Posts tonen met het label Actueel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Actueel. Alle posts tonen

zaterdag 3 juni 2017

SMK - Ik verzeker mijn Gronings accent

De borsten van Dolly Parton, de stembanden van Bruce Springsteen en de lul van David Lee Roth hebben één ding gemeen. Er staat een prijs op, voor als er iets mee gebeurt.

Het verzekeren van lichaamsdelen is trendy, stond deze week in de Volkskrant. Hoewel het eigenlijk een dingetje is voor celebrity’s, is er zelfs een Nederlander die het doet. Wijnconnaisseur Ilja Gort. Hij verzekerde zijn neus voor een bedrag van 7,8 miljoen dollar.

Toen ik dat las dacht ik: goed plan. Ik ga mijn Gronings accent verzekeren. In het geval dat ik mijn moedertaal niet meer beheers, wil ik voldoende compensatie om elders een nieuw bestaan op te bouwen.

Kakkemeroatsie


Dat is geen actie uit ijdelheid. In tegenstelling tot de Friese taal geldt het Gronings nog steeds als dialect en is nergens beschermd. Terwijl het van levensbelang is.
Zonder een correcte uitspraak van woorden als ‘kakkemeroatsie’ , ‘bongelwuppen’ en ‘klaboesterbeere’ kan ik in de supermarkt in mijn dorp nog geen halfje wit kopen.

In het land van koolzaad en aardgas, voorheen strokarton en suikerbiet, waar de huizen instorten, de discotheken het snelste verdwijnen, Henk Bleker weer een nieuw plan heeft en de boeren steeds minder voort ploegen, is taal het enige dat nog bindt.

Zonder het vermogen te knauwen, onbegrijpelijke woorden te bezigen en zinnen half in te slikken staat het voortbestaan van de Groninger als soort zelfs op het spel.

Pot bier


Als een jongen in een café aan een meisje vraagt: ‘Pot bier hebben?’, is er goede kans dat het meisje antwoordt met: ‘Joa, lekker.’ En als de jongen zorgt dat ze ‘joa, lekker’ blijft zeggen, komen er op zeker moment kinderen. Nieuwe Groningers.

Met een in correct ABN uitgesproken openingszin als ‘Kom je hier vaker?’ ben je bij ons kansloos. Iedereen komt elkaar altijd en overal tegen.

Hetzelfde bij het begroeten. Zeg ‘Hé doe’ en de aangesprokene weet onmiddellijk: goed volk, we levelen. Kom niet aan met: ‘Goede man, mag ik u iets vragen?’ Dan trekt de Groninger zijn klomp al uit en het is slecht communiceren met iemand met een hardhouten klomp in de rechterhand.

Sioux


Daarbij heeft het Gronings een enorm internationaal bereik. Dat bleek donderdag toen Sioux-indianen een bezoek brachten aan Kolham.

Dat is de plek waar in 1959 het aardgas werd ontdekt.

De Sioux strijden in Amerika tegen de aanleg van een oliepijpleiding dwars door hun Standing Rock-reservaat. Ze kwamen langs om ons in de strijd tegen de gevolgen van de gaswinning een hart onder de riem te steken.

Wat bleek bij de picknick? Indianen en Groningers verstaan elkaar.

Op de vraag ‘HAU TOKEL IYAYE IYE’, oftewel ‘Hallo, hoe gaat het?’, luidde het antwoord: ‘De griesel gait mie over de graauwe.’ De Sioux begreep onmiddellijk dat het niet heel goed ging.

Kop der veur


Op het advies van de Amerikaanse natives, ENAON SNI SIKCIYA, ENAON KIZE, wat zoveel betekent als: Blijf niet humeurig, blijf strijden, zei een Groninger boven de salade met aardappels en bietjes: ‘Kop der veur.’ De indiaan knikte.

Ze verstonden elkaar zelfs zo goed dat toen een van de Sioux op een struise Groningse wees en zei WASTE WIYA, wat staat voor knappe vrouw, zei haar echtgenoot: ‘Hest snel lös.’ Oftewel: ‘Je gulp staat open.’

Waarmee we terug zijn bij de lul van David Lee Roth en de neus van Ilja Gort. Die verzekert het orgaan overigens niet uit angst voor boze Nederlanders, als ze zijn wijn proeven, maar omdat zijn chateau draait op de kwaliteit van het reukvermogen.

Keith Richards


In het rijtje van de neus van Gort, het borsthaar van Tom Jones, de middelvinger van Keith Richards en de tong van Gene Simmons, past daarom het verzekeren van het Gronings dialect.


Het is: beschermen wat kostbaar is. Daarin gaan we overigens ver. De irritatie na de jongste aardbeving is zo groot dat iedere minister die naar Groningen komt er goed aan doet zijn gebit te verzekeren.

Deze column werd uitgesproken op zaterdag 3 juni 2017 tijdens een uitzending van Spijkers met Koppen in Café Florin, Utrecht

zaterdag 29 april 2017

SMK - Nederland badeendjeland

Omdat de grutto, onze nationale vogel, op uitsterven staat en we wel wat klaar zijn met tulpen, molens en klompen, is de tijd rijp voor een nieuw symbool voor het Koninkrijk Nederland: het badeendje.

Dat inzicht dank ik aan een LinkedIn-contact.

Zij, laten we haar Eva noemen, plaatste een berichtje over een programma over Nederland en het bloemencorso in het bijzonder en daarin kwam het badeendje voorbij. Op een praalwagen. Samen met een DAF en andere Hollandse producten.

Eva had er nooit bij stilgestaan dat het badeendje een typisch Nederlands exportproduct was. Ze was er blij om. Wij staan doorgaans op de foto bij molens, klompen en tulpen, maar dan zien wij er volgens Eva niet altijd slim uit. Terwijl het badeendje daarentegen een hartstikke slim product is.

Dat heeft Eva goed gezien.

Genderneutraal


Het wezen van het badeendje verbeeldt onze poldermentaliteit. De derde weg tussen links en rechts, verzuiling en versplintering, milieu en economie, verzet en gedogen, humor en ernst. Het badeendje is genderneutraal, politiek neutraal en godsdienstneutraal. Geel is het nieuwe rood-wit-blauw. Vlag op het schip dat van de oude naar de nieuwe tijd vaart.

Want meer dan vlag is het badeendje een gids. Een hybride verschijning dat vooral niet is wat het lijkt.

Op het eerste gezicht een alleraardigst speelgoedje voor in de badkuip dat een piepje geeft als er in geknepen wordt. Eerst waren ze van rubber, nu van vinyl. Ernie van Sesamstraat heeft er een.

Maar het badeendje is ook: spiegel van yin en yang. In een wereld waarin een omkering van feiten de nieuwe waarheid vormt, staat het plastic ding voor duurzaam en klimaat- en energieneutraal.

Dat blijkt onder meer uit een verhaal op Wikipedia. 

Stille Oceaan



Een zeecontainer met 29.000 badeendjes sloeg in 1992 overboord, op de Stille Oceaan. Ze werden teruggevonden in de Beringstraat en vroren daar vast in het Noordpoolijs. In 2000 werden exemplaren gezien voor IJsland, een jaar later op de plek waar de Titanic zonk, in 2003 spoelden ze aan op de hele Amerikaanse oostkust. De laatsten belandden in 2007 in Cornwall. Het plastic, anomalie in een organische wereld gaf, juist door het onvermogen te vergaan, waardevolle informatie over golfstromen.

Kunstenaar


De Nederlandse kunstenaar Florentijn Hofman maakte reeds naam met het badeendje. Hij exposeert sinds 2007 enorme exemplaren in de havens van de wereld. Maar de wereld ligt op de loer.

De Braziliaanse oppositie gebruikte in 2016 een exemplaar dat enorm op die van hem leek bij een actie tegen president Dilma Rousseff.
Russische jongeren gingen 26 maart dit jaar de straat op om te protesteren tegen de corrupte elite. Ze droegen gympen en waren gewapend met badeendjes.
Zelfs Donald Trump zit op het vinkentouw. Neem een foto en profile van de Amerikaanse president en kijk naar zijn kapsel: model badeend.
Als dat nog niet gebeurd is, doet Nederland er goed aan het gele stuk speelgoed zo snel mogelijk vast te leggen als nationaal symbool.

Het Badeendje Akkoord


Ook omdat commissies van VVD, CDA, D66 en GroenLinks deze week met een voorstel kwamen om economie en samenleving duurzaam en klimaatneutraal te maken. Informateur Edith Schippers krijgt van PvdA en ChristenUnie eveneens oproepen eens serieus werk te maken van het klimaatbeleid. Met een beetje geluk kan het coalitieakkoord de geschiedenis in als Het Badeendje Akkoord.

Nederland is er aan toe. In Kampen stond deze week een ‘patatje gezond’ op het menu en ook Máxima is om. Onze koningin, dochter van een Argentijnse politicus die alles dat eindigde op ‘iste’ uit een helikopter gooide, noemde zichzelf ‘feministe’. Daarmee liet ze zien: ik denk als een badeendje.

De column werd uitgesproken op zaterdag 29 april tijdens Spijkers met Koppen, café Florin, Utrecht.

vrijdag 7 april 2017

SMK - O, ironie

De Drentse boerenrockband Mooi Wark lag onder vuur vanwege de titel van de jubileumtoer die vandaag van start gaat: ‘Niet veur mietjes’. Wie de band een beetje kent snapt de grap.
De term ‘mietjes’ leidde echter tot ergernis bij homoseksuelen, aldus een Drents statenlid. Hij vroeg de band iets aan de titel te doen. Dat deed de band niet. In de krant legde de manager uit dat Mooi Wark geen kwaad in de zin had met ‘mietje’. Ze gebruikten het in de betekenis van ‘slappeling’.

Gaarkeuken


Schrijver Christiaan Weijts schreef november vorig jaar in de NRC een stuk over dat ‘ironie steeds minder wordt herkend’. Een citaat daaruit: ‘In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’
Hij nam als voorbeeld een ingezonden brief in het Dagblad van het Noorden. Dat ging over de ontgroeningen van studentenverenigingen in het algemeen en die van het Groningse Vindicat in het bijzonder.
De opsteller meende dat de zware mishandelingen en vernederingen een functie hadden. Het hielp de karakters te vormen van de toekomstige CEO’s, ministers en staatssecretarissen. Goed punt, want met wat we onze bestuurders en topmannen ook voor de rechter slepen, ze geven geen kik. De brief besloot met ‘Af en toe een dode of gewonde is jammer, maar maakt ook duidelijk dat het menens is.’

Woedende reacties


Het leidde tot woedende reacties. Weijts concludeerde dat weinigen op het idee kwamen dat die zin wellicht ironisch bedoeld was. Nu ken ik toevallig de briefschrijver en ik twijfel aan het ironisch gehalte, maar Weijts had een punt.
Ironie is, zoals Wikipedia leert, een stijlfiguur waarbij wat gezegd of getoond wordt afwijkt van wat bedoeld wordt. En, dat is mijn toevoeging, met een vette knipoog.

Knipoog


Edoch: de knipoog is uit de wereld. Werd in vroeger dagen de soep nooit zo heet gegeten als hij werd opgediend, vandaag de dag krijg je de hete soep meteen terug in je gezicht gesmeten en de aardappelen, spruitjes en gehaktballen er direct achteraan.
Zoals minister Dijsselbloem ondervond. Want zelfs wij Groningers weten dat inwoners van Zuid-Europese landen hun geld niet net als wij uitgeven aan drank en vrouwen.

Paashaas


Zoals de Hema ondervond bij de nieuwe paasreclame. Het bedrijf introduceerde de ‘wereldberoemde’ familie Paashaas, met stuiterbal Richie, nette zusje Inez, elegante en lieve moeder Juliëtte en vader Charles, de baas in huis.
Op social media was het meteen weer bal. Wie zegt dat de paashaas hetero is, luidde de vraag. Dat Juliëtte werd neergezet als ‘haas waar alle mannetjes gek op zijn’ was zelfs ronduit seksistisch.
Toegegeven, de Hema kan als het CDA onder de winkelketens worden gezien en bij een bedrijf met een rookworst als symbool is de gedachte aan seks nooit ver weg. Maar vorig jaar werden de lesbo’s en homo’s door de Hema bediend en dit jaar opnieuw kindjes met Down, dus waarom meteen weer met gestrekt been erin?
Ik ga met Weijts mee als hij zegt dat we alleen nog durven lachen bij iemand met het stempel ‘cabaretier’ op zijn voorhoofd.

Drank en vrouwen


Ironie maakt het leven draaglijk. Het is in ieder geval wat ons Groningers, naast drank en vrouwen, op de been houdt. Zonder een knipoog op zijn tijd is het lastig overleven in het huidige land van koolzaad en aardgas, vroeger suikerbiet en strokarton. Als wij op de televisie komen worden wij ondertiteld en als je alles wat over onze hoofden wordt uitgestort letterlijk zou nemen, kun je beter meteen uit het raam springen.

Johan Cruijff


En, over ironie gesproken:
Johan Cruijff, die gisteren precies een jaar geleden overleed, is de beste voetballer die ons land ooit kende, de beste trainer en hij was een bijzonder mens. Cruijff legde overal in het land speelveldjes voor kinderen neer. Het minste wat we terug kunnen doen, een stadion zijn naam geven, doen we niet. Omdat met de naam van een stadion ook veel geld is te verdienen.

Ik had graag willen afronden met de conclusie dat Amsterdammers daarom mietjes zijn, maar dat kan niet. Want FC Groningen voetbalt in het Noordlease-stadion.

Deze column is uitgesproken op zaterdag 25 maart, tijdens een aflevering van Spijkers met Koppen van BNN-Vara.

zaterdag 28 januari 2017

SMK - Freek doet Groningen

In de maalstroom aan waarheden en onwaarheden over bezoekersaantallen, bonnetjes, een brief en het andere vingeropsteken is het de meeste Nederlanders vermoedelijk ontgaan dat Groningen een nieuwe ambassadeur heeft: Freek de Jonge.

Inderdaad, ook wij waren verrast.

Hij zegt dat hij gevraagd is, maar wat Freek niet weet is dat wij, Groningers, vijftig soorten ‘ja’ kennen. En in de helft van de gevallen bedoelen we ‘nee’.

Dus als iemand vraagt: ‘wil je dat ik help?’ en het antwoord is: ‘mag wel’, dan zeggen we eigenlijk: ,Van ons hoeft het niet.’

Schade door gaswinning


Wat Freek voor ons doet is de aardbevingsproblematiek onder de aandacht brengen. Want onze huizen, scholen en boerderijen hebben nog steeds schade door gaswinning. En het moet gezegd: wat ons in vijf jaar, sinds de grote klap bij Huizinge, niet lukte, lukte hem wel. Hij zit bij De Wereld Draait Door.

Als de Ieren zeggen dat ze de negers van Europa zijn, is Groningen het Ierland van Nederland. Wij zouden wat graag gediscrimineerd, gerascisticeerd of zelfs gemolesteerd worden, maar het is nog erger: wij worden ge-negeerd.

Op de avond van de grote beving in Hellum, 3.0 op de schaal van Richter, zei Jeroen Pauw: ,…de huizen staan nog overeind, over naar: Schiphol.’

Oftewel: succes ermee. Terwijl het vrij simpel is wat we willen. Schade moet hersteld worden en NAM of Rijk betaalt. Maar over bijna elke scheur wordt gesoebat. Het is de fundering, de wind, achterstallig onderhoud en Jan Mulder kreeg van een inspecteur de vraag of hij misschien last had van mollen.

NAM


We zijn inmiddels zover – en dit is geen grap - dat achter elke NAM-inspecteur iemand aanloopt die controleert of hij mensen met schade niet onheus bejegent.

Als journalist moet ik onafhankelijk blijven, maar ik vrees dat ik ‘bevingsradicaliseer’. In een open brief op mijn blog heb ik de verantwoordelijke minister, Henk Kamp, min of meer al bedreigd. Toen ik dat in Hengelo meldde, zei iemand: ,,Wie weet ‘m wa te won’n.’’ 

Wat zoveel betekent als: ‘We weten hem wel te wonen.’

Het adres kreeg ik. Want Kamp is ook in Hengelo en omstreken niet populair. Ik weet niet of ik echt tot actie overga, mijn vrouw heeft dat liever niet, maar ik heb de minister in ieder geval beloofd dat als ik de eerste aardbevingsdode ben, ik zijn verdere leven bij hem kom spoken.

Nieuwe impuls


Toegegeven, we kunnen hulp gebruiken, maar de vraag is waarom Freek pas nu in actie komt. Mijn suggestie dat zijn carrière een nieuwe impuls nodig had werd niet gedeeld door een collega: ,,Welnee, hij trekt nog steeds volle zalen en is hartstikke scherp. Zoals jij denkt: dat is precies wat er mis is aan Groningers. Het is niet goed of het deugt niet.’’

Op mijn tegenwerping dat het bizar is dat wij al vijf jaar moord en brand schreeuwen en niemand luistert en Freek ineens bij DWDD zit, klonk het: ,,Zo werkt het. Bekende Nederlanders hebben de wereld verdeeld. Hugo Borst komt op voor zijn moeder, Pauline Broekema voor Pekela en Claudia de Breij doet Het Dorp. Maar als hij wat voor elkaar krijgt is het toch goed? Hij doet tenminste iets.’’

Republiek Hoogeland


Wat Freek tot dusver voor elkaar kreeg was een minitournee. Een week lang sprak hij met betrokkenen en bestuurders en ’s avonds trad hij op. In Groningen. Voor eigen parochie dus. Jan Mulder predikte bij een van die optredens wel al de revolutie en wierp zich meteen op als de eerste president van de republiek Hoogeland.

En Freek gaat door. Hij neemt 7 februari een clip op tijdens een demonstratie in de Groningse binnenstad. Het wordt volgens hem van ‘een manifestatie van Washington-achtige proporties’. Of dat goed is weet ik niet.

De NAM benadrukte alvast dat de gaskraan niet binnen tien jaar dichtgaat, zoals Freek voorstelde en eerlijk gezegd had ik niet anders verwacht.

Wordt Toch Niks



Edoch: anders dan mijn standaardhouding WTN, oftewel Wordt Toch Niks, krijgt Freek het voordeel van de twijfel. En mocht er toch naar hem worden geluisterd, dan heb ik nog wel wat. Wij hebben te veel windmolens, te weinig werk en te veel zelfmoorden, Stadskanaal is in ‘Ik Vertrek’ nooit de droombestemming en FC Groningen komt maar niet uit het rechterrijtje.

Op 28 januari 2017 voorgelezen in het Vara-radioprogramma Spijkers met Koppen in Café Florin in Utrecht

dinsdag 27 december 2016

Voor Lemmy

Hij had humor en zijn fans ook. In een documentaire zegt één van hen iets als: ‘Na een nucleaire oorlog blijven er twee levensvormen over. Kakkerlakken en Lemmy.’

Ian Fraser (Lemmy) Kilmister had een griezelige wrat op zijn wang, zijn snor ging over in bakkebaarden die ergens op zijn lichaam eindigden waar geen daglicht kwam, hij zong als een vastlopende scheepsmotor, maar zijn uitvaart was live te zien op YouTube.

Want de voorman van de Britse heavymetalband Motörhead bleek minder onsterfelijk dan gedacht. Op tweede kerstdag 2015 werd een agressieve vorm van kanker ontdekt en twee dagen later, morgen een jaar geleden, stierf hij, 70 jaar oud. Slash, Dave Grohl, Queen’s Brian May en Metallica liepen achter zijn kist.

Lemmy is het beste voorbeeld dat je als vader het gezin beter niet kunt verlaten als je baby drie maanden oud is. De basgitarist en zanger kende God noch gebod. Hij stopte bij een van zijn eerste bands, Hawkwind, vanwege een verschil van inzicht over drugsgebruik. Zijn maten waren aan de lsd en hij aan de amfetamine.

Ik zag hem een keer, in De Oosterpoort, ik meen in 1997. Dat duurde helaas nog geen uur omdat halve garen hem met bier bleven bekogelen.

Hoewel een band voor connaisseurs was Motörhead tevens opstap in de wereld van de hevige metaal. Kinderen zingen in no time mee met ‘Ace of Spades’. Daarom, als hommage, stel ik voor dat we woensdag 28 december 2016, op zijn eerste sterfdag, tijdens het hardlopen, strijken of aan de koffie in het bejaardentehuis, even één keer de vuist vooruit steken, met de wijsvinger en pink uitgestoken en keihard ‘Lemmyyyyy!!!’ brullen. 

Column Ogenblik in het Dagblad van het Noorden, 27 december 2017

woensdag 23 november 2016

Nog één keer Seta

MUSSELKANAAL De roemruchte voetbalvereniging Seta uit Musselkanaal viert op 10 juni 2017 het zestigjarig jubileum. Op de planning voor die dag staat een kort feestprogramma met aansluitend een reünie. Bestuur en feestcommissie willen het heuglijke feit met zoveel mogelijk mensen vieren en doen een oproep aan leden en oud-leden om zich te melden.

Dat kan via acvs@kpnmail.nl, website www.vv-seta.net en de Facebookpagina 60 jarig bestaan v.v. Seta (link), waarop regelmatig nieuwe informatie verschijnt.

Aanmelden kan ook via: Jan Abee 06-22231169 (feestcommissie) of Jan Hartman 06-15519871 (clubvoorzitter).

Ik heb zelf heel lang bij Seta gevoetbald. Het is de club met de meest geografische aanduiding in de naam: Sportclub Eerste exloërmond Tot Afdraai. Al spraken de tegenstanders van: Schopt En Trapt Alles. Zelf vond ik een door een vriendje beacht Sportieve En Technische Atleten wel mooier.
Mijn belevenissen bij de club inspireerden tot veel verhalen in de bundel 'De dronken rechtsbuiten' en min of meer ook tot mijn enige voetbalroman tot dusver, FC Hopeloos. En wellicht als extra motivatie om vooral naar de reünie te komen hieronder een verhaaltje uit de oude doos.


Borsten van papier

Of het de trainer zelf was weet ik niet meer, maar op een zaterdag kwam iemand de kleedkamer binnen met een verrassing. Twee borsten van papier, met knoerten van tepels. De boodschap was: wat de uitslag straks ook is, hier hebben jullie alvast twee punten.
Voetbalhumor, ja. Wat ik vooral bijzonder vond was dat die iemand dus een avondje bezig is geweest die dingen te maken. Wat ongetwijfeld voor opgetrokken wenkbrauwen bij moeder de vrouw aan de keukentafel heeft gezorgd.
‘Wát ben jij aan het doen?’
‘Ach, ik maak even twee titten. Je weet wel, stukje psychologie. Die idioten begrijpen maar niet wat ik bedoel. Als het over seks gaat snappen ze het wel.’
Of het een zege heeft opgeleverd ben ik vergeten. Dat soort creativiteit was doorgaans niet aan ons besteed. Wij konden meer met teksten als: ‘Kom op jongens! Der bovenop vandoage! Veur mekoar knokken! Beuk hom deur de panty! Allah Akbar!’
Waarschijnlijker is dat we die dag kansloos het schip in zijn gegaan en ik de hele wedstrijd aan borsten heb lopen denken.
Het was niettemin een originele gedachte en als trainer moet je wel eens wat. Gevraagd naar zijn tactiek riep Ernst Happel vroeger: ‘Táctiek? Geloel. Ik heb kain tactiek. Ik heb Coentje, Wiellem en Rinoes. Zij roegelen das wohl.’
Omdat negentig procent van alle elftallen geen Coentje, Wiellem en Rinoes hebben, maar de linies vullen met Derken, Gezinussen en Onno’s, kan een tactisch praatje of een briljante ingeving wel eens helpen.
In de meer dan 35 jaar dat ik heb gevoetbald is alles langs geweest. Van zinvolle omzettingen tot minder zinvolle, zelfs desastreuze omzettingen. Van een normale analyse tot getier en bijna elke trainer liep minimaal een keer de kleedkamer uit in de rust, in de hoop dat we ons de ernst van de situatie realiseerden. Ook dat pakte meestal verkeerd uit, want dan gingen we door elkaar zitten schreeuwen.
Van al die jaren is me vooral bijgebleven dat de trainer van dienst tijdens het kopje thee constateerde dat de ‘eindpass’ niet goed was. We speelden best aardig, tot aan de eindpass. Die eindpass wás gewoon niet goed, jongens! Ineens had iedereen het over de eindpass. Inderdaad, die $#%&^^%***-eindpass! Dat we daar niet eerder aan hadden gedacht! We moesten als de sodemieter aan die eindpass werken! Wekenlang gingen de gesprekken over de eindpass. Tot in de kantine. Wat bleek: ook bij het tweede, derde en vierde was die eindpass niet goed! Niemand bij de club had het nog over iets anders. Dat bijna alle passen niet goed gingen werd voor het gemak vergeten. Het ging om die eindpass! Op zeker moment serveerden ze zelfs een patatje eindpass, waarbij de mayo en ketchup als een streep over de frieten lagen.

Het leukste idee was echter – bij een andere trainer – het plan dat onze voorstopper de bal bij de aftrap meteen met een enorme hijs naar voren knalde en wij moesten dan als gekken ook die kant op rennen. Met deze shock and awe-tactiek zou de tegenstander het in zijn broek doen van angst en konden we direct scoren. We hebben het een heel seizoen gedaan. Het leverde louter doeltrappen voor de tegenstander op, maar ik vond het elke keer een geweldige happening.

P.S. Zoals trouwe lezers gemerkt zullen hebben post ik even geen blogs meer. Ik schrijf tegenwoordig columns voor het Dagblad van het Noorden en twee stukjes op een dag wordt te veel van het goed.

maandag 10 oktober 2016

Winkler Prins 150 jaar: De Eeuwige Leerling

Een verhaal dat ik heb verteld op maandag 10 oktober 2016, bij de opening van de viering van 150 jaar Winkler Prins scholengemeenschap in Veendam, in cultureel centrum van Beresteyn.




De directeur van de Winkler Prins nam me mee naar een vitrinekast, op de eerste verdieping, locatie J.G. Pinksterstraat. Daarin stond een skelet. We moesten nog onderhandelen over het honorarium voor deze voordracht en ik dacht: die wil iets duidelijk maken.,,Grappig’’, zei ik, ietwat onzeker, ,,wie is dat?’’

Ik gokte op de spreker van een vorige jubileumviering. Maar ze vertelde dat het geraamte vermoedelijk van Job met de aap was. Of in, goed Gronings: Jopke mit de Oape. Een zonderling wiens echte naam Jacob Veldt luidde en die in 1908 op 84-jarige leeftijd overleed en zijn overblijfselen aan de toenmalige HBS zou hebben nagelaten. Hij trok langs velden en wegen met zijn aapje om de mensen te vermaken.

De botten konden ook van een negentiende-eeuwse zwerver zijn, vervolgde de directeur.
Dat was niet helemaal zeker. Er zou nog onderzoek naar worden gedaan.
Dat het om een Veenkoloniaal ging stond wel vast, vanwege de forse bouw en het feit dat het een persoon betrof die nooit een slag werk had gedaan.
Omdat het niet zeker was dat het Jobke was kon het dus ook iedereen anders zijn, bedacht ik me. Ieder andere bekende Veendammer.

Zeemansgraf


Adriaan Geerts Wildervanck. Margaretha Hardenberg. Hendrick de Cock, oervader van de afgescheide gereformeerden. Of, in goed Gronings: Cocksioanen. Willem Vroom, ‘dai van V&D’. Evert van Linge, architect en voetbalinternational, of wellicht Anthony Winkler Prins himself. Maar om uiteenlopende redenen vielen ze af.

Net als Jacob Winkler Prins. Dichter en zoon van Anthony. Ik had het mooi gevonden als hij het was, maar hij heeft een zeemansgraf in de Keltische zee.

Altijd als ik de term ‘Veendam’ of ‘Veenkoloniën’ hoor, komt vroeg of laat Harm van der Veen in beeld. Ik dacht: dan zal dit Harm ook wel weer zijn. Maar ook dat kon niet. Ten eerste was hij niet dood en ten tweede heeft hij al lang de status van onsterfelijkheid.

Ineens realiseerde ik me dat het anders zat. Waarom de directeur mij het skelet liet zien. Het was meer dan een verzameling botten. Een symbool. Dit geraamte stond voor het wezen van alle leerlingen van alle generaties op de Winkler Prins.

Oftewel: De Eeuwige Leerling.

Kan niks, wil niks, heeft niks


Want dit is wat een kind is dat in de Veenkoloniën van de lagere school komt. Kan niks, wil niks, heeft niks. Er is alleen een oervorm, een skelet en alle vakjes van het menszijn, de latere volwassene, moeten nog worden ingevuld: kennis, ervaring, wijsheid, persoonlijkheid.

En dat gebeurt tussen het 12e en 18e levensjaar, de belangrijkste jaren in een mensenleven. We beleven in die relatief korte tijd alles voor de eerste keer: De eerste sigaret, het eerste biertje, de eerste keer kotsen, de eerste zoen, de eerste keer een natte plek in de broek, het eerste baantje, het eerste ontslag, de eerste keer echt nadenken over wat met het leven aan te vangen en de eerste keer het besef: dit wordt niks.

Een fascinerende tijd, alleen al omdat het lichaam alle kanten op gaat, er op de meest vreemde plekken haar begint te groeien en helemaal bijzonder is dat het, toeval of niet, samenvalt met de middelbare schooltijd.

Wat betekent dat de puber twentyfourseven in een spagaat ligt, Enerzijds is er de ontdekking van de wereld en jezelf, anderzijds zit je een substantieel deel van de dag in de klas en verdoe je kostbare tijd met huiswerk om te voorkomen dat je al die klassen dubbel moet doen.

Verloren tijd, want school is niet leuk. Dat weet ik als ex-leerling, maar een vriend van mij, ook Groninger en leraar op een andere school, vindt dat ook. Ik weet niet meer of het bij een werkgroep individuele ontplooiing, commissie talentbevordering, of taskforce individualisering vakkenpakketkeuze was, maar toen een van de ouders van nu opmerkte dat de school ‘een beleving’ moest zijn reageerde hij met:

,,Eén ding: school is ruk. Kunnen we heel kort over zijn. Wat we ook doen: dat vinden kinderen en dat blijven ze vinden.’’

Klare taal


Klare taal, zoals we in de Veenkoloniën spreken. Die visie werd bevestigd door de stukjes in het jubileumboek ‘de kleinste Winkler Prins’, verschenen bij het 125-jarig bestaan. Verhalen, impressies en reconstructies gaan vooral over wat buiten de lessen gebeurde.

Natuurlijk: kinderen leren, krijgen proefwerken, overhoringen, scoren hoge cijfers, lage cijfers, ze spieken, zitten te dromen, worden er uitgestuurd, of erger, van school getrapt en halen diploma’s of niet, maar in principe is dat niet waar de middelbare schooltijd om draait.

De leerling is er in ieder geval niet mee bezig. Ik kom uit Stadskanaal en daar is het: als je vijf minuten moet leren, leer je geen zes minuten. Je stelt geen enkele vraag, je luistert, noteert en leert wat nodig is. Een negen of acht is onzin, 5,5 is ook een voldoende.

Een houding die niet alleen voorkomt uit de bekende fatalistische Veenkoloniale inborst, maar ook uit het feit dat in de beleving van alle scholieren alle vakken kutvakken zijn. Geschiedenis is kut, Frans is kut, economie is kut en Duits is het allergrootste kutvak. En al zou je je er in willen verdiepen, je staat alleen. Ouders in Oost-Groningen hebben met een beetje geluk de lagere school afgemaakt en de leraar is een kounavvel. De laatste aan wie je een vraag stelt.

Ik vroeg eens aan die van natuurkunde: meneer, ik snap het niet. Toen zei hij: dat moet je niet snappen, dat moet je begriepen. Waarop ik de volgende keer meldde dat ik het niet begreep. Toen zei hij: dat moet je niet begriepen, dat moet je snappen.

De conciërge


Daar komt bij: de leraar is helemaal niet de baas op school. Zelfs de directeur of rector niet. Dat is de conciërge. Bij hem moet je zijn. Er uit gestuurd. Naar de conciërge. Lesrooster vergeten. Conciërge. Kopiëren. Conciërge. Ziekmelding: conciërge. Hij is alles in één. Klusjesman, bode, opzichter, doodgraverstem door de intercom en uitgifteloket van pleisters en saucijzenbroodjes. Als mens een kruising tussen Moeder Theresa en Markies de Sade. Ik zat zelf niet op de WP, maar mijn vrouw wel en die zei: Akkerman. Moet je noemen.

En inderdaad, uit het jubileumboek komt een Veenkoloniale Godfather naar voren. Marlon Brando tussen Midden Verlaat en Duurkenakker. Een leerling beschreef eens de dag dat hij net op tijd op school was.
,,Nee’’, zei Akkerman, ,,te laat.’’
,,Maar de bel is nog niet gegaan.’’
Net op dat moment ging de bel.
,,Zie je wel,’’ zei Akkerman, ,,Te laat.’’

Dat leerlingen zo min mogelijk energie in het leren steken is overigens te begrijpen. In een lichaam dat bol staat van de hormonale spannings staan alle zintuigen vooral op scherp buiten de lesuren. In de kleine pauze, overblijf en als de school uit gaat.
Dan moet het gebeuren. Want alle aandacht gaat uit naar een ding: dat jij niet de loser van de klas bent, de sigaar, de pisang, het kneusje.
Zit mijn haar goed, was dat een grap of ben ik net gedist, is mijn lach niet stom en, het allerbelangrijkst, hoe voorkom ik dat ik moet douchen na gym? Want wat je onder geen beding wilt is dat anderen dat lichaam van jou zien, waar ineens overal haar zit.

Ongesteld


Meisjes melden zes keer per maand dat ze ongesteld zijn. De gymleraar is de enige in deze maatschappij die de cyclussen van jonge meisjes mag bijhouden, zonder het risico van een enkeltje richting Van Mesdag. Hij moet wel, omdat er anders geen mens meer in de ringen hangt.

Gym is voor elke jongeling een ramp. Zoals alles een ramp is. Want wat overheerst in de middelbare schooltijd is onzekerheid. Tussen je 12e en 18e twijfel je aan alles. En omdat je aan alles twijfelt en vooral aan jezelf, wil je niet opvallen. Uitgezonderd die enkele hippie, stuffieroker, punk of gothic, wil 99,9 procent van de mensheid op elkaar lijken.

Dat is nu zo, dat was zo.

Op de hockeyclub van mijn oudste zoon hebben werkelijk alle meisjes van de C1 een paardenstaart. De jongens kammen hun haar als Albert Rusnak van FC Groningen. In mijn middelbare schooltijd was het niet anders. Ik wilde mijn haar eerst als Simon LeBon van Duran Duran zijn en later Robert Smith van The Cure. In beide gevallen bleek ik kansloos. Mocht niet van mijn ouders.
Mijn vader: ,,Wist der toch nait as n haalfmaale bie lopen?’’
,,Dat wil ik wel.’’
Waarna hij de handen ten hemel hief en verzuchtte: ,,Mien laive God. Woar hebben wie dat toch aan te danken?’’

Ook een strakke leren broek, toen ik fan was van The Doors, mocht niet. Dat was ja zo apart. De eerste die er in liep was Suzi Quatro. De vader van een vriendje vond het maar niks: ,,Kist ja alles zain.’’

Ter Meulen Post


Ik zei dat het juist de bedoeling was, maar ook mijn moeder kocht corduroybroeken. Op de groei. Bij Ter Meulen Post of Neckermann. Daar liep je net even te lang in, zodat je een hele jeugd, of met omgeslagen pijpen liep, of met hoog water in de polder. Een trui kon twee winters mee. Daar kwamen dan elleboogstukken op. In de stad stond zoiets voor intellectueel, in de Veenkoloniën smeerden ze porren op je rug.

Een van de meest interessante stukje uit het vorige jubileumboek gaat over illusies. De middelbare school is een instituut vol illusies, stond er. Want we denken toch niet serieus dat jeugd tussen 12 en 18 in één enkel regime te vatten is.

Klare taal.

Als voorbeeld van zo’n illusie werd genoemd: de bestrijding van het te laat komen. Want hoe moeilijk is dat nu eigenlijk: op tijd komen? Lessen beginnen om half negen. Elke dag, elke week, zes jaar lang. Je kunt je erop instellen. Vroeg naar bed, op tijd wakker, ontbijten, tanden poetsen, aankleden, tas inpakken en weg. En toch, al zo lang school bestaat, komen hele volksstammen te laat. En het zijn altijd dezelfden.

Te laat komen is symptomatisch voor de verscheurde wereld van de middelbare school, de illusie van een symbiose tussen wat je moet en wat je niet wilt.

Het is typerend dat een liedje van Doe Maar over de schooltijd ‘Nachtmerrie’ heet. Het refrein begint met: ‘Dit is vast een misverstand, Ik ben weer in de klas beland.’
En Henny Vrienten en Ernst Jansz zijn niet de enigen die nog steeds badend in het zweet wakker worden na een droom die terugvoert naar de schoolbanken.

En toch.

Ik ben 51 nu. Lang geleden uit de Veenkoloniën vertrokken. Ik woonde in Winschoten, Groningen en nu in Slochteren, reisde rond de wereld, maar zoveel te ouder ik word, zo veel vaker denk ik aan mijn middelbare schooltijd.
Omdat ik het me op de een of andere manier herinner als een leuke tijd. Omdat het de tijd was van de eerste keren. Omdat alle eerste keren nu eenmaal de meeste indruk maken en misschien nog meer omdat die tijd nooit meer terug komt.

Skelet


Zoals we begonnen als skelet, zo eindigen wij als skelet. Zoveel te dichter we daar weer in de buurt komen, des te meer verlangen we naar onze puberjaren. We zitten op Schoolbank.nl en op Facebook, LinkedIn, Instagram, speurend naar oud-klasgenoten.
Je wilt weten wat er van je oude liefde is geworden, van die beste vriend, van al de mensen die belangrijk waren in de belangrijkste jaren van je leven.

Een reünie is, zoals nu bij de viering van 150 jaar WP, onvermijdelijk. Al is het een feest van uitersten en niet zonder risico. Immers, het komt voor, zoals in ons dorp op oogstfeesten, dat oud-klasgenoten elkaar weer diep in de ogen kijken en het in oktober gebroken gezinnen regent. Anderzijds: het is niet voor niets dat je mensen uit het oog bent verloren.

Maar je gaat.

Alleen al om één reden. Je bent weer even jong, weer even leerling, tussen je herinneringen, de kinderen van toen, je ziet dezelfde leraren, maar je weet honderd procent zeker dat je de volgende ochtend niet wakker wordt met de gedachte: ‘Kut, ik heb Duits en ik heb niks gedaan.’

zondag 17 april 2016

Journalist, het is een beroep

Arjan, een collega, kreeg een telefoontje. Van een meneer wiens kleinzoon eerste was geworden bij judo. Hij had een bericht gemaild.

,,Meneer’’, zei Arjan, ,,het is tien uur.’’

,,Ik heb mijn telefoonnummer gemeld’’, ging de man door, ,,maar er mist een 6. Tussen de 4 en de 9 moet nog een 6.’’

Of de journalist daar even naar kon kijken. Nu.

,,Meneer’’, zei Arjan, ,,het is ZONDAGAVOND tien uur. Ik kijk daar morgen naar.’’

,,Own.’’

Niet uit te sluiten is dat de beller tegen zijn vrouw een klaagzang heeft afgestoken over de teloorgang van de journalistiek en die van de Groningse in het bijzonder. Niet uit te sluiten is dat de man hoofdschuddend verzuchtte: ‘Het zijn tegenwoordig net ambtenaren.’

Van de journalist, verslaggever en nieuwsjager, wordt op de een of andere manier verwacht dat hij twentyfourseven actief is. Dat je hem of haar elk moment kunt bellen waarna hij of zij er met opschrijfblokje en Bic-pen op uittrekt.

Dat de opa van de kleine judoka dat denkt is hem en veel anderen niet te verwijten. Het klassieke beeld is ergens in de jaren zestig ontstaan, toen meer rare gedachten de wereld in zijn geslingerd. Zoals het idee dat een commune werkte, dat geen BH dragen stevige borsten gaf en dat je, zo lang je maar overal tegen was en veel blowde, niet hoefde te werken.

Het was de tijd dat journalist een vrij beroep was. Iedereen kon het worden. Dropouts in de machinefabriek en gesjeesde studenten Nederlands. Ze vielen op na een ingezonden brief, of een berichtje over een schaakmatch en van het een kwam het ander.

Je hoefde er bijna niks voor te kunnen.

Toen ik in de drukkerij werkte en aan een vriend, sportjournalist bij het Nieuwsblad van het Noorden, vroeg of dat moeilijk was, schrijven over voetbal, was het antwoord: ,,Nee hoor, je moet er een beetje verstand van hebben en een meter vooruit Nederlands kunnen schrijven.’’

In die tijd ontstond de klassieke journalist, die net even te lang haar had, net even te dik was, gekleed in een net niet schoon colbertje met elleboogstukken, die net een scheiding te veel achter de rug had en die je tot laat kon bellen voor een tip die hij dezelfde avond nog, eenzaam en alleen in een enorm redactielokaal, omtoverde tot een voorpaginaverhaal. Waarna hij opnieuw het café indook.

Het waren mannen, toen waren het vooral mannen, die net als de politie en brandweer vooraan stonden bij rampen en rellen.

Veel vrienden had hij niet. Dat lag in het beroep besloten, het twee-na-oudste in de geschiedenis van de mensheid, na hoer en jager. Er moet immers iemand zijn die rondkwekt dat die en die het met iedereen doet en dat die en die een mammoet heeft gevangen. Populair werd je er niet door, zonder kon je ook niet.

Of de eerste verslaggever met de poten in het mammoetbloed stond is niet bekend, maar de journalist is nog steeds een hij of een zij die op Van Bommels of Manolo Blahniks in het bluswater staat.

Alleen, niet meer twentyfourseven.

Dat heeft niks met de teloorgang van het beroep te maken, wel met de tijd. In de wereld van vijftien voorlichters op één journalist kan de nieuwsjager er niet meer, zoals de Aad van der Naads van vroeger, op intuïtie een slag naar slaan, omdat je dan twentyfourseven aan het bellen bent met afdeling communicatie, bestuursadviseur of manager externe contacten.

Los van het feit dat de journalist steeds meer mens is geworden, met kinderen naar ouderavond, streetdance en hockey gaat en met partner Bingekijkt naar House of Cards, Homeland en Making a Murderer, nauwgezetheid is een noodzaak.

Niet alleen om te voorkomen dat hij of zij door de in framing gespecialiseerde communicatiemaffia de oren wordt gewassen, maar ook op Twitter wordt gekielhaald door de in de jaren zestig en zeventig opgegroeide lapswanzen, die nog steeds blowen en overal tegen zijn en nu op social media, anoniem uiteraard.

De journalist van nu is aldus een nieuwsmanager.

Staat om zes uur op, gaat hardlopen, wekt om zeven uur zijn gezin, maakt ontbijt, vult de broodtrommels, brengt kroost naar school, zit om negen uur achter zijn bureau en maakt een lijstje met onderwerpen voor de vergadering van half tien - die overigens nooit om half tien begint omdat de stadsredactie op zijn vroegst vanaf tien over half tien binnendruppelt. Met al die lijstjes worden krant en website van die dag in de steigers gezet.

Daarna gaat de journalist op reportage, interviewt iemand uit zorg, onderwijs, politiek, een student die de wereld rond fietst of loopt voor geld voor zeldzame ziekte of school in Ghana, of de voorzitter van het burgercomité tegen de nieuwe Ringweg.

Een constante in de werkdag is bellen met de voorlichter van gemeente of provincie die zelden opneemt omdat ze zit te lunchen of ouderschapsverlof heeft en als ze het per ongeluk toch doet belooft de organisatie in te duiken en drie dagen later SMS-t dat de portefeuillehouder niet kan reageren omdat het onder de rechter ligt, dan wel het debat in de raad afwacht.

Hij of zij tikt om half vijf de laatste kortjes in, dan naar huis om het avondeten klaar te maken, daarna door naar commissie, raad of informatiebijeenkomst over AZC, tegen tien uur bellen met de eindredactie dat het stukje klaar is en thuis net tijd heeft voor één slaapmutsje, omdat de volgende dag om zes uur de wekker weer gaat.

De journalist van de 21e-eeuw checkt alles driedubbel, laat stukken voor publicatie tegenlezen door collega’s, zit in dossiergroepen economie, aardbevings en infrastructuur en werkt in de drie uurtjes vrije tijd per week aan een boek en doet alles zo nauwgezet dat de weekenddienst zondagavond om tien uur hooguit een keer hoeft te bellen met brandweer of politie, maar niet met opa’s voor een bericht dat toch niet in de krant komt.
 
Uitgesproken op zondag 17 april 2016 bij de uitreiking van de Groninger Pers Prijs 2015, in een speciale aflevering van de talkshow Stand van Stad, in het Groninger Forum. De prijs werd gewonnen door Louis Stiller met zijn reportage 'Hoe Warffum werd wakkergeschud' (Vrij Nederland, 11 februari2015)

donderdag 24 maart 2016

Uitspraken van Johan Cruijff die het net niet haalden

De vandaag overleden Johan Cruijff verrijkte de Nederlandse taal met geniale uitspraken, die alleen van hem konden komen. Maar hij zei ook dingen die het net niet haalden. Een greep.

- Je moet richting doel schieten, anders gaat de bal naast.

- Voordat ik een fout maak, heb ik hem al een keer gemaakt en doe ik dat niet nog een keer.

- Op een moment gegeven.
- Ik ben overal tegen. Behalve als ik ergens voor ben.

- Winnen doe je als je hebt gewonnen.

- Volleybal is een kutsport

- De waarheid is dat wat waar is.

- Ajax, dat is iets anders dan Feyenoord.

- Een goede voetballer kan soms heel slecht spelen, maar een slechte voetballer kan nooit heel goed spelen. Nou ja, misschien. Soms komt dat voor.

- Je bent nooit sneller dan de bal. Behalve bij een rollertje.

- Voetbal is in wezen simpel. Speel de bal naar iemand met dezelfde kleur shirt.

- In wezen moet je altijd naar voren spelen. Anders ga je achteruit.

- Als ik niet naar Barcelona was gegaan, had ik bij een andere club gespeeld.

- Soms moet je wat.

- Wie een kuil graaft voor een ander heeft niks op een voetbalveld te zoeken, die moet bij de gemeente gaan werken. Dat is niet erg, ook daar zijn mensen nodig.

- Om teleurstellingen te voorkomen moet je zorgen dat het goed blijft gaan.

- Hunnie op rechts was een geitenkaas. Van biologische geiten, dat rook je.

- Ik zeg altijd: dat moet je niet begrijpen, dat moet je snappen. En als mensen zeggen: ik snap het niet, zeg ik: je moet het begrijpen.

- Tweederde van de wereldbevolking kent mijn naam, eenderde dus niet. Die hebben denk ik niks met voetbal.

- In een wedstrijd heb je drie mogelijkheden: winnen, gelijkspelen en verliezen.

- Geluk kun je niet kopen, een mooie auto wel.

- Als ik praat, ben ik aan het woord.

- Als er iets gebeurt, dan komt dat ergens door.

- Er is nog nooit een wedstrijd gespeeld zonder bal.

zaterdag 13 februari 2016

Spijkers met Koppen - Koude zalmwraps

Wij aten gisteren koude zalmwraps. Van de moeder van Ruud Boymans van FC Utrecht. Mijn vrouw of ik zou nooit op het idee komen koude zalmwraps van de moeder van Ruud Boymans van FC Utrecht te maken, maar het stond in het verzamelalbum ‘Succesrecepten van de moeders’. En dat zat bij het verzamelalbum ‘Voetbalplaatjes 2015-2016’ van de supermarkt in Schildwolde.

De nieuwe spaaractie van deze landelijke keten wordt door alle mannen in het dorp met vreugde begroet. Wij zijn klaar met de zegeltjes voor theedoeken en boerenbontserviezen.

Een man is geen man als hij niet minstens een keer door de hel is gegaan van het voetbalplaatjes sparen en dát, kunnen wij onze zoons nu meegeven.

Zelf had ik er twee: van het WK Argentinië in 1978 en van de Nederlandse Eredivisie in 1979. Mijn vriendjes en ik waren er twentyfourseven mee bezig. De twee gulden vijftig zakgeld, zeg 1 euro, die ik als veertienjarige kreeg, ging er volledig aan op.

Je betaalde voor levenservaring. Ik heb meer gehuild omdat ik voor de twaalfde keer Wim Meutstege en Abe van de Ban had, dan om meisjes die in het fietsenhok zeiden: ‘Ik heb nu met Harm-Jan.’

In het verzamelen toonden zich ook de sociale verhoudingen. Dokterszoontjes hadden zo’n album binnen vier weken vol en een vriendje kreeg van zijn oudere zussen af en toe wat toegestopt. Jaloers keek ik naar zijn complete selecties van Roda JC en Sparta. Mijn pagina’s leken op de markt in Oude Pekela: hier en daar een kraam.

Het album van het WK in Argentinië heb ik na 37 jaar compleet. Pas vorig jaar lukte het om de Oostenrijkse middenvelders Herbert Prohaska en Kurt Jara via internet op de kop te tikken. Ze waren niet goedkoop.

Zo’n receptenalbum erbij betekent echter dubbele problemen. En niet alleen omdat ik nu de Marokkaanse pannenkoek van Yassin Ayoubs moeder moet maken en de bloemkoolsoep met kaas van Robin Pröppers moeder.

In de streek waar ik woon liggen ingrediënten als tuinkers, gemberwortel en Chinese taugé zelden in de schappen. Dat was nooit erg, er was toch geen vraag naar, maar nu moet ik er voor naar Hoogezand. Dat is tien kilometer verderop.

De achterliggende idee dat mijn kinderen gezonder eten omdat ik net als de moeder van Jetro Willems couscoussalade maak is bovendien onzin, als ik zes liter Cola-light moet kopen voor twee extra pakjes.

Ook zet ik vraagtekens bij de echtheid van de gegrilde courgettelasagne van de moeder van FC Groningens Hans Hateboer. Hij komt uit Beerta. Daar eten ze dat niet.

Om niet te spreken van het feit dat mijn zoons over dertig jaar op Marktplaats vermogens moeten betalen voor de nog ontbrekende plaatjes van PEC’s Bram van Polen én de groene bonen-wortelstamppot van Kostas Lamprous’ moeder.

Naast die dubbele problemen is er nog het serieuze gevaar van een nieuwe trend. Mijn vrouw en ik aten met smaak de koude zalmwraps van Ruud Boymans moeder, maar wat gebeurt als mensen het niet lekker vinden konden we afgelopen zondag al zien.

Ajax-supporters gaven off the record inmiddels toe dat het ophangen van een pop van Kenneth Vermeer niks te maken had met racisme of zijn overgang naar Feyenoord, wel met de havermoutpap met vers fruit van zijn moeder.

Ondanks dat zij de wraps goor vonden, moet ik van mijn zoons elk weekend iets koken van een voetbalmoeder. Omdat FC Groningen morgen thuis tegen Ajax speelt, mogen ze vanavond kiezen uit Hachee met zilvervliesrijst van Jasper Cillessens moeder of linzensoep van de moeder van Anwar El Ghazi. Aan het shirtje van de pop die om half een in de Euroborg hangt, is te zien wat het is geworden.

zondag 26 april 2015

Een negatief stukje


De dag na de uitreiking van de Groninger Persprijs 2013, toen ik een 'spraakmakende' column had voorgelezen, getiteld Een positief stukje, werd ik gebeld door de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden. Hij begon met: ,,Geloof jij in toeval?’’

Eh.. Nee.

Waar ik vandaan kom, Oost-Groningen, is niks tussen hemel en aarde. Toeval, lotsbestemming, karma en zen, daar doen wij niet aan. We verwachten nooit iets. We nemen het leven zoals het komt en het komt zoals we het verwachten: drie keer niks.

Het enige waarmee de Sorghvliethal in Veendam volstroomt met iets wat ons boven de pet gaat is de Kamasutra-beurs.

Mijn verwachtingen van het gesprek waren dan ook niet hooggespannen, maar de hoofdredacteur meldde dat ik een kans kreeg bij het Dagblad van het Noorden.

Ik zat zeventien jaar bij de huis-aan-huisbladen. Stukjes schrijven voor titels als de Veendammer, HS-krant, Gezinsbode, Kanaalstreek/Ter Apeler Courant, Eemsbode, Westerkwartier, Noorderkrant.

Positieve stukjes.

Zeventien jaar

 
Zeventien jaar is een lange tijd en ik had ook wel wat anders gewild, maar op sollicitaties, bij eerst het Groninger Dagblad en later bij het Dagblad van het Noorden, kreeg ik brieven terug die eindigden met: ‘Bedankt voor de belangstelling in ons bedrijf’ en ‘We wensen u veel succes met uw carrière elders.’

Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat als je dat drie keer leest, je bij de vierde vacature niet denkt: hé, een kans.

Dus ging ik door met wat ik deed: positieve stukjes schrijven. En als er eens geen Kamasutra-beurs was, zat ik thuis aan de keukentafel. Mijn ambities leefde ik vooral buiten het bedrijf uit en dat resulteerde in elf boeken, drie literairjournalistieke prijzen, twee viersterren recensies in de Volkskrant, het lidmaatschap van het Genootschap Groninger Pers Prijs en boeken nummer twaalf, dertien en veertien zijn in de maak.

Een beetje snakken

 
Dat was een beetje snakken, maar ik dacht: op zeker moment zal het wel opvallen dat ik best iets kan, maar dat gebeurde niet. Ik heb lang getwijfeld of ik voorgaande op zou schrijven omdat je dat niet doet, pochen over jezelf, maar ik krijg nu van Dagblad-mensen terug dat het idee bestond dat ik ‘daar wel lekker zat, bij de weekbladen’. Dat is bij deze dus rechtgezet.

Het telefoontje van de hoofdredacteur kwam ook nadat ik me al lang en breed had neergelegd bij het feit dat ik bij de NDC Mediagroep in ieder geval geen carrière zou maken. Ik was 48 jaar. Dat ging hem niet meer worden. Ik vond het ook goed. Als het zo moest zijn, dan moest het zo zijn. Sterker: het hoefde niet eens meer. Op mijn leeftijd moest je geen beginnend regioverslaggever willen zijn.

Dat alles zei ik echter niet. Omdat het alternatief, nog eens zeventien jaar bij de huis-aan-huisbladen, toch niet zo aanlokkelijk leek, hoorde ik mezelf antwoorden: ,,Ja, leuk. Mooie uitdaging. Bedankt.’’

Een andere wereld

 
Waarna ik belandde in een compleet andere wereld. Positieve stukjes kon ik bij het Dagblad vergeten. Dat wat binnenkwam via de mail, de basis voor alle huis-aan-huisbladen, werd zowat volledig genegeerd. Het was andersom: het werd pas interessant als er stront aan de knikker was. Daarover kreeg je meestal geen mail.

Het duurde even voordat ik dat door had. Op het voorstel voor een artikel over een schoenlapper die geld inzamelde voor een goed doel reageerde mijn chef met een vies gezicht.

Ik dacht aan wat ik fotograaf Hans Zuidema eens hoorde zeggen: ,,Tja, mevrouw. Als iedereen gewoon doet wat ie moet doen komt er nooit meer een krant uit.’’

Die quote gebruikte ik vorig jaar ook in de column, net als die van David Bernstein: ,,Nieuws is alles wat ongerijmd is.’’

Na twaalf maanden bij het Dagblad weet ik dat echt niemand doet wat ie zou moeten doen en dat ‘ongerijmd’ beter kan vertaald worden als ‘een puinhoop’.

Tynaarlo

 
Mijn werkgebied is de gemeente Tynaarlo en in het jaar dat ik er werk scheelde het niet veel of het geliefde Sprookjeshof had de deuren gesloten, ging de Prins Bernhardhoeve failliet, schreef ik dat er een nieuwe bestuurscrisis in de maak was en werden alle bijenvolken in de driehoek Stadskanaal, Hoogezand-Sappemeer en Haren preventief uitgemoord vanwege Amerikaans vuilbroed.

De plaatselijke bakker schuimbekte door de telefoon dat ik die vertrouwelijke brief onmiddellijk moest verscheuren en ik zat een half uur met de nieuwe burgemeester aan de telefoon omdat ik had geschreven dat de raadsvergaderingen wel wat compacter mochten.

Een komisch bedoeld stukje van mij over het behoud van de bitterbal tijdens raadsvergaderingen werd door SBS6 en GeenStijl opgeklopt tot krokettenoorlog en tot mijn schrik zag ik GroenLinks Tynaarlo en CDA Tynaarlo ’s avonds op de televisie. De een met een schaal humus voor zich, de ander met een schaal bitterballen.

Het ging maar door. Op mijn vrije dag had ik woedende voorzitters van belangen- en dorpsverenigingen aan de telefoon, met teksten als ‘We zijn er he-le-maal klaar mee’ en tijdens debatten zaten ondernemers hoofdschuddend op de publieke tribune.

Alles mis

 
Afgaand op bronnen die niet via de mail werkten ging alles wat mis kon gaan in Tynaarlo mis in de sectoren bouwen en wonen, verkeer en vervoer, welzijn, cultuur, economie, sport en onderwijs. Ik begreep niet hoe iemand daar nog kon wonen. Niks was geregeld.

Het ging te ver om te zeggen dat ik de positieve stukjes miste, maar als iemand mij vroeg hoe het bij het Dagblad ging zei ik: ,,Leuk. Wel even wennen.’’

Dat heeft ook met mijn afkomst te maken. Als je een hele jeugd lang hoort dat het niks wordt, dan is het desastreus voor je wereldbeeld als blijkt dat het inderdaad niks is geworden.

Ik, brenger van al dat slechte nieuws, begin me ook medeverantwoordelijk te voelen. Ik durf amper nog de afdeling voorlichting te bellen en omdat ik elke dag vanuit Slochteren naar Assen rij heb ik het gevoel dat zelfs de aardbevingen mij achterna zijn gekomen. Ook Noord-Drenthe is nu rampgebied.

Ik probeer het af en toe minder hard op te schrijven, zodat de mensen niet depressief van de krant worden, maar een collega adviseerde mij om het college juist naar huis te schrijven.

,,Waarom?’’

,,Omdat het een slecht college is’’, was het antwoord.

,,Hoezo? Het zou toch best kunnen dat het beter gaat nu?’’

,,Nee.’’

Leuke dingen

 
Goed, er zijn leuke dingen. Zoals dat alle overuren en onkosten gecompenseerd worden. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Zoals een interviewtraining bij Frénk van der Linden.

Zoals dat ik als voetballer die niet verder kwam dan de vierde klasse KNVB voor de voorpagina een beschouwing mocht schrijven over Louis van Gaal.

Maar ik leverde mijn interview met klotsende oksels in en verwachtte half en half een telefoontje van een briesende bondscoach.

Twijfels of ik een echte journalist ben heb ik altijd gehad. Ik ben een naïeve man die nog steeds hoopt dat het een keer goed gaat met de wereld, terwijl je er bij het Dagblad van uit moet gaan dat elke burgemeester, wethouder, clubbestuurder en evenementenorganisator, zelfs de schoenlapper met zijn goed doel, er een potje van maakt en dat al liegend en bedriegend probeert te verdoezelen, ondertussen tonnen gemeenschapsgeld verdonkeremanend.

Het zal geen verrassing zijn dat mijn twijfels in dienst bij het Dagblad van het Noorden alleen maar groter zijn geworden. Al hoor ik soms lovende woorden, ik sluit niet uit dat de hoofdredacteur morgen, of op een andere dag na de uitreiking van de Groninger Persprijs 2014 belt en zijn verhaal dit keer begint met ‘Tja…’
 
(uitgesproken op 23 april 2015 in Lola, tijdens de uitreiking van de Groninger Persprijs 2014)

dinsdag 16 december 2014

Een ander deuntje

De constatering, om niet te zeggen grap, dat het voor Groningen letterlijk een bewogen jaar was ligt zó voor de hand dat ik hem achterwege zal laten. We kunnen er echter niet onderuit dat in 2014 veel vingers naar Groningen wezen en dat veel Groningse vingers terugwezen.

Dat laatste is, wat je zou kunnen noemen, een ontwikkeling.

Wij, noorderlingen, ondergingen tot voor kort immers zwijgend ons lot. Dat we dat niet meer doen juich ik toe, al moeten we nog wennen aan onze rol. De jarenlang opgekropte woede spuwen we er op dusdanige wijze uit dat elke noorderling die op televisie komt ondertiteld moet worden.

In die presentatie, realiseerde ik mij, ligt ons grootste probleem.

De Groninger is in wezen niet veel anders dan een Amsterdammer, behalve dat we onszelf slecht verkopen.

Een karaktereigenschap die er met de generaties is ingesleten, om niet te zeggen ingeramd. De oorzaak is, uiteraard, geografisch.

Wij wonen in een wingebied. De naam Veenkoloniën, om een voorbeeld te noemen, heeft dezelfde klank als Overzeese Gebiedsdelen, de Oost, de West. Je gaat erheen en je gaat erheen om wat te halen: in ons geval turf, gas, zout. Een wingebied heeft als eigenschap: iedereen wordt er rijk van, behalve jij, de inlander.

Dat doet iets met je.

Als mens.

Als Groninger.

Wat er bij ons is uitgefokt, dankzij decennia van onderdrukking en uitbuiting, is zelfvertrouwen. Dat heeft geleid tot de bekende levenshouding: ’t was niks, ’t is niks en ’t wordt niks.

We proberen het al niet eens meer.

Als er een vacature is en de Groninger voldoet aan negen van de tien criteria, dan denkt hij: dat gaat hem niet worden.

Als een Amsterdammer aan één van de tien functie-eisen voldoet, denkt hij: hé, net iets voor mij. Overbodig te vermelden dat hij de baan krijgt.

Ik groeide op in Stadskanaal. Dat was, toen Philips er nog zat, even een succesverhaal. Mijn vrienden woonden aan de Elektronikaweg, of in de Marconiflat. Inmiddels werkt iedereen bij Wedeka. Dat staat voor Werkvoorziening De Kanaalstreek. De grootste werkgever in Zuidoost-Groningen.

Dat zegt iets over een streek.

Paul Witteman beweerde dat Stadskanaal onmogelijk een genie zou kunnen voortbrengen. Hij had gelijk. Naast mezelf kom ik niet verder dan Cornelis Dopper, Geert Teis, Simon van Wattum en Henk Scholte.

Dat is niet veel in 250 jaar.

Zelfs Onderdendam doet het met Klaas Knot beter. Het restaurant in dat dorpje heeft een ster. Wij komen in de Veenkoloniën niet verder dan chips eten en dat doen we zoveel dat Tweede Kamerlid Agnes Wolbert zich grote zorgen maakt.

De Veenkoloniën zijn een beetje symptomatisch voor Groningen. Wij eten chips omdat we er niet meer in geloven. Daar gaat het mis. Want als wij het zelf niet doen, waarom zouden anderen dat wel?

Het moet dus anders.

Het klinkt misschien gek voor een Oost-Groninger, maar ik ben van het type: succes is een keuze. Ik kom uit een arbeidersgezin en begon na mijn diensttijd als drukker bij de Winschoter Courant. Al op de eerste dag, toen ik de inkt onder mijn nagels eens bekeek, wist ik: dit ga ik niet heel lang volhouden.

Zie waar ik nu sta. In Café De Sleutel. Iedereen moet naar mij luisteren en ik krijg er nog voor betaald ook.

Tuurlijk ligt het aan Den Haag, Henk Kamp, aan de NAM, aan alle kabinetten voor de huidige en nog een keer aan Henk Kamp, maar de Groninger moet ook eens naar zichzelf wijzen.

Er komt geld deze kant op. Meer dan honderd miljoen uit Europa en eerder dit jaar is 1,2 miljard euro toegezegd. Met dank aan Max van den Berg. Die riep op zeker moment dat we één miljard wilden en even later lag er 1,2. Dat ging zo gemakkelijk dat ik dacht: je had beter 2 miljard kunnen roepen. Dat dacht hij zelf blijkbaar ook, want vrij kort nadat er wat huizen in de stad stonden te schudden, riep Van den Berg: 2 miljard.

Ook dat juich ik toe, maar ik wil wel waarschuwen dat we - en deze vergelijking is niet van mezelf maar van een van mijn vrienden van de Zwarte Mannen – niet de straatmuzikant worden die telkens met zijn bakje rammelt, maar nooit eens met een ander deuntje komt.

Oftewel: we moeten plannen maken.

Goede plannen.

Wat wij moeten doen is een duikboot in het Slochterdiep verzinnen.

Dat is wat een architectenbureau voorstelde op een informatiebijeenkomst over de aanpak van centrumplan en haven van Slochteren. Het idee was: doe iets raars, dat trekt volk en volk betekent inkomsten.

Ik beken dat ik die avond naar goed Gronings gebruik ook hard heb staan lachen. Omdat we vreemdelingen liever zien gaan dan komen. Maar de architect had gelijk.

Grote industrie is een illusie, de landbouw ligt op zijn gat, de kenniseconomie is ergens anders altijd groter en bodemschatten zijn een keer op. Blijft over: toerisme en recreatie.

De rest van Nederland ziet Groningen al als een ver land en in plaats van dat we uitgebuit worden, moeten we dat gegeven uitbuiten.

De basis ligt er. Rust en ruimte, dorpjes waar in honderd jaar niks is veranderd en een wereld aan vergezichten, met als toppunt de lucht achter Oethoezen. Om het af te maken moeten we wat trekpleisters verzinnen. Unique selling points.

Een duikboot in het Slochterdiep.

Denk aan de scheve toren van Pisa, Legoland en stadion Camp Nou en ik zeg: Megadoolhof in een onderaardse zoutkoepel.

Zeg Masai Mara en Serengeti en ik zeg wildpark Fivelingo. Geef nog meer grond terug aan de natuur. Laat de wolven maar komen. Op Safari in het hoge noorden. Westerlingen op zoek naar onze Big Five: de wolf, de marterhond, ‘t wild zwien, ‘t haalf schoap en de boekou.

Creëer niet alleen een gaskenniscentrum bij Loppersum, zet er een gaspretpark naast. Met aardbevingssimulator en doedingetjes als ‘affakkelwedstrijden’, ‘maak gas met je eigen lichaam’ en seminars over zaken als ‘Hoe besteed ik de aardgasbaten wél op een goede manier’.

Als Hennie van der Most een Duitse kerncentrale ombatterijt in Kernwasser Wunderland, als John Franke de Prins Bernhardhoeve verandert in een zandsculpturenpark, dan moeten wij dat ook kunnen.

Drenten zijn echt niet slimmer.

Uiteraad heb ik ook een idee voor de stad. Aangezien niemand na bijna tien jaar zelfs maar het begin van een idee heeft over wát er precies in het Groninger Forum moet komen zal ik het maar zeggen: een gamepaleis.

Ik zie mijn zoons van 11 en 7 en ik zeg: gamen.

Daar kun je van alles omheen hangen: film, beeldende kunst, muziek, theater. Zelfs geschiedenis. Want de tijd is rijp voor eigen games. We gaan ze maken in het Forumlab.

De Groninger wil niet een game met de Terminator, maar met Staarke Derk van t Botterdaip. De groentenkweekgame Mien Toentje wordt een succes, van de avonturen van Johan Willem Ripperda moet een bloederig spel te maken zijn en de moeder aller Groningse onderwerpen is natuurlijk: Bommen Berend.

Voor Friezen is iets te verzinnen met skutsjes en kaatsen, voor Drenten iets met hunebedden gooien en Ellert en Brammert en ga zo maar door. Wij gaan games op maat maken voor het hele land.

Technisch is het mogelijk. Je moet het alleen doen.

Wat ik niet wil horen is: dat wordt niks.

Dat heb ik namelijk geleerd in stad. Ik begon in 2000 bij de Groninger Gezinsbode. Kees van Twist was net directeur van het Groninger Museum. Goed, de rekeningen klopten achteraf niet helemaal, maar de bomen reikten tot aan de hemel en iedereen kwam deze kant op. Van Joan Collins tot Gorbatsjov.

Wat ik nooit vergeet is de eerste vraag die hij aan zijn medewerkers stelde: wat wil je, wat is je droom? Die medewerkers waren Groningers en die begonnen hun antwoord natuurlijk met: …dat lukt toch niet… maar Van Twist zei: wil ik niet horen. Zeg het maar. Ik regel het.

Zo moeten wij, Groningers, gaan denken. Alleen laten we het Kees niet meer regelen, of Henk Kamp, of Jetta Klijnsma. Wij gaan het regelen. Willen is kunnen. Kunnen is doen.

We hebben een bewogen jaar achter de rug, het wordt tijd dat we zelf in beweging komen.
 
Deze column las ik dinsdag 16 december 2014 voor op de eindejaarsborrel van de provincie Groningen. Plaats van handeling: café De Sleutel in de stad Groningen. Als dank kreeg ik, naast een honorarium, een mooi boek: Werkman Leven en Werk 1882-1945. Een mooi boek.