Posts tonen met het label Milko Djurovski de biografie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Milko Djurovski de biografie. Alle posts tonen

maandag 7 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (11) - The Voice of Servië

Met een mapje met oude foto’s stapte ik maandagavond om even voor half tien uit de dikke Mercedes van Bosko. Hij had me vlakbij het hotel afgezet, ondanks dat hij nog moest pakken, want morgen gaan hij en zijn vrouw met Vladimir Petrovic en diens vrouw iets doen. Vanwege vrouwendag geloof ik, maar hang me er niet aan op.

De dag was begonnen zoals dat wel vaker gaat hier. Om half elf wist ik nog niet wat die dag zou brengen en om vijf over half elf kreeg ik een smsje van Zora, die aan het hardlopen was, dat Bosko mij om half twaalf wilde zien bij café La Martina, voor een afspraak met Nenad Bjekovic, de trainer van Partizan Belgrado in het eerste jaar dat Milko daar speelde. Ik had me gelukkig al gedoucht, kleedde me aan, pakte een schone blouse en schone broek, controleerde mijn laptoptas, een soort draagbaar kantoor met alle opladers, extra smartphone, usb-sticks en headphones en opschrijfboekjes, liep naar de balie van het hotel en vroeg de man een taxi voor te laten komen.

‘Three minutes.’

‘Gwala’, zei ik. Dat betekent ‘bedankt’ in het Servisch, na pivo het tweede woord dat ik in vijf dagen leerde, oh nee, er is ook nog een derde, ‘svezde’, wat ster betekent. Als het over Rode Ster Belgrado gaat hoor ik dat ook steeds.

Om tien voor half twaalf was ik bij La Martina dat in god weet welke wijk van de witte stad ligt, om vijf voor half twaalf keek ik geamuseerd toe hoe Bosko zijn enorme Mercedes tussen de andere auto’s langs de kant van de weg wurmde. Waarna hij ‘one moment’ zei, via zijn smartphone parkeergeld betaalde en we weer een moment later de eerste rakija voor de kiezen hadden.

In gezelschap van Nenad Bjekovic. Een gedistingeerde man en – wat me opvalt – al die oud-voetballers zien er nog zo goed uit. Ze zijn niet vies van een borrel om het even op welk tijdstip, maar ze zijn in betere conditie dan ik.

Onder het genot van een rakija of twee, Bjekovic aan de whisky, volgens mij Jack Daniel’s, haalden we herinneringen op aan Milko’s tijd bij Partizan en uit dat verhaal bleek dat de toenmalige coach hem precies genoeg vrijheid gaf. Vrijheid die de jongste Djurovski vervolgens betaalde met verantwoordelijkheid en beslissende doelpunten.

Het gesprek vond overigens niet plaats in La Martina, maar in een piepklein aanpalend café dat een Partizan-café bleek. Bosko zei na een dik uur ‘enough’, wat ik zelf ook wel vond en toen ik vroeg ‘en nu?’ zei hij dat we zo een afspraak hadden met Dusan Savic, een andere crack uit de glorietijd van het Servische voetbal.

Ter vergelijk: deze dagen in Belgrado voelen alsof ik met Willem van Hanegem, Frank Rijkaard en Ruud Krol over Rob Rensenbrink zit te praten.

Bosko nam een foto van Bjekovic en mij en met de inmiddels ook gearriveerde Zora liepen we naar een verderop gelegen restaurant, alwaar Savic aanschoof. Ik gaf Zora mijn oortjes, sloot die aan op mijn iPhone, waarna de voormalige spits zijn verhaal deed.

Inmiddels gewend aan de Servische gastvrijheid keek ik niet gek op dat de volgende rakija voor mijn neus stond (elke ochtend in de spiegel zie ik mezelf met bloeddoorlopen ogen) en dat tijdens het gesprek een lunch werd voorgezet, met wederom veel vlees, waar hier en daar een bot uitstak en toen bleek dat de ober voor Partizan brak de hel weer los.

Bosko zei dat Milko had gezegd dat hij ook iets slechts over hem moest vertellen en dat deed hij ook. Een ervan is dat, in hun eerste jaren bij Rode Ster, Bosko zijn jongere broer op pad stuurde om in Italië van het zuurverdiende geld van Bosko kleren voor hun beiden te kopen. Jeans hadden ze niet in Servië, dat kocht iedereen in Italië. Maar Milko zette met een vriend de bloemetjes buiten in Rijeka en kwam voor de vorm met één spijkerbroek en één T-shirt terug.

Van hetzelfde laken een pak toen Bosko twee weken op trainingskamp was en Milko opdroeg de huur te betalen. Ook dat geld werd er doorgejaagd. Hij ontkende dat eerst, maar toen de huurbazin bleef aandringen moest hij kleur bekennen en huilde tranen met tuiten. Bosko: ,,Milko kon goed huilen, oh, hij was dan zo zielig. Iedereen vergaf hem dan altijd alles, maar ik kon wel mooi betalen. De hond.’’

Een kans om de lunch te betalen kregen we uiteraard niet en nadat Bosko Savic en mij op de foto zetten, bracht laatstgenoemde, me in de auto van zijn vrouw keurig naar mijn hotel. Waarna ik de volgende drie uur bezig was met bijkomen van de lunch en het uitwerken van de interviews en ik om half zeven voor Hotel Square Nine stond.

Daar pikte Bosko ons op voor een bezoek aan Ana Bekuta. Zeg de Servische Barbara Streisand, een grootheid in de Joegoslavische folk en tussen de opnamen van de volgende aflevering van de Servische Voice, of The Voice of Servië, maar het programma heet ‘Svezde Grande’ wilde ze wel even met ons praten.

Dat hadden we gedacht.

Het liep – uiteraard – uit en Bekuta liet weten dat we nog een uur moesten wachten. Er waren nog drie rondes, met een barrage en weet ik wat al niet. Omdat we in gezelschap van Bosko waren zette een van de productieassistenten drie stoelen aan de zijkant van het podium, vroeg wat we wilden drinken – ik knikte voor rakija en kreeg oude witte wijn – en bezagen we de wereld van de showbizz in Servië. Daarbij zat ik tussen twee uitersten, want Zora, met haar undergroundattitude, vond het helemaal niks en Bosko vond het geweldig. Ook voor hem was dit verblijf in de coulissen nieuw. Ik moest naast hem zitten en hij wees me op allerlei mensen die hij goed kende en die een ‘friend’ waren.

In de jury zaten vogels van diverse pluimage. Vonden wij Jacques J. d’Ancona al bijzonder, dit was alsof je een blik songfestivaldeelnemers opentrok. Sterker, een van de juryleden hád ooit het songfestival gewonnen. Een lesbienne met zigeunerbloed, werd me verteld. Daarnaast zag ik de Servische Lady Gaga. Met borsten als ballonnen, haar dat leek op bijeengebonden inktvisarmen en een zonnebril als twee aan elkaar gemonteerde zwarte pleedeksels.

Uiteindelijk zat Bekuta naast me, spraken we zeven minuten, waarbij ze pasklare oneliners debiteerde en stapten we, nadat ik de hand schudde van alle Servische Martijn Krabbé’s en Wendy van Dijken, in de auto richting centrum.

Waarmee een einde is gekomen aan vijf dagen Belgrado. Milko bleef in geen velden of wegen te bekennen, maar zijn broer nam de honneurs meer dan waar. Los van dat: nu ik in Belgrado ben geweest, de mensen heb gezien, vooral zijn broer, begrijp ik ook dat mensen in Nederland, meer precies Groningen, nooit hebben begrepen wat en wie hij was.

Alsof dat trouwens mogelijk is. Meer nog dan Gods wegen, zijn die van de Rookmagiër ondoorgrondelijk. Of, zoals Bosko het verwoordde: ,,Hij komt gewoon niet en wij knappen het allemaal weer voor hem op.’’

Milko kon niet naar Belgrado komen omdat hij moest werken. Maar niemand, zelfs zijn broer niet, wist niet wat voor werk.

zondag 6 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (10) - Down and out in Belgrado


Het was zo’n dag dat het zelfs onder de brug regende, de zwerfhonden elkaar aan de ballen likten en de Sava geelbruin kleurde. Slechts hier en daar een mens, een enkele parapluverkoper in de Knez Mihailova en nergens een blijk dat de zon ooit weer zou gaan schijnen.

De lobby in Hotel Moskva deed je denken aan vervlogen tijden, aan eeuwen waarin geschiedenis werd geschreven en keer op keer de nieuwe grens met het bloed van het oude volk werd getekend.

Je zag goedkeurend de obers in zwart en wit, met vlinderstrik, zoals ze op die plek sinds mensenheugenis over het marmer lopen. Om je heen, weggezakt in fauteuils en banken, zoals je kent van vergeelde foto’s van oude koffiehuizen, zochten gasten, schuilend voor de regen, troost en vonden dat in koffie, gebak, bier en wijn en in vriend, liefde, of familie.

Tijdens het verblijf in het oude hotel, voor de tijd die het duurt om geïnterviewd te worden door een journalist die zijn huiswerk heeft gedaan, voel je je even onderdeel van die lange geschiedenis. Hoe langer je in de deze stad bent, deze blanke vlek in donker Balkanland, Belgrado betekent letterlijk witte stad, hoe meer de geschiedenis en de mensen onder je huid kruipen en je ze beetje bij beetje begint te begrijpen.

Het was zo’n dag waarop je vroeg wakker werd, na een nacht van slecht slapen omdat het zaterdagavond was met lawaai in straat en in hotel en je, in afwachting van de dingen die komen gingen, lag te luisteren naar de regen en begon te lezen in The Post Office, om er achter te komen dat de hoofdpersoon, het alter ego van schrijver Charles Bukowski, er niet veel beter aan toe was.

Weer een kater na weer een nacht drinken, weer afgeblaft worden door zijn baas The Stone, weer een zware route, weer tot op de draad doorweekt na weer een stortbui en weer geen lunch. De ellende werd bijna tastbaar en je hoopte maar dat down and out in Los Angeles vandaag voor jou niet down and out in Belgrado zou worden.

Daar moest je aan denken toen je, na het interview, een wandeling door de stad maakte. Over gladde wegen, langs een markt met meer verkopers dan klanten en je broekspijpen nat werden van het opspattende water van langsrijdende bussen. Je stond even stil boven de oude rivier en keek langs de oude stad naar het oude land.

Je zag ook jezelf. Een man op een brug, weggedoken in een oude legerjas. Op het eerste oog met vastberaden tred, op weg naar ergens, geleid door een innerlijk vuur, maar in wezen op de vlucht, weg van zichzelf, verlangend naar zin en rust.

Het was zo’n dag waarop je dacht: waarom ben ik hier? Waarom stap ik in een vliegtuig, weg van huis, vrouw, kinderen, op zoek naar het verhaal van een andere man? Die er niet is en waarvan het afwachten is of hij komt.

Maar het antwoord weet je wel: het is dat wat alle mannen drijft. Als jongens werden ze aan de hand genomen door hun vaders, die hun wegwijs maakten. Zij vertelden verhalen over belangrijke momenten, over mensen die geschiedenis schreven.

Mannen blijven jongens. Ook als die hand loslaat willen ze verhalen horen en dus gaan ze zelf op zoek. Naar nieuwe verhalen, nieuwe helden. Om zich aan te laven, omdat het leven zich in de verhalen van helden in al zijn glorie ontplooit. En ook: om zich aan te spiegelen en aan op te trekken. In de nabijheid van een held raak je een kort moment aan de mythe en dat geeft, hoe kort dat moment ook, stof om te dromen en dromen is wat een mens verder brengt.

Daaraan dacht je toen je door het nieuwe Belgrado liep, je bier en voedsel liet brengen en terugkeerde over de brug, naar de oude stad, via de betegelde gangen onder de straten, waar zwervers en muzikanten, de verworpenen, de antihelden, je vragend aankeken en je niet durfde terug te kijken omdat je begreep wat ze wilden en je geen excuus had om nee te zeggen en het was zo’n dag dat je doornat in je hotel aankwam, je spullen uittrok, een borrel inschonk, een boek pakte en een zakje ‘sport mix’ en zag dat het nog steeds regende.

zaterdag 5 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (9) - De brug van het menselijk schild

De twijfel was er: moet ik wel, moet ik niet, maar vanochtend om zeven uur hakte ik de knoop door. Ik ben naar een hotel verhuisd. Dat lag niet aan Miki, de bewoner van het appartement waar ik verbleef. Een aardige gast, behulpzaam, gastvrij, gemakkelijk in de omgang en iemand die je ’s ochtends bij het ontbijt een rakija (zeg maar de Servische jenever) aanbiedt, is gewoon oké.

Alleen, daar ben ik nu achter, ik kan niet zomaar bij een onbekende logeren. Op de een of andere manier voel ik me niet vrij, blokkeer ik. Zora bezweerde me dat het geen probleem was, omdat Serviërs dat zo gewoon zijn en ook als ik er niet was zou hij waarschijnlijk zelf op de bank slapen, maar ik merkte aan mezelf dat ik me zo bewust was van zijn aanwezigheid dat ik eigenlijk nergens toe kwam en me steeds meer ging afzonderen.

Dat begon gisteren eigenlijk al, maar ik heb nog even gewacht. Ik vond dat ik me niet moest aanstellen en ik realiseerde me dat het afwijzen van gastvrijheid beledigend zou kunnen overkomen. Zo van: oh, jij vindt het bij mij dus niet goed genoeg?

Maar dat had er niks mee te maken.

Laat ik het anders uitleggen: het nieuwe menu waarmee ik sinds donderdag te maken heb, heeft invloed op de chemische processen in mijn spijsverteringsstelsel, met als gevolg een andere samenstelling – en substantiële toename - van gassen die zich tijdens het afbreken van het voedsel ontwikkelen en aangezien de ruimte in darmen beperkt is zoeken die een uitweg en dat gaat gepaard met geluiden die door het andere voedsel ook substantieel anders van toon en volume zijn. Omdat ik heb geleerd dat je dergelijke natuurlijke processen nooit moet tegenhouden, dat is niet gezond, ben ik genegen me in dat opzicht helemaal te laten gaan, maar dat voelt buitengewoon ongemakkelijk als twee meter verder een vreemde achter zijn computer zit, slechts van geluid en geur gescheiden door een enkelwandige deur.

Wat ik dus heb gedaan is vanochtend vanuit mijn bed online een hotel reserveren. Midden in het centrum van Belgrado. Want dat was een ander nadeel, het appartement lag in een buitenwijk, op ongeveer tien kilometer afstand.

Dus ik werd wakker om zeg acht uur en kreeg meteen koffie. De rakija wees ik af, dat leek me niet verstandig. Ook al omdat hij me blokjes wat leek op Turks fruit voorzette. Daar zat zoveel suiker in dat ik dacht dat ik een hartaanval kreeg. Ik douchte, kleedde me aan, liep naar de dichtstbijzijnde supermarkt en kocht een fles whisky voor hem, bij wijze van dank. Toen ik terug was, meldde ik hem dat ik naar een hotel ging, omdat het praktischer was. Wat in wezen ook zo is. Afspraken hier worden in de regel in het centrum gemaakt en dat is nu op loopafstand. Ik wandel nu de straat uit, ga linksaf en sta dan in de Kalverstraat van Belgrado.

Mijn gastheer belde een taxi en omdat die er binnen drie minuten was, ging het afscheid vrij snel. Op de een of andere manier voelde ik me schuldig, alsof je iemand in de steek laat, maar ik denk dat hij het ook weer lekker vindt in zijn eentje in zijn appartement, zonder zo’n zwijgzame Groninger.

Op basis van gisteren dacht ik dat Servische taxichauffeurs niet met passagiers praatten, maar die van vanochtend wilde wel. Hij wees me op het gebombardeerde hoofdkwartier van het leger, op de hoek Kneza Milosa Street en Nemanjina Street – dat inmiddels tot cultureel erfoed is benoemd – en een van de grondslagen van de Balkanoorlog was volgens hem dat alle Serviërs ‘not normal’ waren, om er aan toe te voegen: I am Serviër, waarna hij hoofdschuddend en toeterend ‘not normale’ medeweggebruikers terechtwees. Dat snapte ik, want een vrouw reed heel raar (zoals in Nederland alle vrouwen raar rijden) en een meneer liep om onduidelijke reden over de tramrails midden op een drukke verkeersweg met een soort van kartonnen zak.

Om bij het hotel te komen moesten we een stukje omrijden. Een deel van een belangrijke winkelstraat, de Kralja Milana, was afgezet. Daar wees hij me op, zodat ik geen stampij zou maken over de ritprijs. Toen ik vroeg naar het waarom van die afzetting, haalde hij zijn schouders op: ‘Geen idee. Mij hebben ze niks verteld.’

Het hotel is vergane glorie, maar daar hou ik van. De online reservering was overigens niet binnengekomen, maar de man achter de balie deed niet moeilijk: I give you a room. Of het inderdaad 22 euro per nacht is, betwijfel ik, aangezien een Aziaat naast mij zijn beklag kwam doen. Die dacht voor 24 euro te slapen en dat bleek ineens 30. Ik vond de uitleg van de balieman overigens steekhoudend (de gast was weliswaar alleen, maar sliep in een tweepersoons kamer), de Aziaat was een andere mening toegedaan.

Eenmaal de spullen op de kamer, ging ik naar de naastgelegen supermarkt en kocht een fles Eau De Vie De Montenegro (50 %), twee flessen water, een pak jus d’orange, een flesje sinas, twee blikjes bier en een zakje studentenhaver, hier ‘sport mix’ genoemd. Alles bij mekaar iets van twintig euro.

Daarna maakte ik het mezelf gemakkelijk, omdat Zora vandaag familiebezigheden had en we vanmiddag zouden afspreken. Dat zou niet eerder dan twee, drie uur worden, smste ze, dus had ik ineens zeeën van tijd. Om elf uur proefde ik voorzichtig aan de Eau de Vie, had na twee bodempjes meteen rode wangen en werkte het zakje ‘sport mix’ naar binnen, om niet out te gaan, aangezien het suikerfruit het enige was dat ik vanochtend binnenkreeg.

Ik las wat in de speciale uitgave ‘Vergeten Helden’ van Hard Gras, waarin ook mijn eigen verhaal ‘Ik was Milko Djurovski’ staat en dat ik dus oversla, omdat ik het al ken en ik speelde Bubble Blast op mijn smartphone.

Het restaurant in het hotel is 24/7, dus om twaalf uur dacht ik: lunch! Ik was de enige. Er bleek zelfs geen bediening, dus haalde ik ergens een mevrouw vandaan om de bestelling op te nemen. Mijn eerste keus, mixed meat, kon niet, maar ze beloofde me een Servische specialiteit, wat een vleesstaaf bleek, met daarin gesmolten kaas (erg lekker), frietjes en mixed salad en bij het vlees lag ook een hoopje rauwe ui. Omdat ik niet wist of er niet alsnog een afspraak vandaag zou zijn, liet ik dat liggen. Zoals ook gisteren vulde de lunch zo, dat ik moeite had de trappen naar de derde verdieping op te komen. Daar zal de halve liter bier mede debet aan zijn geweest.

Inmiddels was het één uur en ging ik de stad in. Immers, ik wist niet hoe ver het lopen was naar waar ik Zora zou zien, Beogradjanka, een hoog gebouw dat als een zwarte pilaar uit de straten oprijst. Een gemakkelijk herkenningspunt.

Het eerste wat ik deed was een boekwinkel binnenlopen, want ik vermoed dat ik Vergeten Helden zo uit heb. Uit het kleine stapeltje Engelse literatuur in de boekhandel viel mijn oog meteen op ‘The Post Office’ van Charles Bukowski. Ik moet er niet aan denken dat ik ergens zonder boek ben.

Daarna sjokte ik via de Knez Mihailova (dat overgaat in de Kralja Milana en nog meer de Kalverstraat is) richting Beogradjanka en kocht een Blic. Daarin inderdaad een column van Ivan Mrden over mijn plannen voor een boek over Milko.
 
 
 
Wat ik ook wilde was shirtjes van Rode Ster kopen voor mijn zoons. Kunnen ze in trainen en hebben zij ook eens wat bijzonders en ziedaar: tegenover het afspreekpunt was een Red Star Fanshop.
 
Ze hadden ze ook nog in de goede maten, alleen niet voor mezelf. Dus kocht ik het - na het vaste tenue en het uittenue - het derde shirt van Red Star voor mezelf. Af en toe zaalvoetbal ik en ik wil ook wel eens wat anders aan dan het oude shirt van WVV 5 (wat overigens, mede door de opdruk ’t Pleintje een collector’s item is) en heb ik ook een keer wat bijzonders.

De verkoper zei dat dit het shirt was waarin Red Star altijd tegen Partizan speelde - en altijd verloor. Het is hier soms net Groningen qua fatalistische insteek.

Uiteindelijk was het kwart over drie dat Zora en ik elkaar zagen en na een kopje koffie, voor haar Bailey’s en een sorbetglas koude romige Nescafé-koffie, besloten we een wandeling te maken naar het fort van Belgrado, dat in een park ligt op de oostoever van de Sava, precies waar die rivier overgaat in de Danube (Donau). Een soort Central Park van Belgrado.

Van daaruit was er zicht op de beroemde drijvende hotels van de Servische hoofdstad en op de brug, volgens mij de Brankov Most, waarop de mensen van Belgrado in de Balkanoorlog als een menselijk schild hand in hand gingen staan om te voorkomen dat de laatste verbinding tussen het oude en nieuwe Belgrado ook kapot gebombardeerd zou worden. Een huiveringwekkend verhaal.
 
Tijdens de wandeling naar-, door- en terug van het park - met het tennisveldje waarop Djokovic het leerde - en later op een terras in de Knez Mihailova praatte Zora me bij over de geschiedenis van de hele Balkanregio, van pak hem beet 1213, toen het Servisch-orthodoxe geloof werd erkend als religie tot en met Turkse overheersing en de oorlog van de jaren negentig en ik weet nu hoe het zit, al kan ik dat op deze plek niet uitleggen, de lengte van dit stuk loopt al de spuigaten uit.

Om even over zeven namen we afscheid, ging zij bij haar moeder eten en liep ik op de weg terug naar het hotel bij de supermarkt langs. Ik was vanochtend shampoo vergeten en ik kocht een nieuw zakje sport mix.

Bij het aanzetten van de computer een mailtje van journalist Milos Rangelov van Blic. Hij wil me interviewen. We hebben meteen een afspraak gemaakt voor morgen om 13.00 uur bij Hotel Moskva.

vrijdag 4 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (8) - Bosko en Vladimir

Ik liep, even voor twaalf, vlak achter twee van de vijf grootste voetballers ooit van Rode Ster Belgrado: Bosko Djurovski en Vladimir Petrovic. Zora en ik hadden een dik uur lang met beiden gesproken in een restaurant dat eerst Zodiac heet, maar nu anders en we waren op weg naar een feest in het stadion van Rode Ster Belgrado, dat eerst Marakana heette, naar het beroemde stadion in Rio, maar nu anders.

Zo gaan de dingen in Servië, had Zora al gewaarschuwd. Je kunt niks plannen en achteraf was dat goed ook. Nu konden we de dingen laten gebeuren die gingen gebeuren.

We hadden om half elf met Bosko Djurovski afgesproken om over Milko te praten en wat hij verder nog voor ons kon betekenen en het bleek een hartelijke man, een grootheid daar, dat kon je aan alles zien en hij belde met Jan en alleman om te vragen of zij ook met mij wilden praten. Terloops meldde hij dat Petrovic er ook zo aan kwam.

Eerlijk gezegd kende ik hem niet zo goed, maar de in 1955 geboren voetballer was aanvoerder en rechtsmidden in de tijd dat Milko bij Rode Ster debuteerde. Petrovic maakte sinds 1972 deel uit van de hoofdmacht.

Ik wilde het interview langzaam opbouwen, maar de oude crack, zo bleek al heel snel, stond eigenlijk te popelen om los te gaan over Milko en meer precies over het feit dat hij in 1986 nooit de overstap van Rode Ster naar Partizan had moeten maken. Daarin is Petrovic overigens niet de enige. Het schijnt dat zelfs nu nog, dertig jaar na dato, hij nog steeds wordt uitgescholden daarom.

Volgens Petrovic had de statuur van Milko nog veel groter kunnen zijn, als hij nooit die switch had gemaakt. Ook Milko was voorbestemd om een van de vijf grootste voetballers van Rode Ster te worden.

De toenmalige aanvoerder noemde Cruijff als voorbeeld. Die had immers ook altijd bij Ajax had gespeeld en was daarom een grootheid gebleven. Ik kwam er niet aan toe om te zeggen dat onze beste voetballer ooit ook de overstap naar een aartsrivaal, Feyenoord, maakte en dat daar ook veel over te doen was. Ik kwam aan veel vragen en opmerkingen niet toe. Zoals gewoonlijk is een gesprek met Serviërs een wirwar van verhalen, opmerkingen, terzijdes, anekdotes, analyses en grappen. Zora had amper tijd om te vertalen.

Djurovski en Petrovic zeiden dat we mee moesten gaan naar het feest van Rode Ster Belgrado, dat om twaalf uur begon. Een jaarlijks festijn waarbij alle vroegere (en zelfs overleden) en hedendaagse sporters in het zonnetje worden gezet. Dat zijn overigens niet alleen voetballers, want Rode Ster is een omnivereniging, met onder meer afdelingen basketball, handbal en waterpolo.

Bij het uitstappen zette ik even de enorme Mercedes van Bosko op de foto. Voor mijn zoons.


Daarna waren we getuige van het zingen van de hymne van Rode Ster, veertig jaar geleden speciaal voor de club gecomponeerd en dat kunnen weinig Europese topclubs nazeggen, maar Bosko waakte er voor om aan iedereen te melden dat ik een boek over Milko aan het schrijven was. Ik was vermoedelijk ter plekke doodgeslagen. In ieder geval zou ik een gebroken neus hebben gehad.

Bosko regelde wel dat Zora en ik een speldje van Rode Ster kregen. Nu zijn we ook officieel fan.

Het zou een feest worden met veel speeches, maar daar had Bosko geen zin aan. Hij knikte van ‘kom mee’en nam ons mee naar het museum in het immense stadion. Dat ziet er in westerse ogen wat vervallen uit, maar het voetbal druipt er zoals dat heet van de muren.

Onderweg wierpen we nog even een blik op het veld en schudde Bosko de hand van een jongeling die ik niet herkende, maar die Marko Grujic bleek te zijn. Een negentienjarige jongeling die volgend jaar bij Liverpool speelt. Ik ging meteen met hem op de foto. Kan ik thuis ook eens wat laten zien.
 
In de Hall of Fame in het museum, dat dicht bleek, hingen portretten van spelers die 500 of meer, 400 of meer, 300 of meer en 200 of meer voor Rode Ster hadden gespeeld.

Bosko en ik gingen vlakbij zijn portret op de foto, in het groepje van 400 of meer of 500 meer, daar wil ik vanaf wezen. Hij wees ons ook op het feit dat er geen portret van Milko hing.

Apart, zouden we in Groningen zeggen.

Tijdens die foto bedacht ik me dat ik ook met Petrovic op de foto had gemoeten. Nu ja, misschien is er nog een gelegenheid.

Daarna vond Bosko het tijd voor de lunch en nam ons mee naar zo’n adresje waar je als toerist nooit komt. A: omdat je niet weet waar het ligt en B: omdat er geen hipsters zitten. Maar het bleek een van de beste restaurants in de stad, waar ze zo’n beetje alles zelf maken; van brood tot slivovitsj. Er staat zelfs een oude waterput binnen. Ze zijn bezig die bron opnieuw aan te boren. Zoiets.

Een salade van sla met tomaten, boterzacht lamsvlees, zacht gekookte aardappelen, tussendoor een soort van deegkoekje van maïsmeel en daar moest dan van gekarnde room gemaakte boter op (tenminste, als ik dat goed omschrijf) en baklava na en een appel die van binnen gevuld was met walnoten en daarop roomachtig ijs. Onderwijl dronken we de nodige slivovitsj, terwijl Bosko na verloop overging op witte wijn en zat ik tegen even over tweeën mudjevol. Het vervolginterview met Bosko hebben we maar uitgesteld.

Wellicht spreken we hem zondag uitgebreid. Ook zijn er nu principeafspraken voor maandag met zangeres Ana Bekuta (met wie Milko een paar nummers op nam, want ja beste mensen, hij zit ook in de showbizz), met Bejkovic, zijn trainer destijds bij Partizan, die dus ook op de bank zat bij de wedstrijden tegen Groningen en Dusan Savic, de spits van Rode Ster in de jaren dat Milko er als linksbuiten speelde. Djurovski was ook voorbestemd hem op te volgen, maar zijn overgang naar Partizan voorkwam dat.

De oudste broer Djurovski bevond zich in het restaurant overigens in het hol van de leeuw, want de vrouw des huizes en haar man bleken Partizan-fan en bijna alle andere gasten. Wat de maaltijd weer eens bevestigde is dat we in Nederland eigenlijk maar een krampachtig land zijn. In een land als Servië is de lunch een feest, met lekker eten en de nodige spiritualiën. Ik durf nauwelijks iets te drinken om twaalf uur omdat daar maar praatjes van komen, maar op zeker moment kwam er een man naast mij zitten, een vriend van de eigenaar, die al zes whisky’s op had.

Bosko deed tijdens de lunch een ontroerende ontboezeming. Hij zei en dat moest ik maar in het boek zetten: het lied I did it my way van Frank Sinatra, was volledig van toepassing op zijn broer Milko. Die leefde niet in het verleden, niet in de toekomst, die leefde vandaag. Hij vond hem de beste broer, de beste vader en hij herhaalde wat hij eerder in Zodiac dat nu geen Zodiac meer heet bekende: in de tijd dat ze samen voetballen was hij af en toe heel boos op hem, omdat hij dan weer de bal had verloren en met de handen in de zij stond te kijken, maar nu, als trainer, zou hij graag een voetballer als Milko in zijn team willen hebben.

Al is Bosko op dit moment, ‘in between clubs’. Hij zou naar Servette Geneve, daar waar hij ooit ook speelde, maar omdat die in de derde divisie speelt mogen daar geen professionals werken. Daarvoor had hij met Stojkovic in Japan gewerkt. Misschien gaat hij terug naar het land van de Rijzende Zon.

O ja, en waarom kon Milko geen trainer van FC Groningen worden. Hij had alle papieren. Ik moest het antwoord schuldig blijven en beloven dat ik het zou vragen. Bij deze: Hans Nijland, waarom kan Milko geen trainer van FC Groningen worden?

Terwijl we zaten eten ging af en toe een vinger naar een passerende gast: kijk, dat is de beste maagchirurg van Belgrado, die man is ex-minister van energie en op zeker moment schoof er een journalist in ruste aan. Hij heeft nog wel een dagelijkse column in Bric, zij het geen heel lange en die gaat morgen over het feit dat een Nederlandse journalist een boek gaat schrijven over Milko Djurovski.

Ik heb nu al een probleem: ik weet niet hoe ik iedereen hier moet bedanken voor alle hulp. Ik krijg alles, betaal tot dusver alleen de taxi en overal gaan deuren open waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden.

Zora had me een fles Rakija meegegeven voor Miki en mij en even nadat de taxi mij weer naar het appartement bracht, voor 500 dinar (1 euro doet 123 dinar), beleefde ik een bijzonder moment. Ik wilde de man 600 geven, maar hij schudde van nee. Een taxichauffeur die een tip weigert, ook dat is Belgrado.

donderdag 3 maart 2016

Schrijfdagboek Milko's bio (7) - In Belgrado

Ik zit in een appartement in Belgrado. Ik weet niet in welke van de 17 stadsdelen, ergens. Er staan een hoop flatgebouwen in ieder geval. Er wonen naar schatting net zoveel mensen in al die flats dan in heel mijn dorp Slochteren.

De broer van Zora, de Servische die mij helpt bij het boek over Milko Djurovski, noemde onderweg van het vliegveld naar hier wel de naam van de dichtstbijzijnde wijk, maar tot dusver is de enige term die ik heb onthouden: pivo.

Ik hoef denk ik niet uit te leggen wat dat betekent.

Ik hoef ook niet uit te leggen wat ik in Belgrado doe. Dat is: Milko zien. Althans, dat was de bedoeling, want op de avond voor vertrek hoorde ik dat hij wellicht niet naar Belgrado komt. De precieze reden is me tot dusver onduidelijk, iets met werken, maar Bosko, zijn ruim een jaar oudere broer, die met hem in het jeugdinternaat van Rode Ster zat en jaren met hem in de hoofdmacht van Rode Ster Belgrado acteerde, is wel beschikbaar. Ook prima.

En misschien vertelt broertjelief wel meer over Milko dan Milko zelf zou doen.

Als ik de jongste Djurovski voor dinsdag niet zie, moet ik nog maar een tripje inplannen. Dan naar Slovenië, waar hij woont.

Los van Bosko hadden we al een principeafspraak met de hoofdredacteur van Novosti, dat schijnt een van de grootste kranten hier te zijn en is er een clubmuseum in het Marakana-stadion, de thuishaven van Rode Ster, dus het moet al heel gek lopen als ik hier niet wat informatie vandaan haal. Bovendien kan het geen kwaad sfeer te proeven in de stad waar de man in kwestie zoveel beleefde.

Het is twintig over zeven in de avond nu en de vermoeidheid slaat toe. De vlucht van Amsterdam naar Belgrado duurde iets meer dan twee uur en een kwartier, maar aangezien het vliegtuig om 10.20 uur opsteeg, moest ik redelijk vroeg op.

Het werd nog een heel gehannes om de vlucht te halen. Ik vertrok op tijd van huis, 06.20 uur - met de auto voor de verandering, anders had ik nog vroeger weg gemoeten en zo vroeg gaan er geeneens bussen -  maar ik zocht me het apelazerus naar een long parking plek. Via internet had ik er een gevonden, die bleek echter ergens onder de grond, naast iets wat leek op een gevangeniscomplex of psychiatrische inrichting, dus heb ik, staand voor een stoplicht, snel een ander opgezocht. Dat was ook weer niet naast de deur, dus meldde ik me, een kwartier voordat de incheckbalie dichtging, bij de incheckbalie.

Waarna ik, omdat de bagagecheck en paspoortcontrole ook niet in tien seconden waren gedaan, stevig de pas er in moest zetten om precies op tijd te kunnen boarden. Ik had seat 19F en volgens mij was dat bij het raam, maar daar zat al iemand. Ik had geen zin aan een discussie, dus ik dacht alleen: stik ook maar, ik hoop dat je neerstort, oh nee, toch niet.

We kregen zowaar eten aan boord. Vis, met gnocchi en spinazi, een salade vooraf en zowaar hadden ze Jack Daniel’s, mijn favoriete aperitief.

Waarna ik een beetje om me heen keek. Ik hou van vliegen en vind het prettig een beetje rond te koekeloeren en zo gaat de tijd snel.

Eenmaal geland, even over half een, moest ik wachten, aangezien Zora’s broer me om drie uur zou komen halen en die was er om half vier. Dat vond ik geen probleem. Ook in aankomst- en vertrekhallen van vliegvelden vermaak ik me opperbest en aangezien ze er pivo hadden, RTV Noord belde voor een telefonisch interview over mijn tripje, ging ook dat wachten best snel.

Het verkeer bleek, zoals het in een Oost-Europese metropool van 1,6 miljoen inwoners betaamt, dramatisch. Welke sluip- en kruipdoorroutes Kosta, zo heet de broer van Zora, ook probeerde, overal zat het muur en muurvast. Al kreeg ik meteen een goed beeld van het rijgedrag van de Serviërs en dat is van het soort: ieder voor zich en God voor ons allen en af en toe vreesde ik voor de lak van de mooie nieuwe auto van Kosta, als een medeweggebruiker akelig dichtbij kwam.

Bijkomend voordeel was wel dat ik al aardig wat heb gezien van Belgrado, dat in het Servisch overigens Beograd heet. Voetbal is misschien de populairste sport, aldus Kosta, maar de Serven zijn beter in basketball, handball en waterpolo. Althans, als ik het goed heb begrepen.

Kosta voetbalde niet. Al zat hij in 1989 wel in het stadion van Partizan Belgrado toen FC Groningen door die club werd uitgeschakeld in de Europa Cup, met een hoofdrol voor, inderdaad: Milko Djurovski, om waarom de groenwitten hem toen inlijfden.

De stad ligt precies op het punt waar de de rivier de Sava en de Danube één worden en Danube is Servisch voor Donau. Waarna nog allerlei toeristische informatie volgde die ik half ben vergeten, want we moesten er beide inkomen qua Engels en nadat hij mij afzette moest Kosta als een haas terug naar het vliegveld om Zora op te halen. Ik had nog voorgesteld: geef me het adres, dan neem ik een taxi, maar broer en zus hadden afgesproken dat dit praktischer was.

Zora belde overigens juist met verheugend nieuws. Milko komt misschien toch zondag of maandag en morgen om half twaalf hebben we reeds een afspraak met Bosko Djurovski. Hoe ik daar vanuit dit stadsdeel, waarvan ik de naam niet weet, moet komen, weet ik niet.

Maar dat moet ik nu leren, zegt Zora, dat dingen op zijn Servisch gaan en als ik het goed begrijp is dat een soort: we zien wel, maar op de een of andere manier komt het goed.

Ondertussen had ik ook nog mijn jongste zoon aan de lijn. Die logeert bij een neef en die belde doodleuk, op diens mobiele, naar mijn mobiele om de inlogcode van zijn Playstation op te vragen. Ik probeerde dat heel snel omdat zo’n telefoontje klauwen met geld kost en ondertussen probeerde ik hem ook uit te leggen dat zo’n telefoontje klauwen met geld kost, maar dat kon ik niet uitgebreid doen omdat dat ook weer klauwen met geld kostte.

We vergaten zowaar te vragen hoe het gaat, terwijl we gisteravond nog tegen elkaar uitspraken dat het niks aan was dat ik wegging. Dat is ook zo. Ik bedoel, ik vind reizen leuk, maar als ik weet dat er twee jongetjes (en een vrouw) thuiszitten die er niks aan vinden dat ik weg ben, dan vind ik het ook een beetje niks aan dat ik weg ben.

Maar ik heb gezegd dat het voor een goed doel is, want als dit een goed boek wordt dan word ik heel rijk en dan kunnen ze nog meer games en laptops en Playstations en zo kopen.

Zo even heb ik kennis gemaakt met de bewoner van het appartement. Die kwam net binnen. Dat is de broer van de vrouw van de broer van Zora. Ik dacht eerst dat hij er niet zou zijn, maar hij is er toch en dus zitten we vijf dagen op elkaars lip. Voor iemand als ik die nogal op zijn comfortzone is gesteld zal dat even wennen zijn, maar goed, als mijn gezin een offer moet brengen, dan ik ook.

Zijn voornaam heb ik niet verstaan, alle voornamen klinken hier alsof ze uitgesproken worden met een elastiek om de tong (zoals Groningers praten alsof ze bij elke lettergreep een stomp in de buik krijgen), maar als ik Miki zeg, is het oké.

Onmiddellijk nadat Kosta mij afzette had ik wat biertjes gekocht en gyros gegeten en toen ik de biertjes in de koelkast zette, zag ik daar een fles Jack Daniel’s staan. Goeie gast dus.

donderdag 13 augustus 2015

Schrijfdagboek Milko's bio (7) - Mangup Milko

Mangup is Servisch voor pummel. Dat is mij verteld door Zora. Zij komt uit Belgrado en zij helpt mij bij het schrijven van de biografie over Milko Djurovski. Dat boek verschijnt, naar ik hoop, volgend jaar.

Als je, zoals ik, bent opgegroeid in de Veenkoloniën, is pummel geen onbekend woord. Die zijn daar veel. Het zijn jongemannen, met een zekere houding. Een houding die te maken heeft met afkomst en die jongemannen worden door mensen van buiten de Veenkoloniën, bijvoorbeeld uit Haren, doorgaans aangeduid als boerenpummels.
 

Onbehouwen

 
Voor mensen die nooit een pummel van dichtbij hebben gezien en het fenomeen alleen van horen zeggen kennen; zijn doen en laten is te omschrijven als ‘onbehouwen’.

Een pummel is geen subtiel mens. Hij is een man die in woord en gebaar door het leven klautert en de dingen doet zoals hij vindt dat het moet en zich weinig gelegen laat aan de gevolgen voor ‘naasten’ of ‘geliefden’, termen die in het achterland even zelden worden gebruikt als ‘emotiemomentje’.

De pummel gaat in de regel gekleed in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs, niet omdat hij op de cd-speler in de tractor naar Swinder luistert, of in zuipketen de hipster uithangt, maar omdat Veenkolonialen al decennia houthakkersblouses, spijkerbroeken en Uggs dragen, domweg omdat het de meest praktische kleding is.
 

Kwajongen

 
Pummel in het Servisch heeft een andere betekenis. Kwajongen. En ik hoef denk ik niet uit te leggen dat het Servische pummel, zoals het opduikt in het boek ‘Braća Durovski’ (Broers Djurovski) uit 1986 van Mladen Gvero en Slobodan Reljic, een meer dan geschikte typering is voor Milko Djurovski.

Hij voetbalde van 1990 tot 1994 bij FC Groningen en wat is bijgebleven van die tijd en wat wordt bevestigd door het archiefonderzoek dat ik in de Euroborg verricht, in het kantoor van Bas Kammenga, is dat de Macedoniër die op 27-jarige leeftijd naar de Martinistad kwam, zich als kwajongen gedroeg.

In de Veenkoloniën leer je dat de wereld ingedeeld is middels een hiërarchische ladder en dat de Veenkoloniaal met één pink aan de half vergane onderste sport hangt. De kleine kans die wij - in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs geklede pummels - hebben op zicht op de een-na-onderste sport van de ladder was doen wat ons werd opgedragen. Door baas, leraar, ouders, trainer, agent.
 

Van niemand iets aan

 
Het fascinerende aan Djurovski was dat hij dat juist niet deed. Anders dan wij trok de Macedoniër zich van niets en niemand iets aan en negeerde adviezen van baas, trainer, agent en zelfs rijinstructeur. Vanwege een ingewikkelde geschiedenis, daarover alles in mijn boek, waardoor hij in Belgrado zijn rijbewijs kwijtraakte, moest hij in Nederland opnieuw rijexamen doen. Omdat Joegoslaven fietsers vooral als hinderlijk ervaren zag Djurovski het, tot schrik van de rijinstructeur, als geoorloofd om ‘kill, kill’ te roepen bij het zien van een mens op een tweewieler.

Milko Djurovski was Groningens enige echte vedette ooit, maar er is een verschil met het therapeutisch gedrag van grootheden van nu, zoals Balotelli, Tevez en Castaignos. Het doen en laten van de Macedoniër in de Martinistad was geen moment gespeeld. Zoals hij zich opstelde, zo was hij. Oorspronkelijk. Oprecht. Open. Goed, er gebeurde wel eens wat, maar daar zat geen kwade gedachte achter. Een sociaal mens. Eerder naïef dan berekenend. Een kwajongen.
 

Veel verhalen

 
Dat blijkt ook uit de verhalen die ik tegenkom. Veel verhalen. Er was nooit geen verhaal over hem. Al zijn de meeste een eigen leven gaan leiden. Toen hij begin 2014 naar Nederland kwam om eens kennis te maken en ik hem, aan de keukentafel bij Zora, vroeg naar het waarheidsgehalte van al die anekdotes – slapend onder de tribune, op moonboots op de training – schudde hij het hoofd.

Alcoholist? Hij dronk al twintig jaar niet meer. Gokken. Wie gokte er nooit? Die maillots? Het was soms koud hier. Bleven de spieren warm. Dat van die moonboots klopte ook niet. Had ik wel eens geprobeerd met die dingen te trainen?

Djurovski verbaasde zich zelfs over de titel ‘De Rookmagiër’. Die bijnaam had-ie gekregen van Volkskrant-journalist Paul Onkenhout. Waar sloeg dat op? Wij haalden onze schouders op, terwijl hij naar het balkon ging om een sigaretje te roken. De zoveelste die dag.
 

Bijvangst

 
Het ontzenuwen van al die halve waarheden is bijvangst, maar er is een tweede, belangrijker reden voor een boek over Milko Djurovski. Ik ben nieuwsgierig naar zijn leven voor 1990. Daar weten Groningers weinig van. Hoe was zijn jeugd, waar groeide hij op, wat beweegt hem, hoe groot was hij in Joegoslavië en vooral: waar komt dat onwaarschijnlijke talent vandaan. Want Milko Djurovski was vooral een geweldige voetballer.
 
‘Milko klasse apart’, kopte de Telegraaf op 18 november 1991 en in een paar zinnen kenschetst verslaggever Bert Dijkstra dat waar Djurovski voor stond: ,Gisteren maakte Milko duidelijk dat hij (met Romario in de ziekenboeg) de meest geniale voetballer op de vaderlandse velden is. Dat bleek vooral uit het gemak waarmee hij beslissingen kan forceren; een handjevol onnavolgbare voetbewegingen dat meer rendement opleverde dan negentig minuten onsamenhangend gedraaf van zijn ploeggenoten.’
 

Niet aan komen waaien

 
Dat talent is, anders dan zijn verschijning doet vermoeden, niet aan komen waaien. In Braća Durovski doen Gvero en Reljic uit de doeken hoe vader Cvetko zijn zoons vanaf het moment dat ze konden lopen aan een strak regime onderwierp. Omdat hij een doel had. Ze moesten en zouden het shirt van Rode Ster Belgrado dragen.

Het verhaal van hun jeugd sterkt mij in de visie dat, zelfs in de Veenkoloniën, succes in een keuze is. Training en training is het verhaal, met tussen de bedrijven door trainingen.

Dát deed Cvetko Durovski in het Macedonische Zilce, een dorp dat volgens Gvero en Reljic op geen enkele geografische kaart stond, maar wel twee Joegoslavische internationals voortbracht. De droom van vader Djurovski was groot. Zijn zoons niet alleen in het roodwit van Rode Ster, maar ook in het blauw van Joegoslavië, spelend voor 100.000 toeschouwers in het Braziliaanse Maracana-stadion.

Cvetko was zelf een getalenteerd voetballer die in de jaren vijftig, ook in Joegoslavië de jaren van de wederopbouw, indruk maakte als laatste man van Zilce. Hij was klein van postuur, maar heerste in het eigen strafschopgebied. Ging vol de duels aan en had altijd nummer 4. Dat mocht niemand anders dragen, ook niet als hij er zelf niet was.
 

Maniakaal

 
Vader Djurovski was fanatiek, om niet te zeggen maniakaal. De twaalf kilometer van zijn huis in Zilce naar de fabriek in Tetovo zag hij als training. Toen de man een fiets kreeg vertrok hij altijd iets te laat, zodat hij sneller moest rijden. Zijn talent werd ook opgemerkt en er kwamen aanbiedingen, maar toen puntje bij paaltje kwam wilde hij in het dorp blijven.

Cvetko en Stojna trouwden in 1960 en een jaar later, op 28 december 1961 werd eerste zoon Bosko geboren, op 26 januari 1963 gevolgd door Milko. De twee jongens vormden voor Cvetko een kans om zijn niet waargemaakte dromen alsnog te vervullen.

Hij begon ze te trainen. Cvetko in Braća Durovski: ,,Eerst met Bosko. Hij was nog klein, luisterde soms en soms niet. Maar dan kocht ik iets voor hem, chocola of bonbons, als beloning. Milko was niet zo gemakkelijk om te kopen.’’
 

Louis van Gaal avant la lettre

 
Als een Louis van Gaal avant la lettre legde pa Djurovski alles vast in tabellen en schema’s. Hoe laat ze moesten opstaan, wat ze moesten eten, hoeveel liter melk per dag. Ze dronken 200 eieren per jaar, fruit was verplicht en tussen één en drie uur ’s middags werd gerust. Van een goede slaap ging een mens immers groeien.
Ze kregen wel loon naar werken. Op een dag kwam Cvetko met een plastic bal aan, in de jaren zestig een bijzonderheid op het Joegoslavische platteland, en trainingspakken van Rode Ster. De tenue's waren veel te groot en met het strakke elastiek om de middelen leken de mannetjes op plofkippen. Iedereen lachte ze uit, maar de twee waren apetrots.

Wanneer Cvetko van huis was ging het trainen gewoon door. Dan nam Stojna de honneurs waar. Soms streek ze, zoals het moeders betaamt, over haar hart en vinkte iets aan, ondanks dat het niet was uitgevoerd. Het zal geen verrassing zijn dat dat bij Milko vaker het geval was.

Bosko herinnert zich: ,,We moesten workouts doen: met trekveer, springtouw. We begonnen al op zes-, zevenjarige leeftijd. ’s Ochtends eerst oefenen, daarna naar school, ’s middags slapen, weer naar school, huiswerk en daarna weer trainen. We leken wel profs.’’
 

Rondjes om het huis

 
De dorpelingen van Zilce stopten altijd even voor het huis van de familie Djurovski, als de jongens aan het trainen waren. Soms renden de knapen rondjes om het huis. Dan vroegen de mensen zich af wat die rare Cvetko toch wilde met die twee zwakke, onvolgroeide zoontjes van hem.

Nu en dan was er verbazing. Dan kwam Bosko alleen voorbij. Er zou toch niks met Milko zijn? Maar als ze achter de woning keken, lag hij in het gras. Uitrusten. Een rondje later sprong de jongste weer in, alsof hij de hele tijd mee had gedaan.

Zo serieus als Bosko was, zo ondeugend was broertjelief. Milko merkte dat hij de mensen amuseerde met zijn gedrag. Dat vond hij leuk. Hij merkte welke invloed hij had op publiek en het was ook in Zilce dat ze hem al die bijnaam gaven. Mangup.

vrijdag 27 maart 2015

Schrijfdagboek Milko's bio (6) - Braća Durovski

 
Al is het een feest om de krantenknipselmappen van de supportersvereniging van FC Groningen door te werken, wat ik eens per week doe op de burelen van de Euroborg, de informatie is min of meer bekend. En ook al kom je soms aardige dingen tegen, een cartoon, directeur Henk Nienhuis die even niet on speaking terms is met de selectie na wat pittige uitspraken en Paris Saint Germain dat heel ver wilde gaan om Milko Djurovski in te lijven, verrassend is het nauwelijks.

Een van de redenen waarom ik de biografie van Milko wilde schrijven is dat ik nieuwsgierig was naar zijn (voetbal)leven voor zijn aankomst in het Oosterpark. Het had wat voeten in de aarde om het in bezit te krijgen, maar een schat aan informatie staat in het boekje Braća Durovski van Mladen Gvero en Slobodan Reljic uit 1986. Braća betekent broers en in het ruim 120 pagina’s tellende werkje, gelardeerd met korrelige zwartwitfoto’s wordt de jeugd van Milko en zijn twee jaar oudere broer Bosko beschreven. Van de hele jonge jaren in Zilce tot en met het debuut in het eerste van Rode Ster Belgrado.

Servisch

 
Nu is mijn Servisch niet meer wat het geweest is, dus zit ik om de week op maandagavond bij Zora thuis. Zora komt uit Belgrado, is de vrouw van een collega. Zij leest voor uit het boekje, vertaalt dat in het Nederlands, ik tik dat op en tussendoor praat ze me bij over zeden en gebruiken in haar moederland. Dat zijn gezellige, zij het inspannende uurtjes, die we afsluiten met een biertje en wijntje en dan ga ik weer op huis aan.

Braća is zowel ontroerend als informatief. Tot dusver maakte ik uit artikelen op dat het talent van beide voetballers wat uit de lucht was komen vallen. De foto’s van Cvetko en Stojna, hun ouders, lieten boerenmensen zien, gehard door het leven op het platteland. Geen voetbalmensen.

Uit het boek van Gvero en Reljic blijkt echter dat vaderlief een behoorlijke stempel op hun jeugd drukte. Zijn eigen profcarrière kwam niet van de grond en dus droomde hij dat zijn zoons ooit voor 100.000 toeschouwers zouden spelen in het Maracanã en dus drilde – een ander woord heb ik er niet voor – hij zijn zoons. Vergelijk het met hoe Joop van Basten alles opzij zette voor de carrière van Marco.

Rode Ster

 
Cvetko wilde zijn zoons in het shirt van Rode Ster krijgen. Dat is gelukt, maar het ging niet vanzelf. Ze moesten al vrij jong oefeningen te doen. Als beloning kregen Bosko en Milko chocolaatjes, bonbons. Als vaderlief er niet was hield moeder Stojna een oogje in het zeil. Alles werd genoteerd. Hoe laat opstaan, wat te eten en daaronder hoorden bijvoorbeeld 200 eieren per jaar. Ze kregen een liter melk per dag en fruit was verplicht, evenals het middagdutje. Spelen na schooltijd was er nauwelijks bij. Orde en regelmaat. Trainen.

Zoals het moeders betaamt was Stojna niet altijd zo streng en vinkte ze wel eens iets af terwijl het niet uitgevoerd was. Dat gebeurde, het zal geen verrassing zijn, iets vaker bij Milko dan bij Bosko.

Pa Djurovski maakte gewichten van blikjes en beton en één oefening was al springend proberen een tak van een boom te raken. Slaagden ze daarin dan ging Cvetko ’s avonds de tuin in om de tak een beetje bij te knippen, zodat ze er de volgende dag net niet bij konden. Als het inderdaad niet lukte zei vader quasiboos: ‘Jullie willen niet.’

Paplepel

 
Het werd hun met de paplepel ingegoten, maar voetballen was ook alles wat de jongens wilden. Ze gingen graag met de koeien van opa Nicolaj naar de weilanden omdat ze wisten dat daar veel andere kinderen waren waarmee ze konden spelen.

Het resultaat was er naar. Al toen Bosko vijf was, zagen de mensen in het dorp dat het een grote zou worden. Milko volgde. Op school mochten ze nooit bij elkaar in het team. Dan waren de anderen kansloos.

De droom van Cvetko kwam uit toen in 1976 een telegram uit Belgrado kwam dat Bosko op proef mocht komen bij Rode Ster. Een jaar later volgde Milko. Ze slaagden beide zoals bekend, al hebben de jongens als ‘boertjes van buuten in de grote stad’ moeilijke momenten gekend. Cvetko ook trouwens. Geen vader blijft onberoerd als hij zijn twaalfjarige zoon op de trein zet voor een treinreis van achthonderd kilometer van Macedonië naar Belgrado, waar de jongen zich maar moet redden. Een moment dat beiden zich altijd herinneren.
‘Wees niet bang, speel vrij’, drukte Cvetko zijn zoon bij het afscheid nog wel op het hart.

maandag 24 november 2014

Schrijfdagboek Milko’s bio (5) – Kill, kill



Mijn vader vroeg, toen ik bij de Groninger Gezinsbode werkte, elke week of ik nog bij FC Groningen was geweest. Hij dacht dat we zeven dagen per week met de hele redactie op het stadion zaten. Dat was niet zo.

Ik kwam er nooit. Ik schreef over cultuur, maar dat kwam niet bij hem binnen. Hij kon zich niet voorstellen dat daar droog brood mee te verdienen was. Daarbij: wat moest je ermee? Voetbal, daar draaide alles om.

Ik kan mijn vader geruststellen nu. Met een beetje geluk zit ik vanaf elke week in de Euroborg. Na de archieven van de NDC te hebben doorgespit ben ik nu toe aan wat er op de burelen van FC Groningen aanwezig is. Dat is veel. Heel veel. Ook over Milko Djurovski.

Milko Djurovski in Groningen was een geschenk voor alle journalisten die over voetbal schreven. Alleen al in het NDC-archief kreeg ik op zijn naam 644 hits. Dat is veel voor een periode van vier jaar. 644 gedeeld door vier keer 52 weken is drie keer per week in de krant. In aanmerking genomen dat er de helft van het jaar niet gevoetbald wordt, kwam hij dus zes keer per week in de krant. Dat waren niet de opstellingen.

De thematiek is overigens beperkt. Hij was geblesseerd, hij stond weer met de handen in de zij, hij scoorde weergaloos, hij wilde een transfer.

De communis opinio was even eensluidend: kan fantastisch voetballen, laat het te weinig zien, leeft er maar op los.

Groningen had gewaarschuwd moeten zijn. Het oudste artikel dat ik kon vinden, van 13 mei 1986, heeft als kop: ‘Joegoslaven wegens cafébezoek geschorst.’

Het zal geen verrassing zijn dat een van die Joegoslaven Milko Djurovski heette. Met doelman Ranko Stojic stortte hij zich op de avond voor een vriendschappelijke wedstrijd van Joegoslavie tegen toen nog West-Duitsland in het nachtleven van Bochum.

Mijn eerste gedachte was: Nachtleven in Bochum?

De bondscoach was not amused. De heren werden voor onbepaalde tijd geschorst.

Wij hebben nu goede herinneringen aan hem, maar het ging in de eerste maanden helemaal niet goed met Milko in Groningen.

De Macedoniër, toen nog Joegoslaaf, scoorde pas op 21 oktober 1990 tegen SVV (2-2) zijn eerste goal. Het wedstrijdverslag in het Nieuwsblad van het Noorden van een dag later vertelt het hele verhaal.

‘Milko Djurovski had een groot aandeel in de Groninger produktie. De Joegoslaaf, die tot dusver slechter speelde dan FC Groningen terwijl hij als individualist werd geacht beter te spelen dan zijn ploeg, leek aanvankelijk af te rekenen met zijn ondermaatse start in het in het Oosterpark. Hij zond eerst Ten Caat op maat in de diepte, waarna de kilometervreter beheerst afrondde: 1-1. En vervolgens scoorde hij zijn eerste treffer in Nederland, wat hem betreft het begin van een doorbraak naar de hogere regionen van de nationale topscorerslijst.

(…) Djurovski was uitgelaten en ook bij het publiek kwamen alle hoge verwachtingen weer los, getuige de staande ovatie. In de loop van de tweede helft zakte hij echter terug naar de anonimiteit, net als heel FC Groningen.

Zijn optredens leidden soms tot poëtische observaties. Zoals van Joost Galema in zijn verslag van Fortuna-FC Groningen in De Krant op Zondag: ‘De Joegoslavische dribbelaar Milko Djurovski sjokte over het gras als een mismoedige kolenmijnwerker, die afgepeigerd uit de nachtdienst komt.’

Hoewel het met de FC uitstekend gaat, moet algemeen manager Henk Nienhuis zich nadrukkelijk met de Macedoniër bemoeien om hem aan de club en de club aan hem te laten wennen. Ook Jan van Dijk en Jos Roossien investeren in hem.

Met resultaat.

De doorbraak komt op het trainingskamp in Marbella die winter. Het Nieuwsblad van het Noorden constateert op 12 januari 1991, vanuit Spanje: ‘Zelfs Milko Djurovski staat niet langer ter discussie, de Joegoslavische vedette is met al zijn nukken een geaccepteerd verschijnsel. (…) Iedereen beseft het: dat eigenzinnige karakter van hem veranderen is zoiets als de tandpasta proberen terug te duwen in de tube.

Journalist Bouke Nielsen ziet ook dat hij het wel kan. Als hij geprikkeld wordt: ‘…wanneer hij op de training ook maar even wordt getart, dan laat hij onmiddellijk zijn klasse blijken. Tijdens een oefeningenserie, waarbij met twee keer raken afgewerkt moet worden, scoort Djurovski na drie keer raken. Doelman Lodewijks reageert heftig: ,,Telt niet, drie keer geraakt.’’

De volgende bal jaagt de geprikkelde Joegoslaaf in een keer het kruis in en Lodewijks kan slechts machteloos toekijken.

Een andere observatie van Nielsen: ‘Djurovski staat intussen midden in de groep en toont permanent zijn gulle hart. Al staan er dertig man om hem heen in de lounge, hij bestelt voor iedereen wat te drinken. En waag het niet zijn aanbod af te wijzen. Algemeen directeur Henk Nienhuis is de goedgeefsheid een doorn in het oog, want hij is bang dat de Joegoslaaf op die wijze alleen maar profiteurs om zich heen verzamelt ,,En daarom moet je hem ook tegen zichzelf in bescherming nemen.’’’

Daarna gaat het goed, zij het niet constant. Thuis tegen SC Heerenveen (3-0) registreerde verslaggever Harrie Hesseling dat er zoveel kansen worden gemist dat het bijna hilarisch wordt: ‘De vaak onpeilbare Milko Djurovski spande hierbij de kroon. Zijn serie missers van uitzonderlijk kaliber zorgden, bij gebrek aan spanning, zelfs voor het meeste vertier op de tribunes. Toch kreeg de Joegoslaaf de bal warempel nog een keer achter doelman Swager, die eerder door Veenhof en Huizingh was gepasseerd.’

FC Groningen doet nadrukkelijk mee dat seizoen en tart de hegemonie van Ajax en PSV. Al houdt iedereen een slag om de arm. Milko Djurovski is de enige die hardop roept voor de titel te gaan. Hij was met Rode Ster Belgrado en Partizan Belgrado niet anders gewend.

Een cruciale wedstrijd is die tegen Amsterdam, in De Meer. Groningen heeft Ajax op de knieën, drukt alleen niet door. Dáár lieten de groen/witten het liggen en hoewel in mijn herinneringen Milko in die partij een half elftal vrij voor keeper Stanley Menzo zet, krijgt hij slechts een 6. Het hele elftal komt trouwens niet boven de 7 uit.

Bouke Nielsen, de verslaggever van dienst verklaarde dat later met: ,,Als je een vedette bent moet je in zo’n wedstrijd het verschil maken. Hij maakte het niet gewoon af.’’

De berichten over Milko gingen niet alleen over voetballen. Zelfs zijn rijlessen haalden de krant. Hij had een rijbewijs, maar verspeelde dat omdat hij na militaire dienst vergat het te laten verlengen. Zijn idee was dat hij het papiertje sneller hier kon halen dan via de Joegoslavische papiermolen,

Volgens Henk Nienhuis verliepen de rijlessen op bijzondere wijze: ,,Zo schijnen in Joegoslavie paarden in het verkeer zowat vogelvrij te zijn. Dus reed Milko in zijn eerste les bijna een politie te paard van de sokken. Zijn lessen verlopen nogal chaotisch, hij is vrij wild achter het stuur. Zijn rij-instructeur heeft er moeite mee om Milko enige verkeersdiscipline bij te brengen.’’

Hij slaagde overigens in een keer voor het praktische gedeelte (over de theorie deed hij twee keer), maar rijschoolhouder Herman Schomaker fronste menigmaal zijn wenkbrauwen: In Joegoslavië was hij geen fietsers gewend en tijdens de eerste lessen riep hij, elke keer als een rijwiel zijn pad kruiste: ,Kill, kill.’

Terwijl ik in de archieven zit is Zora, de tolk bij dit boek, in Belgrado. Ze gaat er de eerste contacten leggen en zal een boek meenemen. Een boek over de broers Djurovski, over hun jonge jaren, over hoe ze als kind van onder moeders rokken naar het internaat van Rode Ster Belgrado gingen. Dat gaat ze vertalen en dat zal een belangrijke basis worden voor mijn boek. De tijd van Milko in Groningen is goed gedocumenteerd, maar wat daaraan voorafging, daar ben ik erg nieuwsgierig naar.

O ja, alles in de Euroborg ademt voetbal en overal zie je de kleur groen. Zelfs op de sandwiches.

vrijdag 29 augustus 2014

Schrijfdagboek Milko's bio (4) - Hoe zit dat met die boetes?


Trainer tevreden, trainer ontevreden, publiek lyrisch, publiek is er klaar mee, visumproblemen, zes wedstrijden schorsing na het spuwen van scheidsrechter Luyten en een mij tot dusver onbekende groep financiers, genaamd Finspel (bestaat dat nog?), opgericht om de komst van Djurovski naar FC Groningen mogelijk te maken. In de archieven zijn de berichten over de Macedonische aanvaller op zijn zachtst gezegd wisselend. Bijzonder leuk om te lezen, dat wel.

Twee quotes in het Nieuwsblad van het Noorden van 22 maart 1993 illustreren de gemengde gevoelens die Djurovski (inmiddels bij SC Cambuur) bleef oproepen:

‘Aanvallend was het droevig gesteld. Het wordt bovendien tijd dat Milko Djurovski gaat bewijzen dat hij niet uitsluitend naar Leeuwarden is gekomen om zijn (geld)zakken te vullen.’

Verslaggever Gerrit Kloosterman in zijn verslag van Vitesse-Cambuur in de Leeuwarder Courant.


,Ik vind het eigenlijk een ramp dat Djurovski hier niet meer speelt.’

Wim Everards, voorzitter van de Raad van Commissarissen van FC Groningen in Voetbal International.

 

Romario trainde harder dan Milko


Het aardige is ook dat van Hans Westerhof werd gezegd dat hij voor PSV werd gevraagd omdat hij zo goed met een moeilijk karakter als Milko Djurovski kon opschieten. Maar wat zegt de trainer op zeker moment in het Nieuwsblad?

,,Waar dat verhaal vandaan komt weet ik niet. Maar ik heb met Milko veel meer problemen gehad dan nu met Romario. Een vedette wordt alleen maar geaccepteerd als hij presteert. En ik kan je verzekeren dat Romario veel harder traint dan Djurovski, hoewel dat op zich ook weer niet zoveel zegt…’

Interessant ook de eerste interland van Macedonië tegen België, in Brussel, op 16 november 1994. Een historische dag met een lange en bloedige voorgeschiedenis. NvhN-verslaggever Jaap Kiers zag supporters en spelers door het dolle heen na de 1-1. Milko had een groot aandeel in de goal, staat in het verslag, al benadrukt Kiers, nu DvhN-collega in Assen, dat de Belgische keeper Michel Preudhomme een nóg groter aandeel had…

De leukste speler van FC Groningen

 
Oftewel, ik ben weer aan de slag met de biografie van de leukste speler die ooit bij FC Groningen voetbalde. Het kostte even tijd om na de vakantie op gang te komen, maar er is weer iets dat je een schrijfritme zou kunnen noemen. Dat behelst vooralsnog het spitten in archieven. Ik wil graag beginnen mensen te interviewen, maar je moet wel weten wat je vragen moet. De contacten zijn al wel gelegd. Hans Westerhof heeft via de mail aangegeven mee te willen werken. Of had ik dat al gezegd?

Ook Henk Nienhuis, die volgens een foto boven zijn bank een van de beste vrienden van Milko was, vindt het leuk, zij het dat het interview via de mail plaatsvindt. En ik heb de biografie van elftalleider Theo Huizinga gekocht, geschreven door Emiel Venema van RTV Noord/FC Groningen TV. Daar staat vast ook van alles in…

Een bende skinheads

 
Het meest opvallende bericht is dat in het Dagblad van het Noorden van 31 oktober 2007. Over een bende skinheads die in de Kroatische hoofdstad Zagreb in een bioscoop bezoekers in elkaar sloegen. Op de rol stond de première van ‘een film over de Joegoslavische profvoetballer Milko Djurovski die in de jaren tachtig speelde voor de Servische clubs Partizan en Rode Ster en daarna bij FC Groningen enkele seizoenen opzien baarde als grillige vedette’.

Ongeveer dertig skinheads sloegen met metalen knuppels en kettingen in op interieur en bezoekers. Meer dan twintig mensen raakten gewond. Vijf van hen liepen schedelbreuken op. Djurovski was er niet bij. Die had zoiets al verwacht. De politie vermoedde een verband tussen de aanval en het onderwerp van de film. In 1991 vochten etnische Serviërs in Kroatië met steun van het Servische leger een bittere oorlog tegen de Kroaten naar aanleiding van de onafhankelijksverklaring van Kroatië.

Hij kende twee snelheden: stilstaan en plankgas

 
Een andere eigenschap die naast het roken een deel van Djurovski’s imago vormde was zijn rijgedrag. Hij kende maar twee snelheden: stilstaan en plankgas. Als de auto stilstond, was dat op ongebruikelijke plekken als de Grote Markt en de Poelestraat, voor café en casino (zo vaak dat de politie op zeker moment maar stopte met bekeuren). En als hij reed was dat harder dan toegestaan.

De kantonrechter in Meppel keek dan ook, meldde het Nieuwsblad op 25 mei 1994, ‘verlangend uit naar een ontmoeting met de bekende ex-vedette van FC Groningen, Milko Djurovski. De Macedoniër had begin vorig jaar te snel geren op de A28. Waar hij maximaal 120 mocht, was hij met zijn bolide met 162 kilometer per uur langs de radar geflitst.’

Gedagvaard

 
Djurovski was gedagvaard omdat hij het transactiebedrag van 340 gulden niet had voldaan. Maar al wie er kwam, geen Milko. Het bericht besloot met de opmerking dat mocht Milko ooit weer terugkeren naar de Martinistad hij eerst een boete van 405 gulden (zeg 180 euro), diende te betalen.

Wat de vraag oproept: heeft hij dat al gedaan?

Hij was in 2002 terug voor een wedstrijdje op de open dag van de FC, maar nergens is iets te lezen over het voldoen van die achterstallige betaling en ook in januari dit jaar toen hij hier was voor de wedstrijd tegen Feijenoord, kwam het niet ter sprake. Die rekening staat dus nog open. Toch?

woensdag 14 mei 2014

Schrijfdagboek Milko’s bio (3) - Letterlijk geraakt door Djurovski

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik een tijdje niet aan Milko Djurovski heb gedacht. Nou ja, gedacht wel, niet aan toegekomen. Een aantal ontwikkelingen, waaronder een vakantie in Denemarken en een nieuwe baan (regioverslaggever Dagblad van het Noorden, in Noord- en Midden-Drenthe), maakt dat ik mijn weekritme moet hervinden en het werk aan de biografie van de Macedoniër even stil is komen te liggen.

Ik ben een man van rust, reinheid en regelmaat en eerst moet er regelmaat zijn, pas dan ontstaat de rust om aan de reinheid te denken. Wat niet gezegd wil zijn dat ik er in tijden van chaos stinkend bijloop, maar voor een project als dit moet je een paar uurtjes per week ongestoord aan de slag kunnen. Het ritme in de dagen begint weer te komen en vandaag, woensdag 14 mei, een vrije dag, pak ik de draad weer op.

Fluitjepoeptralala

 
Dat wat ik in dit stadium doe is vooral archieven doorpluizen, boeken lezen en op internet speuren. Filmpjes kijken en achter losse dingetjes aan. Het liefst zou ik mensen interviewen over hun ervaringen met onze held, maar je ontkomt er niet aan eerst informatie te vergaren, een globale lijn van gebeurtenissen en feiten, dan weet je waar je naar moet vragen. Anders worden dat fluitjepoeptralala-gesprekken.

Dus lees ik nu De Europese Droom – Met FC Groningen de grens over, een vorig jaar verschenen publicatie van de supportersvereniging van de groen/witten, over alle 54 Europacupwedstrijden. Milko kreeg het boek cadeau, toen hij begin dit jaar in Groningen was. Een secundaire bron, omdat het weer put uit andere, primaire, bronnen, maar een aardig naslagwerk. Met mooie foto’s en anekdote’s en zo.
 

Een onmogelijke goal

 
Het is hoe dan ook informatief en relevant. Het is immers aan twee wedstrijden in dat Europees avontuur, tegen Partizan Belgrado, te danken dat Milko Djurovski naar de Martinistad kwam. In de thuiswedstrijd op 18 oktober 1989 (4-3), live op tv te zien bij de NOS, een bijzonderheid in die dagen, scoorde hij twee keer en in de return in Joegoslavië (3-1), een keer. Een van die treffers, ik meen in de thuiswedstrijd, maar dat zoeken we op, was een fantastische goal, vanaf rechts, waarbij hij zowat op de achterlijn een verdediger passeerde. Een onmogelijke goal. Journalist Bouke Nielsen van het Nieuwsblad van het Noorden (nu Dagblad van het Noorden) herinnert zich de treffer vrij goed: ,,Claus Boekweg deed eigenlijk helemaal niks verkeerd en toch ging ie er in.’’

Groningen lag eruit, maar in augustus van het jaar erop had Milko Djurovski een groen/wit shirt aan en droeg er mede aan bij dat het seizoen 1990/1991 het beste jaar uit de clubhistorie werd. Al zijn de duels in Europees verband van hem op de vingers van een hand te tellen. Thuis (0-1) en uit (1-0) tegen Rot-Weiß Erfurt in 1991 en uit (1-0) en thuis (1-1) tegen Vác FC – Samsung in 1992. Daarna wordt het een tijd stil en gaat FC Groningen pas in 1995 weer de grens over en dan in Intertoto-verband.
 

Hij kon wel wat

 
Het leuke aan onderzoek als dit is dat je af en toe een video moet bekijken en ook al weet ik dat Djurovski niet altijd schitterde (en dan druk ik me voorzichtig uit), van beelden van hem als voetballer word ik vrolijk. Het is vaker gezegd, maar hij kon wel wat.

Een opvallend detail in de opstelling van Partizan Belgrado in beide wedstrijden tegen de FC. De namen van de basiself eindigen allemaal op ic, behalve van één: Omerovic, Spasic, Kljajevic, Vujacic, Stanojkovic, Milorad Bajovic, Milojevic, Djurdevic, Bogdanovic, Djurovski, Scepovic. In de tweede wedstrijd maakten Vujacic en Djurdjevic in de basis plaats voor Jeftic en Bajevic en dan was er naast Kolb op de reservebank ook nog plaats voor Miodrag Bajovic.

Net of je een boek van Asterix & Obelix leest. Je kunt er verder niks mee, want het is hetzelfde idee als dat alle namen in Friesland op –ma, -stra en –ga eindigen, zoals Willem Frederik Hermans eens constateerde, maar ik vind zulke dingen grappig.

Een anekdote die ik van meerdere kanten heb gehoord (en die iedereen zal kennen, maar hij blijft leuk) en die ook in het boek over 40 jaar FC Groningen staat handelt over wat zich voor de return in Belgrado afspeelde. Trainer Hans Westerhof: “Toen wij het veld op gingen voor de warming-up stond Milko nog bij de ingang van de spelerstunnel. In zijn gewone kleding. Rokend. Ik dacht nog: die doet vandaag niet mee. Dat scheelt een slok op een borrel. Maar nee. Hij had nog tijd genoeg, zei Milko: ‘Tot zo.’”

Milko Djurovski was, linksom of rechtsom, een publieksspeler en in De Europese Droom staat een verhaal over hoe hij een supporter al in de wedstrijd FC Groningen – Partizan Belgrado raakte. Letterlijk.
 

Geraakt door Milko Djurovski

 
Jan Koert Schipper (1965) bezoekt de thuiswedstrijd tegen Partizan en wordt geraakt door een afzwaaier van Milko Djurovski. ,,Normaal stond ik altijd op de lange zijde, maar bij deze wedstrijd stond ik voor een keertje achter het doel. Dat heb ik geweten. Op een gegeven moment haalde Djurovski van afstand hard uit, maar de bal suisde over het doel de tribune op. Iedereen dook weg om de bal niet tegen zijn hoofd te krijgen, ik ook, maar de bal ketste via een reclamebord terug op de tribune. Keihard op mijn achterhoofd! Ik stond toevallig in de baan van de rebound. Dat kwam wel aan, ik was even groggy. En grote hilariteit om mijn heen natuurlijk, begrijpelijk.’’

vrijdag 4 april 2014

Schrijfdagboek Milko’s bio: ijs is voor whisky (2)

Zeggen dat je een biografie over Milko Djurovski gaat schrijven is één ding, daadwerkelijk aan de slag gaan is een ander verhaal. Ik heb wat artikeltjes uit ons eigen krantenarchief gekopiëerd, maar nog niet veel. Er moet, zoals zo vaak als ik aan een klus als dit begin, ritme komen. Dat duurt even.

Maar vandaag, vrijdag 4 april 2014, is de eerste echte schrijfdag. Mijn baas zat er niet echt op te wachten, maar ik heb een dag in de week onbetaald verlof gekregen. FC Hopeloos, dat op 5 juni wordt gepresenteerd is het elfde boek dat ik heb geschreven en dat is bijna allemaal in de avonduren gedaan. Dat is een aanslag op je vrije tijd. Ik hoef niet perse televisie te kijken, maar soms wil je eens een avondje niks doen. Met alle andere schrijfdingen komt dat er nauwelijks van en alles begint zo door elkaar heen te lopen.

Dat is trouwens ook vandaag zo, want ik heb om half negen eerst een interview voor de HS-krant. Daarna begint het echt, met om tien uur een afspraak met Bouke Nielsen, journalist van het Dagblad van het Noorden. In de tijd dat Djurovski in Groningen voetbalde, zat hij op de sportredactie van het Nieuwsblad van het Noorden en hield zich vooral bezig met FC Groningen. Leuk gesprek, al hebben we het een redelijk deel ook over het wel en wee van ons bedrijf.

Al die artikelen van Bouke moet ik nog lezen, maar het kan geen kwaad om een sportjournalist te spreken om een en ander te duiden. Veel van wat hij en zijn collega’s weten is natuurlijk niet in de krant gekomen.

Henk Hagenauw was twee weken geleden de eerste die ik interviewde. Hij is sinds jaar en dag masseur/ verzorger bij de FC. Dat gesprek was op aanraden van Hans Nijland. Uitgever Anton Scheepstra (Uitgeverij Passage), vertaalster Zora Duvnjak en ik waren begin dit jaar bij hem wezen koffie drinken. Om te vragen hoe de club tegenover dit boek stond en ‘of we iets voor elkaar konden betekenen’. Dat konden we. Van de FC alle medewerking. In de publiciteit en in de fanshop en Nijland zei dat ik in ieder geval Hagenauw moest spreken. Die weet veel. Henk weet ook veel. Alleen vertelt Henk niet alles. Logisch, want Henk heeft als verzorger zijn beroepsgeheim.

Hij is behulpzaam, maar het gevoel dat ie het achterste van zijn tong niet laat zien blijft hangen. Dat kan ik me voorstellen. Ik ben een onbekende. Geen ingewijde, dus dan ga je niet meteen alles aan de grote klok hangen.

Bouke is openhartiger. Kan ook vrijer praten. Had evenals Henk en bijna iedereen een goede relatie met Djurovski. Wat hem niet belette kritisch te blijven. In de beroemde wedstrijd tegen Ajax, waarin FC Groningen en Milko volgens de overlevering weergaloos speelden, beoordeelde Nielsen hem met een 5,9: ‘Hij kreeg 3 of 4 kansen om het af te maken. In zo’n wedstrijd moet je er staan. Maar hij liet het liggen. Tja.’

Daar was Henk Nienhuis, toenmalig directeur, weer erg verbolgen over, maar Milko deed nooit moeilijk. Ook niet als er veel kritische verhalen over hem in de krant stonden.

‘Je moet me een keer een 1 geven’, had Milko eens tegen Bouke gezegd. Dan zou hij dat opsturen naar Joegoslavië. Daar is een één het beste.

Hagenouw en Nielsen bevestigen dat het zo’n aardige kerel is. Met een groot hart, een warm mens. Eerlijk, geen verborgen agenda. Ging volstrekt zijn eigen gang, wat een ander daarvan ook vond. Was wel lui. Heel lui. Geen trainingsbeest. Op de vraag aan Hagenauw of Milko veel geblesseerd was volgde het veelbetekende antwoord dat het meeviel omdat hij erg zuinig op zijn lichaam was.

‘Hij was regelmatig geblesseerd’, herinnert Nielsen zich, ‘dan was er natuurlijk weer wat anders aan de hand.’

Dat ‘wat anders’, dat kon van alles zijn. Als je de anekdotes mag geloven was dat ook echt alles. Het stappen, het gokken, de vrouwen en nog veel wildere verhalen. Over een ontvoering, dat ie gechanteerd werd en dat ie goud zou hebben gesmokkeld.

Of die verhalen kloppen, dat is dus de vraag. Want, aldus Nielsen, ‘Milko is geen crimineel. Dat zijn andere types. Heel erg op de centen. Milko niet. Hij geeft met gulle hand.’

Van meerdere kanten hoor ik het verhaal over het trainingskamp op Marbella, over dat een deel van de selectie in het restaurant wilde afrekenen, maar dat dat niet meer hoefde, omdat Djurovski dat al had gedaan.

Met Zora heb ik vorige week een film gekeken over Milko. Documentaire. Sloveense ondertiteling. Servisch gesproken. Aparte productie, met beelden uit ‘An Officer and a Gentleman’ en veel stierenvechtfragmenten. Ook Dragan Dzajic, een levende legende, komt aan het woord. Ik veer op. Op het einde een soort onthulling van Milko. Over zijn overgang van Rode Ster Belgrado naar Partizan Belgrado.

Dat deed hij voor de kick, is het verhaal. Want Milko wil graag in de belangstelling staan. Dat deed hij voor het geld, is een andere lezing. Zoals in het boek ’40 jaar FC Groningen’ staat. 250.000 gulden zou hij bij Partizan krijgen. Milko wilde eindelijk eens wat verdienen, want hij had inmiddels twee kinderen. Er blijkt echter nog een ander aspect. Dat er iets gebeurd is bij Rode Ster (het was niet helemaal goed verstaanbaar), waarna vooral Djurovski de emmer met bagger over zich heen kreeg en hij daarop concludeerde: nou, als jullie me niet meer moeten ga ik toch weg? En hoe laat je zien dat je er ook klaar mee bent? Door over te stappen naar de grootste vijand? Daarna – en dat weet Nielsen weer – veranderde alles voor hem in Joegoslavië.

Uit wat ik inmiddels weet is dat veel anekdotes rond Djurovski niet kloppen. Dat van die moonboots is al ontzenuwd. Ook het verhaal dat ie onder de tribune sliep. Heb ik nooit gezien, zei Hagenauw. Zegt me niks, zei Nielsen. Wel had ie een weddenschap met toenmalig directeur Henk Nienhuis. Die wilde hem van het roken afhelpen. Elke sigaret kostte Milko 100 gulden. Hij bleef ze opsteken, voor de ogen van Nienhuis.

Een andere die klopt: Als Milko in zijn eerste dagen op de training een schop krijgt en geblesseerd raakt wil Hagenauw er ijs op doen. Niks ervan, zegt Milko, ijs is voor in de whisky.

Het aardige aan een figuur als Milko Djurovski is dat iedereen zijn verhaal bij de man heeft. De een heeft zijn zoon naar hem vernoemd, een ander heeft hem als tiener geïnterviewd, tijdens zijn overstap naar Cambuur, toen hij niet met de pers wilde praten. Alleen met die ene jongen. Daar ga ik volgende week heen.

Ook ikzelf raak meer en meer in de ban van Milko. Als ik goed kijk is hij overal. Zelfs onze grijze container draagt zijn naam.

Een echt goede schrijfdag is het overigens vandaag niet. Ik had de interviews met Hagenauw en Nielsen willen uittikken, maar een groot deel van de tijd gaat op aan dit schrijfdagboek. En om drie uur moet ik alweer stoppen. Kinderen van school halen en dan naar mijn ouders. Mijn moeder is jarig.