale op zondagavond, op de Belg. Ik zit op de bank met een borrel en dat zit goed, maar in mijn hoofd is het maandagmorgen en draai ik de N33 weer op richting Assen. Met een beetje fantasie kan de weg tussen de Eemshaven en Assen voor een road door Amerika’s backyard doorgaan, maar niet op maandagochtend om half negen.

,Hoe ziet jouw dag er morgen uit’’, vraagt mijn vrouw.

,,Naar de krant, Reyer en Demy ophalen van training, gitaarles en voorlezen in De Wolthoorn & Co, bij Sport in Stad.’’

,,Is ook zo. Levert dat nog wat op?’’

,,Nee.’’

,,Oh.’’

In de buurt van de N33

Mijn wereld heeft zich altijd in de buurt van de N33 afgespeeld, maar ik had graag een staartje meegekregen van ‘de wilde jaren in Californië’, waarover Cale vertelt. Met de weinige noten die deze zoon van Tulsa qua persoonlijk leven op zijn zang heeft, kan het niet anders of hij stond nooit halverwege de maand dik in het rood.

Alleen al omdat de halve wereld nummers van hem speelde. Van Eric Clapton tot Johnny Cash en van John Mayer tot Randy Crawford. Cale moet rijk zijn geweest en zal geen moment hebben zitten graaien in de spaarpotten van de kinderen die hij nooit had.

Wij wel.

,,Zoveel werk is het toch niet om even dat schilderijtje op te hangen?’’

,,Mag ik misschien ook even zitten?’’

,,Je wilt nooit iets voor me doen.’’

Het moet anders

Als ik Cale zie denk ik: het moet anders. Maar hoe? In de tien jaar dat ik mijn zoons van school haalde stond ik er om kwart over drie. Die keer dat ik het niet ging redden omdat de TomTom 15.18 als aankomsttijd aangaf, belde ik de directeur dat hij ze niet zo het dorp in mocht sturen, maar op mij moest wachten.

Ik was er om precies kwart over.

Mijn vrouw lag in een deuk toen ik dat vertelde. Zij doet het nu en afgaand op de klaagzangs van de mannen staat ze er meer niet dan wel om kwart over drie. Maar dan ben ik raar.

JJ Cale is dood.

1919

Ik kende hem eigenlijk niet zo goed. Alleen van naam. Een cd had ik volgens mij van hem. Maar 1919, aangeschaft na een lezing van Herman Brusselmans die zei dat het een zijner favoriete platen was, heb ik drie keer beluisterd. Ik vond er geen bal aan. Die was naar later bleek ook niet van J.J., maar van John Cale. Dat is iemand anders.

Toch kon ik niet anders dan aan de man denken toen ik woensdagochtend om zeven uur, nog voordat ik broodjes ging smeren, met closetpapier naar de schuur liep om daar een in stukken gescheurde jonge merel op te ruimen.

Dat ligt deels aan mij. Ik laat me meeslepen door het beeld dat in zo’n documentaire van zo’n man wordt geschetst. Anderzijds: ik weet zeker dat Cale nooit van zijn leven een handoekenrekje heeft opgehangen.

donderdag 9 april 2015

Voorbij de Watertoren (54) – Goede Moeder, Slechte Vader

Een herinnering: ik sta bij de schoorsteenmantel in het ouderlijk huis en ik ben boos. Ik roep: ‘Ik leer niet meer voor jullie.’ Mijn vader schampert: ‘Je leert niet voor ons, je leert voor jezelf.’

Wat er aan voorafging weet ik niet meer. Ik vermoed dagen, weken, wellicht maanden strijd. Of erger, een discussie zonder begin en eind, over het al of niet huiswerk maken. De rolverdeling is duidelijk: zij willen dat ik mijn best doe, ik heb geen zin. Deze echo uit mijn jeugd klinkt als een wanhopig slotakkoord van iets. Een kind met de kont tegen de krib, ouders die ik weet niet wat geprobeerd hebben.

Al is het allesbehalve symptomatisch voor mijn jonge jaren, want er was weinig om mij te doen. Mijn zusje, die was pas moeilijk. Althans, afgaand op dia’s van vakanties aan de Moesel. Zij met de bokkenpruik op omdat ze niet wilde wandelen. Met geen stokken voor- of achteruit. Het was ook in die zomer dat mijn moeder na een middagje Koblenz moest huilen, helemaal klaar met het oeverloze gebekvecht tussen oudere broer en jongere zus.

Of het een keerpunt was is me na zoveel jaren onduidelijk. Ook hier zijn de voor- en naverhalen gewist. Je kunt je nu eenmaal niet alles herinneren uit 49 jaar leven.

Ik zeg nee, zij zegt ja

 
Een moment: oudste zoon vraagt of ie bij zijn moeder mag slapen. Ik zeg ‘nee’, zij zegt ‘ja’. Zoals we ook doen in kwesties als ‘mag ik langer opblijven?’, ‘ik ben ziek, kan ik thuisblijven van school?’ en ‘heb ik mijn bordje genoeg leeggegeten?’

Mijn vrouw en ik hebben elk een rol. Good cop, bad cop. Zij is meegaand, begrijpend, biedt ze een sigaretje aan, ik ben de hardliner. Nog geen advocaat mogen ze bellen.

Het verschil tussen het warme bed van een goede jeugd dat je wilt bieden en de les dat je niks cadeau krijgt in het leven: dat je daar wel wat voor moet doen. Werken bijvoorbeeld.

Onze houdingen hebben we niet bedacht, is nooit afgesproken. Zo zijn we er in gegroeid. Het zal des mans en des vrouws zijn, patronen uit het collectieve bewustzijn.

Ik heb me laten vertellen dat het goed is. De een aan deze kant, de ander aan de overzijde. Links-rechts, Yin-Yang, licht-schaduw, hard-zacht, boos-lief. Het een bestaat bij het ander. Zonder Duivel geen God.

Basis voor later

 
Zoekend naar balans kom je uit in het midden. Basis voor later. Kweek je evenwichtige persoonlijkheden mee die de juiste afwegingen kunnen maken. Wanneer dat zal zijn is nog onduidelijk. Als er iets te vragen is, lopen ze nooit naar mij. Soms, voor de vorm. Mijn zoons volgen de aanwijzing op het bord langs de N33: Afslag gemist, neem de volgende. Krijg je het bij de een niet, dan bij de ander. Of nee, we lopen meteen naar de ander.

Nog een herinnering: op vakantie aan de Edersee, Achensee, of Sorpesee. We staan bij stuwdam, Middeleeuws kasteel, stoomtrein, rondvaartboot, zoiets. Zusje en ik willen een ijsje. Nee, zegt mijn vader. Dou toch, zegt mijn moeder, die haar man meteen uitmaakt voor zunige poiter. Hij blijft onvermurwbaar, pas na lang emmeren kan er een raket af. Weet je wat een cornetto kost? Zo ging het door: Bratwurst, fünfzig Pfennig voor de gokkast in de Raststätte, niets kwam ons zomaar toe.

Tien paar sportschoenen

 
Een beeld: in de gang een kast met tien paar sportschoenen, in de hoek vier hockeysticks. Nauwelijks gebruikt. In de tuin zes ballen. Ze vormen tezamen een overzicht van de jongste spaaracties van de lokale supermarkten en de recente geschiedenis van het mondiale voetbal. De Brazuca (WK 2014) ligt achter de rododendrons, de Capitano (Champions League 2014) in de vijver en de Jabulani (WK 2010) vast in de Laurier. Lek of vergeten.

Wellicht ten overvloede: niet door mij gekocht. Ik vind: alles moet eerst op of kapot, pas dan denken we na over vervanging. Geld groeit me niet op de rug. Net zo min als geduld.

Ergens in de toekomst: herinneringen van twee mannen aan een jeugd in Slochteren, begin 21e eeuw. Wat hangen blijft is te voorspellen. Gezellig onder de dekens bij mamma. Net even langer opblijven. Broodje hamkaas net na het warm eten. Ik ben niet zielig, ik ken mijn plek, maar ik hoop dat ze zich op een dag realiseren dat ‘nee’ zeggen moeilijker is.

woensdag 1 april 2015

Voorbij de Watertoren (54) – In De Bus, De Whisky En De Dichter

Er is eigenlijk niet een heel goede reden te bedenken waarom mannen naar een whiskyfestival zouden moeten gaan. Het argument ‘we zijn liefhebbers’ houdt geen tien minuten stand, omdat de eerste de beste single malt een brandend spoor over je tong trekt, de smaakpapillen verdooft en een trekkend gevoel in je mond veroorzaakt, zodat je vanaf dat moment evengoed benzine of loog in je keel kunt gieten omdat je dat ook blij knikkend zou goedkeuren met: ‘ik proef amber, een beetje hazelnoot en Thaise curry’.

Ik zit in de bus naar huis. De tweenalaatste richting Slochteren. Omdat ik de volgende dag om zeven uur op moet heb ik die van 21.55 uur gepakt.

Katjelam, dat dan weer wel.

Achter me zit het meisje van de C1000, ik luister via oortjes naar Umar bin Hassan, een van The Last Poets, de Amerikaanse groep dichters en musici, die vanaf eind jaren zestig furore maakte. Mijn vrouw en ik zagen hem ooit in Vera. De cd die ik toen kocht is zelfs gesigneerd. ‘To Jotke’, staat er op, ‘Thanks, Umar’.
Joke is verkeerd gespeld. Engelsen en Amerikanen snappen die naam niet. Ook aan Salman Rushdie moest ik eens uitleggen dat mijn vrouw zo heet. Hij geloofde het niet. ‘Grepje’, verduidelijkte ik. Hij schudde zijn hoofd.

We seek an answer and become the question

Met de smaak van de Old Pulteney Navigator nog op mijn tong en de alcoholnevel in mijn hersenen klinkt Bin Hassan als God himself. Hij rijgt in zijn politiek en sociaal geladen rijmzinnen de een na de andere verpletterende wijsheid aaneen. Op de grens tussen Scharmer en Harkstede bedenk ik dat het gedicht ‘Personal things’ zo in de plaats van het ‘Onze Vader’ kan.

Blessed with live but then afraid to give

Rengerslaan, Kolham. Er is geen plek op de wereld verder weg van Harlem, New York, het thuis van de Poets en toch klinkt elk woord, gedragen door hypnotiserende ritmes van Bill Laswell, Ayib Dieng en Hamid Drake alsof het voor precies deze busrit is gemaakt. Met een pittig gangetje snellen we door het donker.

We rush towards beginnings that might be the end

Een meisje stapt uit en roept ‘Bedankt’ tegen de chauffeur. Hoezo, denk ik, die man doet gewoon zijn werk. Al weet ik dat ik straks ook door de bus lal: ,,Bedankt voor alles! We blijven contact houden!’’

Meer nog dan voor de whisky ga ik naar het festival voor een avond met mijn neef en oom. De een woont in Zuidlaren, de ander in Emmen. Familie kies je niet en toch zijn ze me even vertrouwd als mijn ouders. We hebben weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen.
Al benaderen we de proeverij op onze eigen manier. Mijn neef en ik houden van zilte, rokerige malts, alsof je de open haard leegdrinkt, mijn oom houdt van fruitiger, vanille-achtiger sferen. Dalwhinnie, dat werk. Oompjelief zorgt ook een beetje voor ons en bestelt halverwege de avond voor ieder een portie ‘Irish stew’. Om te voorkomen dat neef en ik alleen maar de stands aflopen, wijzend naar alles dat in ons glas moet.

Pointing fingers while our insides bleed
Committing suicide to fulfill a need

Ik kijk naar buiten en zie mezelf in het raam. Althans, dat wat anderen zien. Wat dat is weet ik niet. Mijn beeld zegt me niet zoveel. Het is wat het is. Ik zeg dat ik ‘katjelam’ ben, maar dat valt mee. Ik hou van het woord, omdat ik het vertaal naar vrolijk dronken. Zonder schuld, zonder weet van morgen. Leven in het hier en nu, het is mij niet gegeven. Ik denk altijd aan vroeger en later, aan wat ik heb gedaan, wat nog moet.

We speak of existing but have nothing to say
We touch religion and make it seem like hell

Denkend aan Umar bin Hassan, denk ik aan mijn vrouw en ik en toen we nog jong waren, alle tijd hadden. Dat ik nu om tien uur de bus neem is omdat de jongste zoon de volgende dag om negen uur moet voetballen. In Nieuw-Buinen. Dat is overigens geen opgave. Ik hou van simpele dingen, de eenvoud van het bestaan. Goed, mijn wieg stond in dat deel van de wereld waar je zo kunt denken, maar volgens mij is oorlog ook een keuze.

We make war reality
And call peace a dream

Altijd kijk ik in het voorbijaan naar de kerk in Slochteren. De koster heeft generaties kinderen laten zien waar de kogels in de toren zitten, overblijfselen van de Tachtigjarige oorlog. De troepen van weet ik niet meer wie trokken over de Hoofdweg richting Heiligerlee. Bij het godshuis denk ik echter vooral aan die ene winter, toen mijn oudste zoon meedeed aan een toneelstuk en de wereld bij het uitkomen van de kerk wit was en dikke vlokken naar beneden dwarrelden. Ik weet nog dat ik dacht: ,,Ja, zo moet het zijn.’’

Als ik vijf minuten later uitstap vergeet ik toch de chauffeur te groeten. Ik steek de weg over en wandel richting huis. Bij de jeu de boules-baan van woonzorgcentrum ’t Olderloug stop ik even en braak de Irish Stew in de bosjes.

Because we all must struggle
We all must try
Because somewhere in the future we all must die
But to leave al legacy that will long unfurl
That ours too was a struggle for a better world

donderdag 26 maart 2015

Voorbij de Watertoren (53) – De Eeuwige Veenkoloniaal

Collega A. veegt me de mantel uit. Ze luistert naar een podcast-item over de interviewtraining bij de krant. Internetcollega M. wil dat ik mijn ervaringen met de lezers annex luisteraars deel. Want ook wij als journalisten leggen verantwoordelijkheid af. Het is niet meer alleen nieuws, achtergrond, duiding, analyse en opinie wat we de mensen voorschotelen, ook ‘het verhaal achter het verhaal’.

Over mijn interview had ik eerder mijn zegje gedaan via de podcast, nu ging het over nut en noodzaak van interviewtraining. Zeg maar ‘het verhaal achter het verhaal achter het verhaal’. Maar dat wat ik in de microfoon wauwelde bleek niet naar de zin van collega A. Ik moest eens normaal doen.

Niet lezen

 
,,Als ik dit luister denk ik: dat stuk moet ik helemaal niet lezen. Je noemt Frénk van der Linden ‘meesterinterviewer’ en je zegt dat je met klotsende oksels bij hem zit omdat je bang bent voor de kritiek. Daarmee suggereer je dat je normaal op schoolkrantniveau werkt en jouw verhaal een lucky shot is. Terwijl jij altijd een goed verhaal schrijft. Dat weet je zelf ook.’’

,,Nou, eh…’’

,,Stop daar mee. Met die achterlijke bescheidenheid.’’

Mijn enige verweer was dat het een grap was. Zweet in de oksels, haha, ja, zo zitten wij daar.

Collega A. zei dat als ik grappig wilde zijn ik dat dan niet met een doodgraversstem moest doen. Daar snapten de mensen niks van.

,,Waar ik vandaan kom wel.’’

,,Oooh, hou toch eens op met dat Veenkoloniën-gedoe. Dat kennen we nu wel. Je haalt jezelf voortdurend onderuit.’’

Ook klaar mee

 
Mijn vrouw gaf collega A. gelijk: ,,Ik ben daar ook zó klaar mee. Altijd dat onderdanige, dat dienende, dat eeuwige gezemel van we komen uit Oost-Groningen en we kunnen niks.’’

Ik haalde mijn schouders op en keek naar mijn ouders, die de oppasdag afsloten met een kopje koffie. Mijn vader vertelde dat hij tegen kennissen had gezegd dat ie het contact verbrak. Die mensen hadden een cabrio gekocht. Daarmee kwamen ze in een andere categorie mens, te hoog voor hem. Dat was, uiteraard, ook een grap.

Humor is geen Veenkoloniaalse uitvinding.

Waarom doen wij zo?

Ik denk aan de bundel ‘De eeuwige reserve’ van Jan Mulder. De titel slaat op mijn beleving van het Veenkoloniaal zijn. Alle mogelijke soorten mensen staan op het speelveld van het leven, wij zitten in de dugout. Alleen als de anderen echt niet meer kunnen - nog maar één been, hoofd er af -  mogen we met een ‘in godsnaam’ invallen. De enige opdracht: doe maar wat. We verwachten er niks van, dus het valt altijd mee.

Schrijven en zo

 
Ook met collega I. had ik het erover. Over schrijven en zo. Zij had volgens Frénk een interview gemaakt dat genomineerd zou moeten worden voor De Tegel, de hoogste journalistieke prijs. Collega I. had geen idee hoe dat moest, genomineerd raken.

Tegen haar kon ik wel zeggen dat ik me verbaasde dat mensen over mijn stukken begonnen. Zou niet mogen, ik zat er net tien maanden. In principe moest ik de journalistiek nog leren.

,,Zou het kunnen’’, vroeg collega I., ,,dat je heel goed bent?’’

,,Met die mogelijkheid hou ik geen rekening.’’

Verhalen schrijven is mijn werk. Daarvoor zit je bij de krant. Moet ik dat dan melden? Lijkt me niet. Al ontkom je er in tijd van Facebook en Twitter niet aan. Soms moet je complimenten en zo retweeten. Goed voor je naam, goed voor jezelf als brand.

Die ik in zo’n podcast weer om zeep help door te beweren dat ik met klotsende oksels bij Frénk op audiëntie ga en verzwijg dat Frénk ‘Hulde’ over mijn verhaal zei.

Dat is trouwens niet alleen bescheidenheid. Ook geen cultivering.

Om er af te wezen

 
Met die mislukte grappen trek ik een scherm op. Om er af te wezen. Om te voorkomen dat mijn hoofd boven het maaiveld komt. Alles wat omhoog gaat, kan vallen. Hard vallen. Dat kan ik niet aan. Omdat ik geen mens ben die van zichzelf uit gaat. Er zijn momenten dat ik het liefst opgerold in een hoekje lig. Ver weg van de wereld. Om geen andere reden dan dat die wereld, het leven, te groot is om aan te kunnen. Omdat het aan de ene kant zo bijzonder is en aan de andere kant zo eindig. Daar ben ik bang voor.

Daarom volhard ik in die zogenaamde Veenkoloniale bescheidenheid, omdat ik het dáár niet over wil hebben.

Collega A. kijkt naar mijn iPhone: ,,Wat is daar mee gebeurd?’’

,,Gevallen’’, zeg ik en laat haar de achterkant zien: ,,kijk, ook kapot.’’

,,Daar kun je toch niet meer mee bellen? Jij gaat nú een nieuwe bestellen.’’

,,Maar ik kan er nog best mee werken.’’

,,NU!’’

woensdag 18 maart 2015

Voorbij de Watertoren (52) – Open brief aan de raad van Tynaarlo

Geachte leden van de gemeenteraad van Tynaarlo, incluis college van burgemeester en wethouders,

Met deze open brief wil ik uw aandacht vestigen op een kwestie waar ik tegenaan loop. Dat is in een zin: Als ik bij raadsvergaderingen op de perstribune zit, als verslaggever van het Dagblad van het Noorden, dan heb ik een deadline.

Die deadline is eigenlijk elf uur, maar omdat editie Noord-Drenthe, zeg de boereneditie, wat later op de pers gaat, heb ik tot kwart over twaalf. Het is echter steeds vaker dat ik met dichtgeknepen billen naar het debat luister. Niet zozeer vanwege de inhoud, wel omdat ik doorlopend op de klok zit te kijken en door slechts één gedachte word beziggehouden: haal ik het?

Muilkorven

Waarmee niet gezegd wil zijn dat ik u de mond wil snoeren. Ik zat in een lichtgrijs verleden bij de raad van Hoogezand-Sappemeer en toen daar heel voorzichtig het idee van een maximum spreektijd werd gelanceerd, omdat het wat uit de hand liep met de democratische grondbeginselen, zat de oppositie de keer erop met muilkorven om. Dat beeld hoef ik niet nog een keer.

Als voorbeeld noem ik liever de raad van Groningen, toch ook niet de gemakkelijkste gemeente. Die maximum spreektijd geldt daar al heel lang. Dat ging in mijn tijd zelfs zo goed dat de fractievoorzitter van de SP eens ruim binnen de vijf minuten bleef. Een unicum in de geschiedenis van de Socialistische Partij. Tot zijn eigen verbazing en die van de overige fracties, die prompt hun eigen maximum spreektijd in gevaar brachten met een combinatie van verbazing en bewondering.

Minder scherp

Daarmee wil ik evenmin gezegd hebben dat het minder scherp zou moeten. Integendeel. Wrijving geeft glans en als alles goed gaat is er ook niks aan, maar – en daarmee richt ik mij even specifiek op de wethouders – soms volstaat een simpel ‘ja’ of ‘nee’.

Mijn concrete vraag is slechts: kan het wat compacter?

Het lijkt mij ook een uitdaging voor de voorzitter van de raad. Ik wil niks suggereren, maar onder zijn voorganger is het twee keer voorgekomen dat een vergadering uitliep tot de volgende dag, terwijl ik het sinds 1 januari nog geen twee keer heb meegemaakt dat er geen agendapunten werden doorgeschoven.

Wellicht heeft dit een sociaalgeografisch karakter. De vorige (interim)burgemeester was een Fries, terwijl de nieuwe van ergens beneden Zwolle komt en in de ogen van noorderlingen gaan de mensen daar nogal slordig om met het begrip ‘tijd’. Daarom meneer de voorzitter: u heeft een grote houten hamer en dat geeft zo’n fijn geluid dat ik dat niet vaak genoeg kan horen.

Verslaggever

Mijn vraag stel ik deels als verslaggever. U als volksvertegenwoordiger wilt graag dat het volk de volgende dag leest wat u namens hen hebt gezegd en dat komt nu in het gedrang omdat ik om twaalf uur niet nog eens uitgebreid de voors en tegens tegen elkaar kan afwegen en dus een deel in het voren schrijf. Dat is pure zelfbescherming om niet om twintig over twaalf uitgefoeterd te worden door de nachtchef, omdat hij op zijn beurt een briesende chef drukkerij in zijn nek heeft, die op zijn beurt platgebeld wordt door fulminerende koeriers.

Mens

Ik stel de vraag deels ook als mens. Ik woon in Slochteren. Aardbevingsgebied. Daar is het overdag al niet veilig, laat staan ’s nachts en als ik om 01.00 uur langs het Slochterdiep rij en twee witte zwanen in het water zie begin ik te twijfelen aan mijn observatievermogen. Terwijl ik alle aandacht bij de weg moet houden, omdat A: het asfalt in vergaande staat van ontbinding is en B: er in het donker allerlei groot- en kleinvee kan oversteken. Van woelrat en marterhond tot wilde paarden en Schotse hooglanders. Daarbij vindt de paddentrek volgens de borden langs de weg tussen 19.00 en 07.00 uur plaats en ik hoef denk ik niet uit te leggen wat dat voor de banden betekent qua grip.

In het geval dat ik zonder brokken thuiskom, moet ik eerst unwinden. Niet vanwege ergernis hoor. Vooral om fysiek te ontspannen en met name mijn bilspieren zijn daar dan aan toe en aangezien ik tegen de vijftig loop en net als bijna alle journalisten alcoholist ben en de volgende dag om 07.00 opsta om ontbijt te maken voor mijn kinderen loop ik mijn hele vrije woensdag als een zombie door het huis.

Oplossing

Tegenwoordig moet je bij een gesignaleerd probleem meteen de oplossing leveren en daarom het volgende: Begin niet aan commissies. Dat verergert het probleem slechts, maar voer het debat alleen nog via de kolommen van het Dagblad van het Noorden. U zult zien: een win-win situatie. Wij kunnen de standpunten mooi larderen met foto’s en infographics, wij kunnen dat zelfs heel goed en dan is het op de raadsvergadering nog slechts een kwestie van aftikken en zijn we ruim op tijd voor het begin van de Champions League weer thuis.

Hoogachtend en met vriendelijke groet, Herman Sandman