Posts tonen met het label Onder de Watertoren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onder de Watertoren. Alle posts tonen

vrijdag 9 mei 2014

De eerste vraag is altijd: heb je de zegeltjes mee?


Een van de eerste vragen als ik thuiskom van boodschappen doen is: heb je de zegeltjes mee? Daarna volgt een discussie.

Zij vindt dat je moet pakken wat je wordt aangeboden, aangezien er handdoeken, broodroosters of gezinsuitjes achter vandaan komen, maar ik vind dat ik een mens van de 21ste eeuw ben en die houdt zich niet meer bezig met zegeltjes.

Ik ben 48 en op een leeftijd aangekomen dat ik keuzes ga maken. Of beter: heb gemaakt. Als Jan Kooi van Elpee Groningen twittert dat hij het bijna niet kan geloven dat The A-Bones in Vera optreden, dan wil ik weten: Wie zijn The A-Bones? Waarom ken ik die band niet? Wanneer Martin belt met een uitnodiging voor Kid Congo Powers en een vriend twittert dat ie naar Bombino gaat, dan baal ik dat ik geen tijd heb. Het boekje met journalistieke verhalen van Joseph Roth verslind ik en als ik die uit heb stort ik me op de biografie van David Foster Wallace. Dáár ben ik mee bezig en niet met zegeltjes.

Maar wij zijn een volk dat hardnekkig in het systeem blijft geloven. Waarschijnlijk als enige. Mijn vrouw en ik hebben af en toe een reis gemaakt en nergens, zowel in China en Laos niet, net zomin als in Costa Rica en Kenia en Tanzania, zag ik iemand een spaarkaart inleveren.

De achterliggende gedachte is, althans dat wil de supermarkt je doen geloven, is dat je iets gratis krijgt. Je spaart en zij sparen met je mee en dat is dan een soort win-win situatie. Wat het natuurlijk niet is, want dat zegeltjesgedoe zit gewoon in de prijs van de producten verwerkt. Als je korting wil geven, doe het dan zo, zonder dat de klant er iets voor hoeft te doen, want het is me een werk.

In plaats van de koffiepakken zo in de vuilnisbakken te gooien, moet ik die punten uitknippen. Omdat ik dat meestal vergeet, volgt ook dan een discussie.

Mensen: het is 2014. We brengen meteorieten in een baan om de maan brengen en chirurgen dotteren je via twee gaatjes. Alsof je een motorrevisie uitvoert via de uitlaat. Dan moeten we toch ook iets anders kunnen verzinnen voor die zegeltjes?

En als het bij zegels bleef. We krijgen de een na de andere spaaractie voor de kiezen. Op de kinderkamers staan potten met smurfen, gogo’s, voetbalgogo’s en muziekgogo’s en die potten gebruiken we als boekensteunen voor de rijen spaaralbums met Superdieren, Dungans en 1000 dingen die je nog niet weet en je ouders ook niet.

Die acties leidden bij ons in het dorp zelfs tot het ontstaan van een soortement gogomaffia. Op de parkeerplaats bij de C1000 werd je door tienjarige jongetjes opgewacht die je de merchandize bijna uit de handen trokken en ook mijn zoons hadden het liefst voor de winkel gekampeerd.

Terwijl er nu geen mens is die er nog naar omkijkt. Op de rommelmarkt willen mensen ze gratis nog niet hebben. Tot je die handel in de vuilnisemmer mietert. Dan ineens staat er een jongetje naast je: ‘Pappa! Wat doe je?!’

Mijn vrouw vindt dit echter quasi-intellectueel gezever en zij is daarin niet de enige. Ik stond bij de kassa toen een dorpsgenoot de caissiere aansprak op het feit dat ze de vorige keer geen zegeltjes had gekregen.

‘Houveul hadden ie den?’

‘Veur fiefteg euro.’

In de ons-kent-ons-wereld op het platteland geloof je zo’n vrouw onmiddellijk. Wij kennen elkaar en wij vertrouwen elkaar. Ik dacht wel: denk er dan wat beter om, maar ook ik twijfelde geen moment of het was haar de vorige keer daadwerkelijk doorgeschoten. Het is voorjaar en voor iedereen die tussen de landerijen woont is het een tijd van jakkeren en jagen. Als je dan bij het afrekenen wordt aangesproken door iemand die vraagt of je naar de bingo gaat, dan kom je thuis en denk je: fuck, mijn zegeltjes.

Zonder met de ogen te knipperen tikte cd caissiere vijf zegels af.

Het grappige is: het zijn er dan ook precies vijf. Niet van: hier heb je er zes, een voor de schrik, of: what the hell, hier heb je er tien, waar hebben we het over, nee, vijf. Maar misschien is dat wel de mentaliteit. In het noorden is al zo weinig, dus dan is elke zegel er een.

maandag 21 april 2014

Kijk niet naar mij, ik ben de Bus Stop Boxer

Mijn agenda lag helemaal uit elkaar. De papiertjes, stickers en andere rotzooi die tot dan met een elastiek aan de binnenkant van de omslag bijeengehouden werden, lagen op de grond rond de tafeltennistafel. De kaft, waar ik een silhouet van Rob Rensenbrink op had geplakt (na een hele avond knutselen), lag geknikt in een hoek.

Het huilen stond me nader dan het lachen. Ik werd ontzettend boos en duwde mijn vriendje, de veroorzaker van de puinhoop, tegen de muur en gooide mijn broodtrommel naar zijn hoofd en zijn agenda en tas op de grond. Hij lachte wat, niet echt onder de indruk. Het gebeurde in de middagpauze. Ik stond tegenover een man of drie. Ik heb me zelden meer alleen gevoeld. Toen moest ik nog een halve dag.

Ik heb geen jeugd achter de rug waarbij ik voortdurend gepest werd. Maar toen ik op maandagmorgen Mark Oliver Everett, beter bekend als zanger E. van Eels, hoorde zingen dat ie een ‘Bus Stop Boxer’ was, stond ik weer in de kantine van de mavo, met een gevoel alsof er een halve hunebed vanaf mijn keel naar mijn buik werd geduwd. Het lied gaat over totaal iets anders, maar ik stelde me voor dat E., ik weet niet of ie zich toen al zo noemde, elke dag bij het bushokje zich al knokkend van zijn belagers moest ontdoen.

In ‘Novocaine for the soul’, zingt E.: Life is hard. So am I.

Dat snap ik heel goed.

Zo zit ik zelf eigenlijk niet in elkaar, maar de uitbarsting betekende een scheur in de vriendschap. Ik nam inenen afstand van de jongens met wie ik sinds de lagere school was opgetrokken. Diezelfde middag, bij biologie, vroeg ik aan de leerkracht of ik in een ander werkgroepje mocht. We waren bezig met een soort collage van kikkers of zo. Wat ik wilde was bij die vriendjes weg. Het was klaar. Op de vraag van de leraar waarom, mompelde ik dat het onderwerp me niet meer interesseerde. De echte reden, daar zweeg ik over. Dat hoefde de onderwijzer niet te weten. Hij was anders ook maar matig geïnteresseerd.

Mijn vriendjes, die mij bij de tennistafel geplaagd hadden, waren het voorval echter alweer vergeten, want die wenkten me. Wat is er nou? Doe normaal. Kom nou gewoon bij ons.

Nee.

De dagen erop ging ik met lood in de schoenen naar school. Er was iets gebeurd. Het hunebed zat er nog steeds, maar nu in stukjes. Die verplaatsten zich door mijn hele lichaam. Een stuk steen zat ook in mijn hoofd.

De bodem was onder mijn voeten weggeslagen. Ik had me losgemaakt van de jongens naar wie ik tot dan toe had opgekeken, maar dat betekende nog niet dat ik me goed voelde. Ik stond er ineens alleen voor.

‘When I wake up in the morning, I’m too tired, tired of being alone’

Wat Everett waarschijnlijk wilde was zich klein maken. Ik ben er niet. Let niet op mij. Oh, alsjeblieft, doe alsof ik er niet ben.

Help.

Het lied maakte meer los. Ik kan terugkijken op een gelukkige jeugd, maar net als E. had ik een bushalte. Of beter een bus. Mijn bushalte was veilig. Daar zette mijn moeder mij en mijn zusje op de bus. Ze bleef staan wachten tot we ingestapt waren. Aan het einde van de middag stond ze er weer.

In de bus waren we aangeschoten wild. Want er reisden andere kinderen mee en die waren gereformeerd. Wij waren katholiek en in de ogen van gereformeerden zijn katholieken een minderwaardig ras. Schooiers die op vuilnisbelten rondsnuffelen, op zoek naar iets eetbaars. De achternaam van die kinderen ken ik, bijna veertig jaar na dato, nog steeds. Ik weet nog waar ze woonden.

Wat meespeelde om mij los te maken van mijn vriendjes van de lagere school was dat ze een scheldwoord voor mij hadden. Dat had te maken met de naam van onze hond, die ‘Monky’ heette. Dat heb ik heel lang over me heen laten komen. Als ik op een eerder moment een paar beuken had uitgedeeld, was dat waarschijnlijk snel gestopt, maar zo was ik niet. Ik liet het begaan. Tot het genoeg was. Daarvoor dacht ik alleen: ‘I’m the bus stop boxer. Don’t look at me.’

vrijdag 7 maart 2014

Wie scoort op goal

Mijn jongste zoon staat voor mij met een bal. Hij zegt: ‘Wie scoort op goal.’

Ik zit aan een tafel, om precies te zijn: meerdere tafels en daaromheen zitten meerdere mensen. Mannen, vrouwen, kinderen, zelfs wat hondjes (al zitten die op de grond) en we hebben borreltjes voor ons staan en worstjes en olijfjes en chips en het zonnetje schijnt dan wel niet, maar het is aangenaam vertoeven op de camping en ik zucht. Maar ik zeg ‘ok.’

Wij lopen naar een rustig plekje op het veld. Daar liggen twee bakstenen. Hij begint op keep, schopt de bal naar mij toe en ik schiet terug. Goal. Reyer zegt: ‘Ik blijf op goal. Op goal vind ik leuk.’

‘Is goed’, zeg ik, want ik vind keepen niet leuk.

We gaan verder. Ik schiet. Niet te hard, want hij is pas zes, maar ook niet te zacht, want hij is volgens hem al zes en wil dat ik ‘op mijn best doe’. Dat doe ik. Over en weer gaat het. Aannemen, schieten, stoppen, uithalen. Van mij naar hem, van hem naar mij. Soms neem ik hem in een keer op de slof, meestal niet. Want de bal is zacht. Er zit te weinig lucht in. Half lek, zeg maar, al weet ik niet of ik dat goed omschrijf. Er ontstaat een ritme. Schieten, stoppen, pass terug, stoppen, schieten, pass terug, stoppen, schieten, pass terug. Een kwartier gaat voorbij, een half uur. Af en toe scoor ik.

‘Moet ik op goal’, vraag ik.

‘Nee.’

Schieten, lopen, stoppen, controleren, binnenkant, buitenkant, soms even opwippen, het zijn bewegingen die ik honderden, duizenden, tienduizenden keren heb gedaan. Alleen, met een muurtje, met twee man, met drie man, vier man, honderd man. Alles wat je nodig hebt is een bal. De rest gaat vanzelf. Een doel is soms niet eens nodig. Overpassen kan ook. Achter mekaar door. De simpelste vorm van voetbal. Het verveelt nooit. Jij en ik en de bal. Wie scoort op goal.

Schieten is het mooiste wat er is. Vind ik. Aanleggen, uithalen. Als mijn oudste zoon meedoet wil hij altijd balafpak. Dat doe ik dan wel, maar liever ga ik schieten. De bal schoppen. Met links, met rechts, binnenkant, buitenkant, uit de lucht, over de grond. Dat kan ik eigenlijk niet meer. Al een jaar of vijf, zes, zeven. Diagnose: een ingescheurde kruisband. Niet verantwoord. Over en uit, zei de specialist. Hij lachte er niet bij. Opereren was geen optie. Te oud. Dat bed kunnen we beter gebruiken. Leer er mee leven.

Moet kunnen, dacht ik. Geen probleem. Er is meer in het bestaan. Boeken, reizen, de tuin, gitaarspelen.

Reyer was vier toen hij op voetbal wilde. Dat mocht. We hebben niet gewacht tot ie zijn zwemdiploma had. Is goed. Jij op voetbal.

De oudste kreeg er buikpijn van. Ook tennis kon hem niet bekoren. Hockey wel. Dat vindt hij leuk. Een andere wereld. Wel een leuke wereld. Ik zie hem dingen doen en ik denk: wat goed. Maar dat denken alle ouders. Hij is een technisch vaardige aanvaller. Dromerig, dat wel. Ik moet denken aan wat iemand in VI ooit over een spits zei: ‘hij scoorde zo gemakkelijk dat ik dacht: waarom doe je dat niet vier keer per wedstrijd? Zo hockeyt mijn oudste zoon.

De jongste is fanatieker. Verlegen nog, maar heel gedreven. Of nee, fanatiek is niet het woord. Een natuurlijke aanleg. Zijn voet schopt overal tegenaan. Ballen in de tuin, blikjes, ballonnen, steentjes, kussens. Dat vinden we niet altijd leuk. Soms moeten we streng zijn, maar ik denk: ja, jongen, doe maar, controleer de kussen.

Hij wil altijd voetballen. Wie scoort op goal. Het half uur wordt drie kwartier.

Raar, ik ben 47, ik sta op een veldje in Sellingen en ik doe iets waarvan ik dacht dat het bij een voorbij leven hoorde, dat leven uit die foto-albums. Ik betrap me erop dat ik het leuk vind. Waarom is dat, denk ik. Omdat het nooit verveelt. Omdat elke bal anders is. Elk schot een nieuwe uitdaging. We stoppen als hij moe is. Niet ik.

Ik smste de zaterdag erop naar mijn vrouw dat Hoogezand F7 – Veendam 1894 F7 een prachtige partij was. Ze smste terug: ‘Moet je zelf niet weer op voetballen?’

vrijdag 21 februari 2014

De hond onder de tafel

                          
Het was de hond van een collega. Een oud-collega. Uit de drukkerij. Dat is dus lang geleden. In die periode werden er nog veel kranten gelezen en dus gingen we in de drukkerij van twee naar drie ploegen, dus hadden ze personeel nodig en dat waren, net als ik toen, jonge mannen. Die woonden bijna allemaal nog thuis en dat waren Oost-Groningse huishoudens.

Uit de verhalen bleek dat de wereld achter Winschoten, zeg maar aan de andere kant van de A7, waar de meeste nieuwe collega’s vandaan kwamen, een andere wereld was dan de wereld in Stadskanaal, daar waar ik vandaan kom.

Waar dat aan lag of ligt, ik weet het niet, misschien aan de grondsoort, maar waar die nieuwe collega’s opgegroeid waren, daar golden andere normen. Ze waren, om een voorbeeld te noemen, wat ongepolijster in hun taalgebruik. Of in goed Gronings: roeger in de bek.

Ook in hun doen en laten waren ze anders. Harder. Naar elkaar, naar de directe omgeving, eigenlijk naar de rest van de mensheid.

Hier bin ik en wel bist doe den? Aan kaante.

Die ene collega, van die hond, naderde een stoplicht. Dat stond op groen, maar niet lang meer en hij dacht: oranje, dat haal ik en hij ging er vanuit dat de automobilist voor hem er net zo over dacht en dus gaf hij vol gas. Een tel later zat ie vast in de achterkant van de wagen voor hem, die, zoals het hoort, keurig was gestopt.

We zaten op een zaterdagochtend een broodje te eten in de bedieningsruimte. Het was vakantietijd en dus waren er uitzendkrachten die we lieten schoonmaken, want een nadeel van inkt is dat je voortdurend aan het poetsen bent en op zeker moment geloofden we dat wel. Die vakantiewerkers waren jonge jongens. Studenten, thuiswonend, nog niet droog achter de oren en het was aan een zo’n jonge vakantiewerker dat die collega vroeg: ‘hest doe dien aigen zoad wel ains pruift?’

Omdat de met stomheid geslagen jongeman niet in staat was tot een antwoord en wij met pijn in de buik op de grond lagen te lachen gaf hij zelf het antwoord: ‘t is wat zoltig.’

Zo vrolijk als ik van dat verhaal word, zo treurig word ik van hoe de hond van die collega aan zijn einde kwam.

Zoals alle honden lag het beest graag onder de keukentafel. Dichtbij het baasje, dichtbij de mensen, want rond de keukentafel was het, aan beide kanten van de A7, gezellig.

Er werd koffie gedronken, gegeten, soms kwam er een borrel op tafel en de dingen van de dag werden er besproken. Als er bezoek kwam, dan zette een ieder zich rond de keukentafel en ik stel me zo voor dat als de hond de koffie rook, of de vers gebakken cake, hij alvast een plekje zocht, onder die tafel. Ongetwijfeld in de hoop dat er iets naar beneden zou vallen, iets lekkers. Zo zijn honden.

In plaats daarvan kreeg hij iets anders.

Want als er iemand aan tafel ging zitten wilde hij of zij de voeten kwijt. Net waar die hond lag. Zoals gezegd gingen de dingen in die contreien anders en dus kreeg die hond een trap. Waarop het dier een eindje opzij schoof. Tot ook daar iemand zijn voeten kwijt wilde en die hond opnieuw een trap kreeg. En zo door, tot er geen plekje meer vrij was en de hond verslagen, maar gedwee in zijn mand in de schuur kroop.

Omdat een hond een hond is probeerde hij het de volgende dag weer. Als hij gezelligheid rook ging de viervoeter weer onder de tafel liggen en herhaalde het ritueel zich. Een trap, een sneer: weg rötjoekel. Stukje opzij. Weer een trap. Opsakkedaaien. Tot de hond weer afdroop. Zo ging het de dag erop en de volgende dagen, weken, maanden. Tot de hond er genoeg van kreeg en zijn tanden zette in de eerstvolgende voet die hem wilde trappen. Daarop concludeerden de ouders van die collega: ‘dai hond is vaals. Dai mout n spoitje.’

vrijdag 24 januari 2014

De kat en ik, wij begrijpen elkaar

De kat en ik, wij begrijpen elkaar. Als ik aan de keukentafel zit te schrijven, gaat hij bij mij zitten. Soms heel dicht op mijn hand, zodat ik de muis niet kan bewegen.

‘Wil jij muisje pakken?’

Dat zeg ik niet hardop, want dan kijkt mijn vrouw mij raar aan. Ik hoor een licht rommelen, soms vanuit de verte, soms van dichtbij. Wat onze kat wil, dat weet ik wel.

Hoewel ik mijn hand in bochten moet wringen om mijn werk te kunnen doen, vind ik het een grappig idee dat het dier mij opzoekt.

‘Wat zit jij hier gezellig’, zeg ik en het gerommel zwelt aan. Hij staat op, denkt ‘nu gaat het gebeuren’ en strijkt met zijn wang langs het beeldscherm.

‘Je moet nog even wachten.’

Daar heeft hij geen zin aan en nu duwt hij met kracht tegen mijn hoofd aan. Soms loopt ie gewoon over het toetsenbord en dan staan aeraerad …are dingen.

Onze kat heet Raï. Zijn naam spreek ik soms zo uit: RRRrrr…rrrRRRAÏE. Katten luisteren immers niet, maar herkennen geluiden, zoals die rollende R. Hij had dus net zo goed RRRRR kunnen heten. Maar ja, dat klinkt raar als er visite bij is.

Er is een band tussen de kat en mij. Dat komt, ik ben de enige die ervoor zorgt. Mijn vrouw wilde een huisdier, de kinderen vinden het best leuk zo’n beest, maar als we ‘s morgens wakker worden kan Raï het ri-ra-rambam krijgen. Er is niemand die op het idee komt om vreten op een schoteltje te doen. Zonder mij hadden we een skelet als huisdier.

‘Jij doet altijd zo alsof je het heel moeilijk hebt.’

Als we geluk hebben kunnen we zondags uitslapen. Een beetje. Want er is altijd wel een jongetje dat de dekens van je aftrekt, je vrouw die zegt dat ze het ‘zo gezellig’ vindt als je er ook afkomt en op een ochtend dacht ik dat Reyer met een nat washandje over mijn gezicht ging, maar dat bleek slagroom te zijn dat hij over mijn gezicht spoot. Dat hadden hij en zijn broer de dag ervoor gezien op America’s Funniest Home Videos.

Blijkbaar misten ze me nog niet, dus ik dacht: Pipo koeien, krijgen jullie nu het heen en weer. Waarom ik er tien minuten later toch afging was omdat ik een steeds harder krabben hoorde, bij de voordeur. Geen mens was op het idee gekomen om Raï binnen te laten.

‘Oeps’, zei mijn vrouw.

‘Dat weet ik toch niet’, zei Hunter.

‘Dat is toch jouw taak’, zei Reyer.

‘Fuck you all’, zei ik.

‘Fuck you terug’, klonk het in koor.

De kat is al lang bij ons. Ik zat in café ’t Pleintje toen mijn vrouw ze ophaalde bij haar zus. We kregen twee uit het nest. Van die hele familie is nog één over. Zijn zusje, Dao, is op het Slochterdiep doodgereden. De vervanger, Moshi, kwam eveneens onder een auto. Of tractor.

Dat Raï het zo lang volhoudt, al zo’n vijftien jaar, komt omdat het een verstandig beest is. Hij blijft zoveel mogelijk bij mensen uit de buurt. Op schoot liggen is er niet bij. Zodra hij kinderen spot is ie weg. Onze zoons moeten echt voorzichtig zijn willen ze hem kunnen naderen. Dat gebeurt soms.

Soms, als ik aan het koken ben, krijgt ie een stukje kip, of een stukje vlees.

Dat doe ik allemaal. Verder he-le-maal niemand.

Er is echter een ding dat ik niet voor elkaar krijg en dat is Raï in een reismandje stoppen voor een bezoek aan de dierenarts. Als ik er aan denk ruikt ie al wat ik van plan ben en is weg.

Die keer dat het wel lukte, krabde hij zo heftig, dat ik weer los moest laten. Hij rende meteen de buurt in. Ik vloekte zo hard dat mijn vrouw, die aan het bellen was, aan kwam rennen: ‘Wacht dan ook op mij.’

‘Je was aan het bellen.’

Ik stond in de douche, toen ze, nog geen tien minuten later, met een triomfantelijke grijns haar trofee toonde: kat in de reismand. Terwijl zij met hem heenging, deed ik mijn T-shirt uit. Kattenzeik. Net als op mijn broek. Ik keek in de spiegel: er liep een enorme kras van mijn hals tot aan mijn navel.

Kutkat.

(deze column stond op 6 maart 2013 in de Kanaalstreek en Ter Apeler Courant)