Posts tonen met het label De Dronken Rechtsbuiten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Dronken Rechtsbuiten. Alle posts tonen

woensdag 23 november 2016

Nog één keer Seta

MUSSELKANAAL De roemruchte voetbalvereniging Seta uit Musselkanaal viert op 10 juni 2017 het zestigjarig jubileum. Op de planning voor die dag staat een kort feestprogramma met aansluitend een reünie. Bestuur en feestcommissie willen het heuglijke feit met zoveel mogelijk mensen vieren en doen een oproep aan leden en oud-leden om zich te melden.

Dat kan via acvs@kpnmail.nl, website www.vv-seta.net en de Facebookpagina 60 jarig bestaan v.v. Seta (link), waarop regelmatig nieuwe informatie verschijnt.

Aanmelden kan ook via: Jan Abee 06-22231169 (feestcommissie) of Jan Hartman 06-15519871 (clubvoorzitter).

Ik heb zelf heel lang bij Seta gevoetbald. Het is de club met de meest geografische aanduiding in de naam: Sportclub Eerste exloërmond Tot Afdraai. Al spraken de tegenstanders van: Schopt En Trapt Alles. Zelf vond ik een door een vriendje beacht Sportieve En Technische Atleten wel mooier.
Mijn belevenissen bij de club inspireerden tot veel verhalen in de bundel 'De dronken rechtsbuiten' en min of meer ook tot mijn enige voetbalroman tot dusver, FC Hopeloos. En wellicht als extra motivatie om vooral naar de reünie te komen hieronder een verhaaltje uit de oude doos.


Borsten van papier

Of het de trainer zelf was weet ik niet meer, maar op een zaterdag kwam iemand de kleedkamer binnen met een verrassing. Twee borsten van papier, met knoerten van tepels. De boodschap was: wat de uitslag straks ook is, hier hebben jullie alvast twee punten.
Voetbalhumor, ja. Wat ik vooral bijzonder vond was dat die iemand dus een avondje bezig is geweest die dingen te maken. Wat ongetwijfeld voor opgetrokken wenkbrauwen bij moeder de vrouw aan de keukentafel heeft gezorgd.
‘Wát ben jij aan het doen?’
‘Ach, ik maak even twee titten. Je weet wel, stukje psychologie. Die idioten begrijpen maar niet wat ik bedoel. Als het over seks gaat snappen ze het wel.’
Of het een zege heeft opgeleverd ben ik vergeten. Dat soort creativiteit was doorgaans niet aan ons besteed. Wij konden meer met teksten als: ‘Kom op jongens! Der bovenop vandoage! Veur mekoar knokken! Beuk hom deur de panty! Allah Akbar!’
Waarschijnlijker is dat we die dag kansloos het schip in zijn gegaan en ik de hele wedstrijd aan borsten heb lopen denken.
Het was niettemin een originele gedachte en als trainer moet je wel eens wat. Gevraagd naar zijn tactiek riep Ernst Happel vroeger: ‘Táctiek? Geloel. Ik heb kain tactiek. Ik heb Coentje, Wiellem en Rinoes. Zij roegelen das wohl.’
Omdat negentig procent van alle elftallen geen Coentje, Wiellem en Rinoes hebben, maar de linies vullen met Derken, Gezinussen en Onno’s, kan een tactisch praatje of een briljante ingeving wel eens helpen.
In de meer dan 35 jaar dat ik heb gevoetbald is alles langs geweest. Van zinvolle omzettingen tot minder zinvolle, zelfs desastreuze omzettingen. Van een normale analyse tot getier en bijna elke trainer liep minimaal een keer de kleedkamer uit in de rust, in de hoop dat we ons de ernst van de situatie realiseerden. Ook dat pakte meestal verkeerd uit, want dan gingen we door elkaar zitten schreeuwen.
Van al die jaren is me vooral bijgebleven dat de trainer van dienst tijdens het kopje thee constateerde dat de ‘eindpass’ niet goed was. We speelden best aardig, tot aan de eindpass. Die eindpass wás gewoon niet goed, jongens! Ineens had iedereen het over de eindpass. Inderdaad, die $#%&^^%***-eindpass! Dat we daar niet eerder aan hadden gedacht! We moesten als de sodemieter aan die eindpass werken! Wekenlang gingen de gesprekken over de eindpass. Tot in de kantine. Wat bleek: ook bij het tweede, derde en vierde was die eindpass niet goed! Niemand bij de club had het nog over iets anders. Dat bijna alle passen niet goed gingen werd voor het gemak vergeten. Het ging om die eindpass! Op zeker moment serveerden ze zelfs een patatje eindpass, waarbij de mayo en ketchup als een streep over de frieten lagen.

Het leukste idee was echter – bij een andere trainer – het plan dat onze voorstopper de bal bij de aftrap meteen met een enorme hijs naar voren knalde en wij moesten dan als gekken ook die kant op rennen. Met deze shock and awe-tactiek zou de tegenstander het in zijn broek doen van angst en konden we direct scoren. We hebben het een heel seizoen gedaan. Het leverde louter doeltrappen voor de tegenstander op, maar ik vond het elke keer een geweldige happening.

P.S. Zoals trouwe lezers gemerkt zullen hebben post ik even geen blogs meer. Ik schrijf tegenwoordig columns voor het Dagblad van het Noorden en twee stukjes op een dag wordt te veel van het goed.

donderdag 19 juni 2014

Oerol WK-column 7: S.E.P.

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van donderdag 19 juni 2014. Geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit: S.E.P. Ik heb gisteren wel een verhaal over Oranje gemaakt, maar die staat op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden van vandaag.


De eerste verzorger die ik meemaakte was een ex-bokstrainer, de tweede werkte bij aardappelmeelfabriek AVEBE. Geen mannen bij wie je terecht kon als je geestelijk even moeilijk zat. Wat regelmatig voorkwam aangezien mijn vaardigheden nogal achterliepen bij mijn ambities. In geval van zielenpijn (uit vorm, uit geweest) varieerden de adviezen van ‘trek diezulf moar even goud aan de potlood’ tot ‘weet ik niet’. De verhalen van teamgenoten deden mij besluiten om ook in geval van ernstige blessures níet bij de verzorger op consult te gaan.

Onze laatste man had chronische rugpijn en ik zat met open bek te luisteren naar zijn belevenissen in het behandelkamertje van de bokstrainer. Er waren oefeningen met basaltblokken en binnenbanden van dumptrucks en ik geloof dat ie met een kletsnatte dweil werd geslagen. Hij kwam telkens kotsend thuis, al hielp het gek genoeg wel. De bokstrainer had meestal dezelfde diagnose: ‘die boel zit muurvast’. En wat vastzat moest los. Getrokken of geslagen. Ongeveer zoals ze op scheepswerven vastgeroeste bouten losbeuken. Met ‘Au!’ moest je niet aankomen. Hij was in de zeventig en had een betere mentaliteit dan wij. Je kon ook pilletjes en zalfjes krijgen. Daar ging je op als een speer. Enige bijwerking was dat je drie dagen met een boner liep. Het was experimenteel spul, luidde de uitleg. Je mocht het aan niemand laten zien. De teksten op de potjes waren in het Armeens. De Spetsnaz zocht hem en ook de Mossad kende zijn naam.

De man van de AVEBE lachte overal om en had op alles één antwoord: “Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

“Arnold, als ik mijn voet op de grond zet dan zwik ik er doorheen. Wat kan dat zijn?”

“Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

“Arnold, mijn knieschijf zit aan de achterkant. Is dat erg?”

“Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

Arnold masseerde zich niettemin een ongeluk. Want zo gaat dat met voetballers. Je hebt een verzorger en iedereen ligt meteen op de massagetafel. Die stond midden in de krappe kleedkamer en ik vond het niet echt bevorderlijk voor de concentratie. Of je had het klokkenspel van een teamgenoot op een halve meter voor je neus, of je keek in een paar harige neusgaten. Bij echte kwetsuren gaf niemand thuis. Ik brak eens mijn arm. Het deed in de rust best wel zeer, maar toen ik vroeg of het gebroken kon zijn was het antwoord: “Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

Ik kon me amper aankleden. Geen mens kwam op het idee dat er wel eens iets aan de hand kon zijn. ’s Maandags ging ik voor de zekerheid toch naar de huisarts. Ik kon meteen in het gips. Waarop ik besloot om niemand ooit nog iets te vragen. Niet bij fysieke kwetsuren en nog minder bij psychisch onheil.

Leiders had je helemaal niks aan. Zeker niet als het je eigen vader was. Op een vrijdagavond was ik thuisgekomen in een leeg huis. Mijn toenmalige vriendin had alleen een briefje in de nog kale kerstboom gehangen. Veel zin aan voetballen had ik zaterdags derhalve niet. Paps klopte me op de schouder bij het betreden van het veld en zei: “Alles vergeten, mienjong.” Dus in plaats dat ie meeleefde, had ie veel liever dat ik mij op de wedstrijd concentreerde. Ik merkte eens tegen de leider van W.V.V. 5 op dat ik bij hem een gebrek aan empathie bespeurde.  Dat woorde kende hij niet. De man was vijf minuten stil en blafte mij vervolgens toe dat dit geen praatgroep was en dat ik wel eens de volgende wissel kon zijn.

Ik heb in dertig jaar tijd geen normaal antwoord gehad. Ook bij Helpman 4 niet, terwijl de selectie aardig wat academici bevatte. De aanvoerder/spits/leider/organisator van tripjes naar België/afzender van rare mailtjes, had het alleen over seks. Zijn oplossing om hoofd en lichaam helemaal ‘leeg’ te maken was een goede wedstrijdvoorbereiding en die heette S.E.P.

Seks, Ei, Poepen.

woensdag 18 juni 2014

Oerol WK-column 6: In de rust

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van dinsdag 18 juni 2014. In afwachting van van Nederland - Australië geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit: In de rust.

 
‘Ga even zitten Geert, ja, ja, jaja, oké, já! Oké, Geert, ik hoor je. Het is duidelijk wat je bedoelt. Rustig…, rustig…, nee, Jan, nee, even niet op reageren. Jongens…, Jongens…, Jongens! Kom op, we zijn toch volwassen kerels! Laten we elkaar even geen mietje noemen. Zitten! Iedereen zitten! Harrie, leg die spons maar even neer. Nu! Bert, hier blijven. Als je wegloopt mag je je gaan douchen. Ik wil nu stilte, want het gaat niet goed. Om het eens op zijn Gronings te zeggen: ‘t is kloten van de bok. Met 3-0 achter hebben we nog mazzel. Gezinus, je keept alsof je menstruatiepijn hebt. Nee, niks zeggen, ík ben aan het woord. Ja, ik weet wat je wilt zeggen. Die eerste kon je niks aan doen. Bert, als je terugspeelt op de keeper dan doe je dat om even rust in de ploeg te krijgen, dat moet geen streep vanaf veertig meter in de bovenhoek zijn. En dan ga je zeker niet wild met je armen staan zwaaien, als die bal er nog ingaat ook. Nee, ook jij blijft zitten. Zitten! Ik mag dit zeggen. Geert, mond houden! Ik kom zo bij jou. Want dat verdedigen daar heb ik ook nog een mening over. Mijn demente oma heeft meer tactisch inzicht en als je een sliding inzet is dat niet op kniehoogte en áls je het al in het eigen strafschopgebied doet, dan héb je de bal ook en dan is het géén penalty. Het is te hopen dat die jongen er niks aan over houdt. Onze voorzitter belt vanavond met het ziekenhuis. Bert… Bert… Bert! Ik maak mijn verhaal af. Ik begrijp dat die terugspeelbal uit frustratie was, maar je hebt zelf de actieradius van een slak met reuma. Ik vind: niemand is goed vandaag. Dat kan, maar dan moet er gewerkt worden. Voor elkaar knokken, meters maken. Positief coachen. Korte kreten. Bal! Man! Tijd! Achter Je!. Niet achteraf verhalen tegen elkaar afsteken die de Mahabharata in lengte naar de kroon steken. Derk, van een aanvoerder verwacht ik leiding. Ook van jou hoor ik alleen gemekker en je loopt alsof er vanochtend iemand een koppel eenden uit je lul heeft gezogen. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat niet iedereen gisteravond op de bank heeft gezeten met een glas melk. Ik wéét dat Henk zijn zwemdiploma heeft gehaald en ik zie het als positief dat het hele team op zijn houseparty komt, dat betekent dat de sfeer in wezen goed is, maar daar zie ik niks van terug. Het acceptatievermogen is kut komma kut. Ik zie ouwe wijven die het niet eens kunnen worden of ze op excursie naar het mosterdmuseum gaan of naar de zeehondjes in Pieterburen. En nu ik toch bezig ben: ik werd vanochtend gebeld, ik zeg niet door wie en die zei dat jullie daarna zijn wezen karaoken in de Benzinebar. Het kan aan mij liggen, maar ik heb een ander idee van een goede voorbereiding. Ik heb er voor de wedstrijd niks van gezegd, want ik wilde weten of jullie echte kerels waren. Dat valt me tegen. Nee, Gezinus, geen gejamaar! Verliezers hebben een excuus, winnaars een verhaal. Wie ’s nachts met zijn paasbrood wil zwaaien moet ook ’s ochtends de eieren voor zich uit joekelen. O ja, Harm, dat doel is dat ding met die twee witte rechtopstaande stangen en die liggende stang erop. Het is drie keer voorgekomen dat jij schoot en de tegenstander vervolgens mocht ingooien. Het gaat niet om kansen, het gaat om goals. Ik wil een paar dingen afspreken: we gaan knokken en we gaan simpel spelen. Ik wil geen Evert meer zien die op de eigen doellijn iemand tussen de benen doorspeelt en verbaasd is dat het ineens 0-3 is. Rust in de ploeg en mondje dicht tegen de scheids, die man doet ook zijn best en speel mekaar strak in de voeten aan, niet met zeikerige stiffies. Ik wil godverdejanpeerdekeurel de tweede helft zien dat er voor mekaar gewerkt wordt. Ja, scheids we komen. Beuk hem door de panty!’

dinsdag 17 juni 2014

Oerol WK-column 5: De Dronken Rechtsbuiten

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van dinsdag 17 juni 2014. Geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit. Over waarom drinken toch niet zo goed is: filmpje


Zijn aankomst op het sportpark was al een belevenis. Gerrie was de eerste die hem zag. ‘Moet je kijken wie dáár aan komt’, klonk het opeens. De mannen van het vijfde gingen voor het raam staan en ook de anderen in de kantine verdrongen zich om maar niets van het schouwspel te missen. Want daar kwam de Rechtsbuiten, hun ploegmaat, aangefietst. Kaarsrecht en in zo’n laag tempo dat hij net niet omviel. Zijn toestand was dramatisch. De voorzitter schudde zijn hoofd: ‘Godogodogod…’. De jongen zag er uit alsof ie onder een trein door gekomen was. De ogen straalden totale leegte uit. Hij was zo dronken als een kanon.

Op zich geen nieuws, de Rechtsbuiten stond zaterdags vaker brak op het veld, maar deze keer had ie het wel heel bont gemaakt. Wat later, of nee, veel later, toen hij zich beetje bij beetje dingen begon te herinneren, werd duidelijk dat ie de hele nacht niet naar bed was geweest en minimaal een liter wodka op had, alsmede een ongelooflijke hoeveelheid bier. Het verjaardagsfeestje van een kameraad was geëindigd met wilde drankspelletjes en volledig uit de klauwen gegierd met de klassieker ‘De beer komt en de beer gaat’. Een zeer populaire bezigheid in die delen van Rusland waar het ook zomers min veertig graden Celsius is.

De deelnemers zitten rond een tafel met daarop één groot glas bier en een fles wodka. Het glas bier gaat rond, om beurten nemen ze een slok en na elke slok wordt het niveau weer aangevuld met wodka, tot het glas gevuld is met pure wodka. Waarna het ritueel zich herhaalt, maar dan in omgekeerde richting en elke slok wodka wordt vervangen door bier, tot er weer puur bier in het glas zit. Dat hadden ze gelezen in een boekje van Sylvia Witteman, dat de jarige cadeau had gekregen.

De Rechtsbuiten had genoeg binnen om een olifant een week buiten bewustzijn te houden, maar de jongen was in leven gebleven, al hield het niet over. Op de een of andere manier was er het besef geweest dat ie ergens werd verwacht en was hij er in geslaagd het sportcomplex te bereiken. Eenmaal ter plekke was de man aan het einde van zijn krachten en liet zich met fiets en al in de bosjes glijden omdat remmen een te moeilijke opdracht bleek.

Zijn teamgenoten pulkten hem onder het toeziend oog van de hele kantine en een groep nieuwsgierige buurtbewoners uit de struiken en zetten hem overeind. Omdat dat ongeveer het enige was waartoe de Rechtsbuiten in staat was, ondersteunden ze de ongelukkige richting kleedkamer. Daar hielpen ze de jongen van zijn gewone kleren in voetbaltenue, dat tot niet geringe verbazing van zijn maten keurig opgevouwen in zijn tas zat, inclusief handdoek, schone onderbroek en shampoo.

Iemand in zijn toestand zou niet hebben mogen voetballen. Iemand in zijn toestand had zich überhaupt niet op de openbare weg mogen begeven. Een normaal mens was in die toestand met loeiende sirenes naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd. Het probleem met het vijfde was dat ze met de Rechtsbuiten erbij net elf man waren. Zoals elke week en aangezien er weinig verschil zou zijn met wat de Rechtsbuiten normaliter presteerde bleek de beslissing gauw genomen. Daarmee werd immers ook recht gedaan aan het verantwoordelijkheidsbesef, waarmee de jongen zich met zijn laatste krachten naar het sportcomplex had begeven. Het structureel tekort aan mensen moet ergens zijn blijven hangen, in het kleine deel van zijn bewustzijn waar die ochtend nog wat leven in zat.

In de lagere echelons zijn er per elftal altijd wel een of twee die op stap zijn geweest. De gevolgen daarvan worden meestal met veel mis- en gebaar ondergaan. Opzichtig veel koffie drinken, aspirines eten en klagen over hoofdpijn, afgewisseld met sterke verhalen en knalharde boeren en altijd eindigend in een bezoek aan het toilet waar in no time een ongelooflijke stank vandaan komt. Of ze sprinten naar de bosjes om het daar op een kotsen te zetten. Het wezen van de Rechtsbuiten was dat stadium ver voorbij. Hij bevond zich in een totaal andere wereld. Zijn geest had zich losgemaakt en het lichaam was zonder signalen uit de hersenen tot niets meer in staat.

Met een mannetje of wat hebben ze hem voor aanvang van de wedstrijd op de rechtsbuitenplek gezet, tegen de middellijn aan. Daar is hij tot de rust blijven staan. Als een standbeeld. Hij heeft geen stap verzet. Niet vooruit, niet achteruit, niet naar links, niet naar rechts. Voor aanvang van de tweede helft draaiden ze hem om en heeft ie drie kwartier de andere kant op gekeken. In de pauze hadden ze de Dronken Rechtsbuiten op het veld laten staan. Dat was wel zo gemakkelijk.